Culturele instellingen die de Governance Code Cultuur niet onderschrijven, kunnen vanaf 2021 niet meer op subsidie rekenen. Daarmee dwingt de overheid verantwoord ondernemerschap af. Maar wordt er zo niet met een té sterke economische bril naar de waarde van cultuur gekeken?

Op 11 juni 2019 deelde Minister van Cultuur Ingrid van Engelshoven de uitgangspunten voor het cultuurbeleid van 2021-2024 met de Tweede Kamer. Naast de verplichte implementatie van de Fair Practice Code en Code Culturele Diversiteit, is vanaf 2021 ook de Governance Code Cultuur (GCC) een voorwaarde om subsidie te krijgen. Daarmee wordt de GCC, een beleidsinstrument dat goed bestuur en goed toezicht in de cultuursector beoogt, een stuk dwingender. Voor de huidige subsidieperiode werden instellingen slechts beoordeeld op de wijze waarop de GCC wordt nageleefd, maar werden er binnen de culturele Basisinfrastructuur (BIS) geen consequenties verbonden aan het niet implementeren van de GCC.

Implementatie van de GCC is dus vanaf 2021 een subsidievoorwaarde voor de vanuit de culturele BIS gesubsidieerde instellingen. Ook de gemeente Amsterdam neemt dit advies over door de code vanaf 2021 verplicht te stellen voor instellingen binnen de Amsterdamse BIS. Opmerkelijk is dat onderschrijving van de GCC bij veel fondsen, zoals het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK), Fonds 21 en Fonds Podiumkunsten (FPK), al veel langer een must is. Daardoor zijn veel kleine makers al langer verplicht de GCC toe te passen.

Wat is de Governance Code Cultuur?

De eerste stap richting de GCC werd al in 1998 gezet door de commissie Cultural Governance, onder leiding van Melle Daamen. Deze commissie kwam in 2000 met de publicatie Cultural Governance. Kwaliteit van bestuur en toezicht in de culturele sector. Een pleidooi. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de GCC 2019. Deze GCC werd in november 2018, in aanwezigheid van menig cultuurdirectie, aan de minister van Cultuur gepresenteerd.

De GCC is een beleidsinstrument dat goed bestuur en goed toezicht in de cultuursector beoogt. De GCC bestaat uit acht principes en daaruit volgende aanbevelingen. De principes gaan over: waarde scheppen voor en in de samenleving, integer en rolbewust handelen, zorgvuldig besturen en goed toezicht uitoefenen. Voor de principes geldt: pas de principes toe én leg uit hoe je dit doet. Voor de aanbevelingen geldt: pas toe óf leg uit, wat betekent dat de aanbevelingen toegepast moeten worden, tenzij de culturele instelling goed uitlegt waarom ze de aanbevelingen niet toepast.

In eerste instantie helpt de GCC culturele instellingen zichzelf te wapenen tegen belangenverstrengeling en geeft ze tips om goed bestuur en toezicht onderdeel te maken van de organisatie. Het gaat bijvoorbeeld om de maximale zittingstermijn van toezichthouders, het online publiceren van bestuurlijke vacatures en een rooster van het aftreden van toezichthouders. Ook belangrijk is de verantwoording in het jaarverslag, en het beloningsbeleid voor bestuurders en toezichthouders. Dit deel van de code is vrij praktisch van aard, en goed navolgbaar.

Ten tweede beoogt de GCC bij te dragen aan de culturele waarde die een instelling creëert en haar maatschappelijke doelstelling. Hier begint het een beetje te wringen. Wat bedoelen de auteurs van de GCC met culturele waarde? Dit begrip heeft geen eenduidige betekenis en kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Hier geeft de GCC geen duidelijk antwoord op. 

Economische waarde overheerst

In de GCC wordt met een sterke economische bril gekeken naar de waarde van cultuur. Een citaat uit de code: ‘De organisatie realiseert haar maatschappelijke doelstelling op een duurzame en bedrijfsmatig verantwoorde wijze en waarborgt de artistieke integriteit.’ Het is blijkbaar van belang dat de culturele waarde van een culturele organisatie op een bedrijfsmatige manier gecreëerd wordt. Dit is opmerkelijk, want een bedrijf is ingericht om zo efficiënt en effectief mogelijk zoveel mogelijk geld te verdienen.

Naast deze bedrijfsmatige manier van werken, stelt de code dat governance een belangrijke rol speelt in het vertrouwen dat organisaties in de buitenwereld genieten, en dat governance essentieel is voor de versterking van de culturele organisaties. Ook dit klinkt vreemd. Je zou namelijk zeggen dat het vertrouwen dat culturele organisaties hebben in de samenleving, bepaald wordt door hun culturele product.

