Julian Isenia onderzocht culturele praktijken van mensen met niet-heteroseksuele verlangens en genderidentiteiten in het Nederlandse Caribisch gebied. Met als doel een nieuw soort ‘soevereiniteit’ te detecteren, gericht op seksualiteit, keek hij naar uiteenlopende cultuuruitingen, waaronder theaterstukken uit die regio. En naar wat hieruit te leren valt voor een inclusief beleid – ook in Nederland.

Tijdens mijn BA- en MA-opleidingen heb ik in de Nederlandse universitaire curricula nooit iets geleerd over de culturen en geschiedenissen van de voormalige Nederlandse Antillen. Dit inspireerde me om in mijn PhD-onderzoek de geschiedenis van seksuele minderheden op Curaçao te verkennen. Mijn dissertatie omvat niet alleen literatuur- en archiefonderzoek, maar ook analyses van tv-shows en etnografieën. Bijna een jaar nadat ik mijn proefschrift in juni 2022 verdedigde aan de Universiteit van Amsterdam, wil ik het in dit artikel samenvatten en de implicaties van mijn werk voor de Nederlandse theaterwereld uiteenzetten.

In mijn proefschrift, getiteld Queer Sovereignties: Cultural Practices of Sexual Citizenship in the Dutch Caribbean, herinterpreteer ik dominante westerse ideeën omtrent seksueel burgerschap door mij te concentreren op mensen die zich aangetrokken voelen tot hetzelfde geslacht en trans*[i] personen in de voormalige Nederlandse Antillen, met de nadruk op Curaçao. Seksueel burgerschap betreft de wijze waarop seksuele oriëntatie en genderidentiteit worden erkend en gerespecteerd binnen een gemeenschap of natie. Het concept houdt rekening met rechten, plichten en het niveau van maatschappelijke acceptatie of discriminatie waarmee iemand geconfronteerd kan worden op grond van diens seksualiteit of genderidentiteit. Mijn onderzoek is interdisciplinair van aard, ik heb kwalitatieve methoden zoals orale geschiedenissen en participatieve observaties gecombineerd met een culturele analyse van archiefdocumenten, performances, foto’s en erotische lexicons om zo de culturele praktijken van deze individuen te onderzoeken.

In dit onderzoek introduceer ik het begrip ‘excentrieke soevereinen,’ dat zich richt op de unieke posities die mensen met homoseksuele verlangens en trans* personen op Curaçao innemen. Ik heb de term ‘soevereiniteit,’ die doorgaans wordt gebruikt in juridische en politieke contexten om de onafhankelijke autoriteit van een staat te duiden, toegepast op het sociale domein. In deze context gebruik ik het om een persoonlijke vorm van autonomie of ‘zelfbeschikking’ te omschrijven die individuen of groepen kunnen uitoefenen. Dit begrip fungeert zowel als een analogie voor de queer of straño (Papiamentu[ii] voor vreemd, excentriek of queer) soevereiniteit van de Caribische eilanden, als een theoretisch raamwerk om deze personen zowel vanuit historisch als hedendaags perspectief beter te begrijpen. Het begrip ‘queer soevereiniteiten’ ziet soevereiniteit niet als een vaste status, maar als een voortdurend proces van onderhandeling over politieke affiliatie, vooral in de context van burgerschap. Het biedt een kader voor het begrijpen van individuen en groepen die aanspraak maken op postkoloniale soevereiniteit en het daagt conventionele opvattingen over seksualiteit, gender en natie uit.

Ik gebruik de termen ‘mensen met verlangens naar hetzelfde geslacht’ en ‘trans* personen’ om zowel mensen te omvatten die zich identificeren met de meer gangbare termen lhbtq (lesbisch, homo, biseksueel, trans* en queer) als mensen die buiten deze categorieën vallen of deze stabiele identiteitscategorieën betwisten. Zo bestudeer ik in mijn onderzoek individuen die naar hetzelfde geslacht verlangen die niet onder de lhbtq-paraplu vallen omdat ze zich niet specifiek identificeren met een bepaalde seksualiteit, maar het alleen in de praktijk uitoefenen. Een voorbeeld hiervan is de Curaçaose kambrada, die verwijst naar vrouwelijke relaties die zowel platonische als seksuele aspecten omvatten. Iemand is geen kambrada, maar onderhoudt een kambrada-relatie (bijvoeglijk naamwoord) of heeft (in Papiamentu tene) een kambrada-relatie (werkwoord). Ik onderzoek ook mensen die ‘doing gender’ toepassen, waarbij ze een praktiserende benadering van gender combineren met een eigen interpretatie van trans*, zoals de mariku. Tegenwoordig wordt het woord mariku voornamelijk als scheldwoord gebruikt, dat verwijst naar iemand die noch man noch vrouw is, een homoseksuele man of een man die sommigen als te vrouwelijk beschouwen. Iemand is een mariku (identiteit), gedraagt zich als een mariku (bijvoeglijk naamwoord) of handelt (in Papiamentu hasi) als een mariku (werkwoord).

