Wanneer men tegenwoordig over diversiteit rept, moet ik denken aan het diversiteitsproject Topvrouwen van OCW en NVO-NCW. Het project werd in maart 2015 gelanceerd door voorzitter Hans de Boer, bekend van dat ‘labbekakken- interview’, en minister Jet Bussemaker, zelf een vrouw uit de dominante etnische groep in Nederland. De Boer en Bussemaker vonden het tijd om iets te doen tegen de uitsluiting van vrouwen in de bestuurlijke top. Ongeveer tien procent van de commissarissen en bestuursleden in Nederland is vrouw. Als er ook wordt gekeken naar etnische en culturele achtergrond is het nog triester gesteld.

Topvrouwen was bedoeld om de Wet bestuur en toezicht kracht bij te zetten, die een streefcijfer van 30 procent vrouwen aan het eind van 2015 had vastgelegd. Met nog negen maanden te gaan wilden ze dus een groei van zo’n 20 procent realiseren met enkel de zoveelste vrouwendatabase. Het project houdt namelijk in dat vrouwen zich aanmelden en gekoppeld worden. Waarom ze dat nu wel zouden doen terwijl ze dat eerder vertikten wordt echter niet duidelijk. Er wordt ook niet aangegeven wat de gevolgen voor bedrijven zijn als ze die 30 procent niet halen.

Het lijkt alsof men denkt dat diversiteit via polderen wel opgelost kan worden. De partijen die echter aan tafel schuiven onderhandelen niet vanuit gelijkwaardige machtsposities. De ene partij heeft geen pressiemiddel om verandering bij de andere af te dwingen.

In de theaterwereld zien we een soortgelijke dynamiek, die echter nog moeilijker is aan te kaarten omdat men zich in de theaterwereld progressief waant. Daarom is het des te lastiger om te beseffen wanneer (artistieke) voorkeuren gekoppeld blijken te zijn aan de dominante etnische groep. Men noemt dan ook vaak de uitzondering die de regel bevestigt in een naïeve of schijnheilige poging om het eigen straatje schoon te vegen. Urban Myth is ongelooflijk goed bezig, maar lijkt de Stadsschouwburg Amsterdam ook een excuus te geven om niet meer te doen met diversiteit binnen andere producties en invloedrijke medewerkers.

Dit geldt ook voor de fondsen. Want juist daar waar de financiële condities worden geschapen voor producties zien we nog niet genoeg ‘diversiteit’. Filmmaker Martin Koolhoven wees in onlangs nog op de hypocrisie van het Filmfonds. In zijn beleidsplan voor 2016 sprak dit fonds de wens uit om alle culturele achtergronden in Nederland meer te laten terugkomen in de productie van de Nederlandse film. Maar daarmee liet het de invloed van de samenstelling van zijn eigen staf op de uitvoering van die intentie buiten beschouwing. Er werd gesproken over een medewerker die aanspreekpunt zou worden en juist dat stelt niet gerust. Als het deze medewerkers, en de P&O-afdeling die deze groep samenstelde, niet eerder is gelukt om alle culturele achtergronden toegang te geven tot financiering voor films is het de vraag of ze nu wel juist oordelen. Dit geldt voor alle fondsen en subsidieverstrekkers in Nederland.

Het gaat er niet enkel om de akelig overwegende witheid van deze organisaties te veranderen, maar juist om versleten denkpatronen over onze samenleving te doorbreken. Zo lees ik bijvoorbeeld liever een column over diversiteit van Simone van Saarloos dan eentje van Stephan Sanders. Waar Sanders bestaande denkpatronen ankert, ontmaskert Van Saarloos ze als versleten en achterhaald. Na Elma Drayers lachwekkende essay over white privilege en Jeroen Vullings’ stuitende sneer naar verzet tegen racisme in zijn column over de toekenning van de PC Hooftprijs aan Astrid Roemer, kreeg ik plaatsvervangende schaamte voor de progressieve abonnees. Die hebben immers betaald voor de herhaling van verkalkte ideeën.

We lijken in Nederland af te stevenen op een constante herhaling en bevestiging van wat we al weten. Er is een algehele regressieve tendens in de samenleving, die juist de kunst- en cultuursector zich moet aanrekenen. Wij stellen het voorstellingsvermogen van onze samenleving voor en falen kennelijk. Uitsluiting aanpakken is een gevecht voor de voorstelling van onze samenleving en de toekomst. En dat moeten we duidelijk niet aan onze politici overlaten. In november 2015 bleek de Wet bestuur en toezicht een papieren tijger. De voorgestelde oplossing voor het falen van de wet? Het streefcijfer omlaag bijstellen. Het is 2016, om de nieuwe Canadese premier Justin Trudeau te parafraseren toen hem werd gevraagd waarom zijn kabinet het meest diverse in de geschiedenis van zijn land was. Het is tijd om goede intenties om te zetten in duidelijke stappen.