Naast bedrijfsmatig werken en vertrouwen gaat de code uitgebreid in op risicobeheersing. Zo mogen instellingen niet te veel risico’s nemen en moeten ze maatregelen nemen om deze risico’s zoveel mogelijk te beperken. Bovendien ligt er nadruk op verantwoording, transparantie, doelmatigheid en openheid. Het implementeren van de code brengt zo een hoop verplichtingen met zich mee met betrekking tot verantwoording in het jaarverslag.

Bedrijfsvoering, het vermijden van risico’s, verantwoording en doelgerichtheid zouden er – als we de GCC moeten geloven – toe moeten leiden dat culturele instellingen meer culturele waarde creëren en zo de sector sterker maken. En dit is raar. Hier lijkt een neoliberale blik op de waarde van cultuur centraal te staan. Het gaat hier om het financieel en organisatorisch zelfstandig maken van culturele instellingen. Hiermee creëert de GCC een maat voor cultuurinstellingen; een pasvorm waarbinnen zij zich moeten gedragen.

Van een onmaat naar een maat

Deze economische blik op culturele waarde lijkt weinig raakvlak te hebben met de reden waarom we de toneelstukken van Shakespeare bewonderen, de opera’s van Wagner als magisch ervaren en de schilderijen van Mondriaan ons inspireren. Het gaat hier immers om de intrinsieke waarde van het kunstwerk en niet om de transparante, risicomijdende manier van organiseren.

De Vlaamse Cultuursocioloog Pascal Gielen, een van de auteurs van het rapport De waarde van cultuur in cijfers (2014), betoogt dat het creëren van dat wat hij een ‘onmaat’ noemt, één van de belangrijkste eigenschappen van de kunsten is. Met deze onmaat bedoelt hij een trendbreuk waarmee kunst keer op keer de regels, de maat, van kunst doorbreekt. Het is de kracht van kunst om te laten zien dat alles ook anders kan; haar kracht om ingesleten culturele gewoontes te ontwrichten. Middels het inbrengen van deze onmaat kan kunst een perspectiefwisseling tot stand brengen en daarmee maatschappelijke impact hebben. Een voorbeeld hiervan is Le Sacre du Printemps, waarmee componist Stravinsky aan het begin van de twintigste eeuw grote indruk maakte op het publiek in het Théâtre des Champs-Élysées en voor eeuwig zijn stempel drukte op de klassieke muziek.

Volgens Gielen is er een nauwe relatie tussen deze onmaat en de autonomie van cultuur. Het is voor cultuur namelijk alleen mogelijk om die onmaat te blijven creëren, onder de voorwaarde dat ze niet onmiddellijk resultaat – dan wel artistiek, dan wel economisch – moet boeken. Cultuur moet omwille van zichzelf bestaan, en daarom autonoom zijn. Volgens Gielen is deze autonomie niet vanzelfsprekend en moet deze worden ondersteund door draagvlak in de samenleving. Deze autonomie en de gemeenschap houden elkaar in stand en zouden gewaarborgd moeten worden door cultuurbeleid.

Eigenlijk is dit precies wat er gedaan wordt in de GCC: het waarborgen van autonomie middels cultuurbeleid. Echter hebben we hier te maken met een ander soort autonomie. Waar Gielen het heeft over artistieke autonomie – kunst maken zonder dat marktwerking een rol speelt –, gaat het in de GCC over organisatorische autonomie: kunst maken zonder steun van de overheid. Blijkbaar is de legitimiteit van kunst en cultuur in het huidige culturele veld afhankelijk van de mate van organisatorische autonomie en niet van het artistieke product, het kunstwerk zelf.

De GCC stuurt dus aan op continuïteit, onafhankelijkheid, bedrijfsmatigheid, legitimiteit, risicobeheersing en verantwoording bij culturele instellingen. En al past dit binnen een economisch, neoliberaal perspectief op cultuur(beleid), deze kenmerken horen niet bij de core business van cultuurinstellingen, namelijk, de risico’s nemen die horen bij het introduceren van een onmaat. Hierdoor lijkt de GCC vooral gericht op een onafhankelijke cultuursector, waarin artistieke autonomie plaats maakt voor organisatorische autonomie. Er lijkt, alles tezamen genomen, een tegenstrijdigheid te zijn tussen dat wat de GCC doet (het creëren van een maat) en dat wat culturele instellingen moeten doen (het creëren van een onmaat).