Mijn doel was om de lacune in de studies over seksualiteit in deze (sub-)regio op te vullen door drie onderzoekslijnen te combineren en uit te breiden: kritische studies van burgerschap, postkoloniale theorieën van het Caribisch gebied en gender- en queerstudies. Verder draagt mijn proefschrift bij aan het intersectionele denken over seksualiteit door te onderzoeken hoe seksuele identiteiten en praktijken worden gevormd door neokoloniale relaties met Nederland, de voormalige kolonisator, en hoe dit verweven is met klasse, ras en gender.

De rol van niet-onafhankelijke landen in de politieke theorievorming

De voormalige Nederlandse Antillen (Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint-Eustatius en Sint-Maarten) zijn onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden. Tijdens het dekolonisatieproces droeg Nederland in 1954 het binnenlands bestuur van de eilanden over aan democratisch gekozen regeringen. De zes eilanden vormen momenteel samen met Nederland het koninkrijk, en elke inwoner van deze eilanden bezit een Nederlands paspoort. In Aruba wordt betaald met de Arubaanse florin, op Curaçao en Sint-Maarten met de Antilliaanse gulden, en op Bonaire, Saba en Sint-Eustatius met de Amerikaanse dollar, terwijl in Nederland met de euro wordt betaald. Papiamentu, Papiamento, Nederlands en Engels zijn de officiële talen van Aruba, Bonaire en Curaçao, terwijl Engels en Nederlands de officiële talen zijn op Saba, Sint-Eustatius en Sint-Maarten.

Aruba, Curaçao en Sint-Maarten zijn semi-autonome landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden, Aruba sinds 1986 en Curaçao en Sint-Maarten sinds 2010. Hoewel de landen binnen het koninkrijk in principe gelijkwaardig zijn, creëren verschillende voorwaarden en institutionele structuren een ongelijke machtsbalans tussen het rijkste land binnen het koninkrijk (Nederland) en deze drie eilanden. Zo kunnen deze semi-autonome eilanden onderhevig zijn aan Nederlandse overheidsinterventies om zogenaamd goed bestuur te waarborgen, en kan Nederland financiële en administratieve normen opleggen waaraan zij moeten voldoen om financiële steun te krijgen. Bonaire, Saba en Sint-Eustatius zijn sinds 2010 zogenaamde ‘bijzondere gemeenten’ die worden bestuurd door Nederland. Nederland is daarnaast verantwoordelijk voor het buitenlands beleid en de militaire verdediging van het hele koninkrijk.

In mijn proefschrift benadruk ik hoe niet-onafhankelijke landen kunnen dienen als inspiratiebron voor conceptuele theorievorming. In plaats van staten te zien als gebrekkige entiteiten, wil ik aantonen dat deze landen juist plekken zijn van waaruit we onze noties van soevereiniteit kunnen heroverwegen. Laten we deze landen niet beschouwen als ‘achtergebleven’ op een teleologische schaal, als landen die nog soeverein moeten worden, maar het huidige moment serieus nemen zonder het te romantiseren of dekolonisatie uit te sluiten.

De bewoners van deze eilanden gaan strategisch om met de ambigue status van de voormalige Nederlandse Antillen door de potentiële voordelen van deze neokoloniale relatie te omarmen, terwijl ze bijvoorbeeld zogenaamde Nederlandse waarden en normen afwijzen. Ik onderzocht culturele praktijken die wijzen op afhankelijkheid en verstrengeling en die vaak strategisch verweven zijn met financiële middelen en de arbeid die nodig is om het leven te verbeteren en vormen van burgerschap te smeden – hoe tijdelijk of klein de materiële winst ook mag zijn. Ik was geïnteresseerd in deze praktijken en hoe ze overeenkomen met de strijd van mensen die verlangen naar mensen van hetzelfde geslacht en trans* mensen voor seksueel burgerschap op de eilanden. Hoe construeren zij zelfbepaling in relatie tot het dominante model van seksueel burgerschap? Hoe omarmen en verwerpen ze dit model van politieke vrijheid, dit bevrijdende maar beperkende systeem? Deze groepen en individuen onderhandelen over het historische en hedendaagse postkoloniale kader om soevereiniteit opnieuw te overdenken via strategische allianties en intimiteiten.

Mijn doel was om een nieuw soort ‘soevereiniteit’ te onderzoeken, gericht op seksualiteit. Ik wilde niet alleen kijken naar wetten of politieke theorieën, maar juist naar de echte ervaringen van mensen. Zo probeerde ik te begrijpen hoe seksuele minderheden in de praktijk hun eigen plek in de samenleving vormgeven, in plaats van dat dit van bovenaf wordt opgelegd. Dit betekent dat ik culturele praktijken heb bestudeerd die misschien onbeduidend en klein zijn, strategisch en tijdelijk, afhankelijk van bepaalde machtsstructuren en niet volledig autonoom.

Queer soevereiniteit: een cultureel perspectief op seksueel burgerschap

Ik gebruik dus het excentrieke, postkoloniale soevereiniteitsconcept van de Nederlandse Caribische eilanden als theoretisch kader om mensen met niet-heteroseksuele verlangens en genderidentiteiten te bestuderen en na te gaan hoe zij hun seksueel burgerschap heroverwegen. Deze praktijken omvatten een strategische heroverweging van wat seksueel burgerschap zou kunnen inhouden, namelijk de rechten, aanspraken en erkenning van individuen en groepen op basis van hun seksuele praktijken, geaardheid en genderidentiteit binnen een samenleving. Het is echter relevant om op te merken dat seksueel burgerschap, oftewel wie als burger wordt beschouwd, meestal heteronormatief, geklasseerd, geracialiseerd en gender-gerelateerd is, wat betekent dat het door de geschiedenis heen voornamelijk is geassocieerd met privileges en erkenning die zijn voorbehouden aan heteroseksuele, welvarende, witte mannen.

Binnen de domeinen van seksueel burgerschap werd ook dit overheersende idee van de burger bevraagd en bestreden, bijvoorbeeld door activisten die zich mobiliseerden om specifieke rechten te verkrijgen die voorheen werden geweigerd aan lhbtqi-mensen. Voorbeelden van deze rechten zijn institutionele rechten die de natiestaat garandeert, zoals het recht op huwelijk, het recht om kinderen te adopteren, om dienst te nemen in het leger, om de genderidentiteit erkend te krijgen, het recht op essentiële gezondheidszorgvoordelen en op bescherming tegen discriminatie. Met andere woorden, het gaat erom mensen die voorheen werden uitgesloten, op te nemen in een bestaand juridisch systeem zonder noodzakelijkerwijs de categorieën of voorwaarden van inclusie verder ter discussie te stellen. Ik pleit ervoor dat we ook kijken naar andere sociaaleconomische aspecten die verbetering behoeven, en we moeten erkennen dat het nastreven van dit specifieke doel een bepaalde norm opnieuw creëert, waarbij alleen degenen die dit willen of kunnen bereiken in aanmerking komen.

In de afgelopen jaren is het begrip seksueel burgerschap ook besproken in verband met het vormen van nationale grenzen en (homo)nationalisme. Er is sprake van een globalisering van systemen voor seksuele identiteit, waarbij westerse (lees: Euro-Amerikaanse) labels zoals ‘gay’ en ‘lesbisch’ zich verspreiden naar de rest van de wereld door de uitbreiding van het kapitalisme, de aids-crisis en technologische vooruitgang. Hiermee is er wereldwijd een ‘universeel gevoel van homoseksualiteit als basis voor identiteit en levensstijl, niet louter voor gedrag’ ontstaan. Dit idee wordt duidelijk zichtbaar in de toename van inburgeringstesten in Europa die vereisen dat men bepaalde waarden met betrekking tot homoseksualiteit accepteert als voorwaarde voor burgerschap. Daarbij wordt gestreefd naar homogenisering van wat als ‘homoseksueel’ moet worden beschouwd en het behoud van bepaalde dominante westerse labels en identiteiten.