Geen maat, maar maatwerk

Dit ontneemt het belang van een governance code voor het culturele veld echter niet helemaal. Hierbij moet er gekeken worden naar de diversiteit van het culturele veld. De GCC is bindend voor het hele culturele veld en trekt daarbinnen alle culturele organisaties gelijk. Problematisch hieraan is dat het veld niet over een kam te scheren valt.

Zo maakt de overheid op het gebied van de podiumkunsten onderscheid tussen instellingen. Enerzijds zijn er de instellingen die een functie in het veld vervullen – deze zijn opgenomen in de culturele BIS. Anderzijds zijn er instellingen die vernieuwing en pluriformiteit in het veld moeten waarborgen – deze worden ondersteund via het FPK.

Gevestigde instituten als Nationale Opera & Ballet, Holland Festival of Theater Rotterdam – alle structureel gesubsidieerd vanuit de culturele BIS – ontvangen veel publiek geld. Daarvoor moeten zij nou eenmaal verantwoording afleggen. Hiernaast hebben zij een groot aantal medewerkers in dienst. Dit brengt de werkgeversrol met zich mee, die risico’s onverantwoord maakt. Verder onderhouden deze instellingen cultureel erfgoed, waarvan we met z’n allen hebben besloten dat dit goed bewaard moet worden. Het zijn instellingen van internationaal belang ook; ze zijn vertegenwoordigers van het kwalitatief hoogstaande culturele aanbod in Nederland. Een op neoliberale eigenschappen gerichte governance code kan voor de continuïteit en legitimiteit van deze grote culturele instellingen van belang zijn.

Voor kleine producerende, op experiment gerichte gezelschappen – bijvoorbeeld de theatergezelschappen die door het FPK worden ondersteund – gaat dit minder (en misschien wel niet) op. Alhoewel deze kleinere instellingen ook met publiek geld werken, gaat het hier om aanzienlijk kleinere bedragen, die vaak enkel op projectbasis worden verstrekt. Voor deze instellingen kan de GCC belemmerend zijn. Een overdreven focus op risicobeheersing kan experiment en innovatie in de weg zitten. Bovendien is een focus op continuïteit hier niet noodzakelijk: daar waar experiment en innovatie centraal staan, hoeft niet per se resultaat geboekt te worden en is het juist goed als risico’s genomen worden. Hier dwarsboomt de GCC projecten, omdat alles verantwoord moet worden, er een heus bestuur moet zijn, risico’s in kaart gebracht moeten worden en er bedrijfsmatig gewerkt moet worden.

Legitimiteit terugleggen

Al met al staat de GCC ver weg van de kernactiviteit van culturele instellingen: het genereren van waarde door het creëren van een onmaat. De GCC, met haar focus op continuïteit, onafhankelijkheid, bedrijfsmatigheid, legitimiteit, vertrouwen, risicobeheersing en verantwoording, is te veel een pasvorm, een maat, waarbinnen culturele instellingen zich moeten bewegen. Deze maat sluit daarmee aan bij een neoliberaal, economisch perspectief op de waarde van cultuur.

Dit neemt echter niet het belang van een governance code in de cultuursector weg, en hier is een nuance van belang. Voor grote – veelal vanuit de culturele BIS gesubsidieerde – instellingen die verantwoordelijk zijn voor het bewaken van cultureel erfgoed en die een werkgeversrol hebben, is de code van belang. Het is heel redelijk dat zij zich moeten verantwoorden voor de manier waarop zij publiek geld besteden. Dit maakt het een goede ontwikkeling dat implementatie van de code voor instellingen uit de culturele BIS een subsidievoorwaarde wordt vanaf 2021. Voor kleine, op innovatie en pluriformiteit gerichte instellingen – voor wie implementatie al langer verplicht is – ligt dit anders. Voor hen kan de code belemmerend werken, door een overtrokken focus op risicobeheersing en verantwoording. Bovendien is de werkgeversrol hier minimaal. Continuïteit is hier minder een issue, en het nemen van risico’s zou juist gestimuleerd moeten worden. Hier is beleid dat innovatie, experiment en risico’s ondersteunt, van levensbelang. Dan wordt er pas echt waarde gecreëerd!

Verplichte implementatie van de GCC versterkt dus niet per se het hele culturele veld. De mate van verplichte implementatie zou afhankelijk moeten zijn van de hoeveelheid publiek geld die een instelling ontvangt. Zo zou de code wél verplicht zijn voor instellingen in de culturele BIS, maar zouden instellingen die door fondsen (bijvoorbeeld het FPK) worden gesubsidieerd vrijgepleit zijn van implementatie. Dit geeft kunst en cultuur het vertrouwen terug dat hun belangrijkste taak het creëren van een onmaat is. De legitimatie van kunst ligt namelijk in de kunst zelf.

beeld Milo