In het niet-onafhankelijke Nederlandse Caribisch gebied kan seksueel burgerschap niet geanalyseerd worden binnen een concept van nationale soevereiniteit dat enkelvoudig, absoluut en territoriaal beperkt is tot de ruimte van de natiestaat. In 2012 legaliseerde Nederland het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht in de ‘bijzondere gemeenten’ in het Nederlandse Caribisch gebied. Net als de Franse overzeese departementen in het Caribisch gebied hebben deze eilanden een bijzondere positie wat betreft seksuele rechten in de regio. Hun postkoloniale niet-soevereine status betekent dat ze opereren onder een Europees juridisch systeem dat de bescherming van lhbtqi-rechten aanmoedigt. Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben de status van ‘bijzondere gemeenten’ gekregen en worden vaker aangeduid als het Caribisch Nederland vanwege deze status. Hier verwijst het woord bijzonder naar de juridische uitzonderingen die de Nederlandse regering kan maken voor de eilanden binnen het rechtsgebied van Nederland. Zo heeft de Nederlandse regering het homohuwelijk op deze eilanden ingevoerd, samen met wetgeving over abortus en euthanasie, terwijl vergelijkbare ‘Europese’ wetgeving, zoals sociale uitkeringen, wordt omzeild. Deze juridische excepties benadrukken de eigenaardige of eigenzinnige soevereiniteit van de eilanden, waar de strijd voor gelijkheid met betrekking tot lhbtqi-rechten soms gelijkheid op het gebied van bredere sociale rechten overschaduwt, zoals het verhogen van het minimumloon tot het niveau in Nederland.

Ondanks dat ze in 2010 ‘bijzondere gemeenten’ zijn geworden met de hoop op gelijke sociale voorzieningen als in Europees Nederland, kampen Bonaire, Saba en Sint Eustatius nog steeds met aanzienlijke ongelijkheid. Ze ontvangen bijna 30 procent minder aan uitkeringen, er is geen wettelijk vastgesteld sociaal minimum, en er is geen toegang tot speciaal onderwijs of openbaar vervoer. Ook de arbeidsrechten verschillen, met geen werkloosheidsuitkeringen (WW-uitkering) in de Caribische gemeenten en minder rechten voor ouders, zoals betaald zwangerschapsverlof voor zelfstandige moeders of vaderschapsverlof. Dit staat in schril contrast met de voorzieningen die beschikbaar zijn in het Europese deel van Nederland.

Heroverweging van seksueel burgerschap en identiteit in het Nederlands Caribisch gebied

Verdere integratie in Nederland voor de drie ‘bijzondere gemeenten’ heeft de onderliggende aannames waarop economische en materiële uitwisseling is gebaseerd niet veranderd. Deze ongewijzigde aannames blijven een gehuwde, heteroseksuele en cisgender idee van de natie ondersteunen en reproduceren. Dit zijn bijvoorbeeld aannames over welke koppels in aanmerking komen voor staatsbescherming en sociale voordelen, zoals uitkeringen. Wanneer de meeste mensen in het Koninkrijk der Nederlanden zich de natie voorstellen, zien ze die als heteronormatief en geklasseerd. Echter, zoals Jacqui Alexander het verwoordt, kan ‘niet elk lichaam en iedereen’ een burger zijn, ‘omdat sommige lichamen niet productief genoeg zijn voor de natie’,[iii] waarbij koloniale opvattingen over normatieve seksuele relaties worden gereproduceerd.

Hoe mensen die naar hetzelfde geslacht verlangen en trans* personen op Curaçao manoeuvreren om deze normen van seksueel burgerschap te behouden, af te wijzen of te transformeren, noem ik queer soevereiniteit. Dit houdt in dat ik op zoek ben gegaan naar culturele praktijken die tijdelijke, kleine, vreemde of eigenaardige vormen van soevereiniteit laten zien, waarmee zij alternatieve, heterogene, niet-teleologische paden naar seksueel burgerschap verkennen. Deze praktijken heb ik teruggevonden in ingezonden brieven naar kranten, optredens, radio-interviews, zelfgemaakte tijdschriften en poëzie. Deze benadering heeft me in staat gesteld om postkoloniale soevereiniteit en seksueel burgerschap te bestuderen buiten de formele sfeer van juridische en politieke hervormingen.

In de periode van 1883 tot 1954 in de Nederlandse koloniale geschiedenis, werden mensen met homoseksuele verlangens en trans* personen vaak als ‘afwijkend’ gecategoriseerd. Invloedrijke instituties zoals de koloniale overheid, de rooms-katholieke kerk, en medische instellingen waren betrokken bij deze categorisering. Deze groepen werden het doelwit van bestuurlijke en medische normen en reguleringen. Parallel daaraan presenteert de studie een herbeoordeling van het begrip ‘seksueel burgerschap’ in de huidige context, met een focus op de unieke ervaringen en uitdagingen van seksuele minderheden in de voormalige Nederlandse koloniën. De zorgen die in de koloniale periode werden geuit over seksualiteit en gender, herleven in latere vormen van activisme en culturele expressie, te beginnen in de jaren zeventig. Ik richt me op de opkomst van de eerste homo-organisaties in de jaren zeventig en tachtig, de invloed van theatermaker Fridi Martina vanaf de jaren tachtig en de impact van theatervoorstellingen (onder andere van Felix de Rooy) en tv-shows vanaf de jaren negentig. Deze analyse biedt inzicht in de evolutie van seksueel burgerschap op Curaçao en de manier waarop culturele praktijken hebben bijgedragen aan het vormgeven van acceptatie en erkenning.

Een manier waarop deze acceptatie en erkenning worden bereikt, is door het bevragen en bespreken van ideeën over het creëren van grenzen. Dit omvat bijvoorbeeld het bevragen van het beeld dat Nederland aan de top staat van moderniteit en dat dit de juiste manier is om homoseksueel te zijn, wat het tegenovergestelde zou zijn van wat er in Caribisch Nederland gebeurt. Deze ideeën van moderniteit zijn er altijd geweest, hoewel de focus kan veranderen. Ik heb aangetoond hoe het idee van grensvorming is verweven in het denken over seksualiteit door de koloniale opvatting van de Nederlandse Caribische onderdanen als seksueel promiscue en onvoldoende modern te vergelijken met het heden. Van 1882 tot 1923 schreven een Nederlands parlementslid, een Nederlandse schoolmeester en een Curaçaose schrijver die destijds was verbonden aan de rooms-katholieke kerk, over vrouwen die een ‘kambrada’-relatie hadden. Deze relaties werden als gedegenereerd en immoreel beschouwd en als behoeftig van beschaving. Bovendien waren ‘marikunan’ het onderwerp van een proefschrift over geslachtsziekten in de jaren zeventig. Dit onderzoek baseerde zich op interviews met sekswerkers en mannen die een militaire medische keuring ondergingen. Het toont aan hoe ‘marikunan’ werden gezien als de bron van de verspreiding van geslachtsziekten. Daarnaast werd een koloniale wetgeving die homoseksuele seks tussen een volwassene en een persoon onder de 21 jaar verbood (artikel 248bis in Nederland en artikel 255 in Curaçao) — terwijl de leeftijd voor heteroseksuele seks 16 jaar was — op Curaçao op een specifieke manier geïnterpreteerd. Lokale jongens geloofden dat deze wet alleen op hen van toepassing was als zij de ‘ontvangende’ rol aannamen tijdens homoseksuele seks, en niet als zij de ‘penetrerende’ partner waren. In deze werken werden vrouwen in kambrada-relaties en marikunan gezien als groepen die te homoseksueel, te eigenzinnig en niet modern genoeg waren. Ik heb daarna een verschuiving vastgesteld naar het waarnemen van de eilanden en hun inwoners als onvoldoende homoseksueel (vanwege hun cultuur en gebrek aan lhbt-wetgeving in het geval van de autonome landen binnen het koninkrijk), terwijl ze seksueel promiscue blijven en opnieuw onvoldoende modern zijn.

Een voorbeeld hiervan is een nummer van het Nederlandse lhbtqi-magazine Expreszodat zich richtte op het Nederlandse Caribisch gebied. Sommige artikelen waren verontrustend: ‘Overleven in Willemstad… Hoe overleef je als lhbti in Willemstad?’ en ‘Caribisch Nederland. Palmbomen, witte stranden, carnaval, cocktails en… homofobie’.[iv] Ik was geïnteresseerd in groepen en mensen die serieus omgaan met deze bekrompen ideeën door genuanceerde antwoorden te bieden, of zelfs door ze uit te dagen. Deze groepen ontkennen bijvoorbeeld niet per se dat ze misschien meer seksuele vrijheid hebben in Nederland, maar ze ervaren er ook meer racisme.

Queer soevereiniteit in een analyse van drie Nederlands Caribische theaterstukken

Ik heb onder andere drie toneelstukken geanalyseerd die zich richten op de grensvormende processen: Yupi, e ley a pasa, awor si nos por kasa, kiko tei pasa?(Hoera, de wet is aangenomen, nu kunnen we trouwen, wat zal er gebeuren?, 2010) van Boskwiri, Hulanda mi ta bai (Naar Nederland ga ik, 2003) van Eligio Melfor en Marival (1996) van Felix de Rooy.

In al deze toneelstukken komen personages voor die verlangen naar personen van hetzelfde geslacht of trans* personen, wat in het theater op Curaçao vaak voorkomt, vooral in populaire theaterstukken. Yupi, e ley a pasa is een toneelstuk dat zich richt op populair theater om op humoristische wijze aspecten van het leven van de arbeidersklasse uit te lichten en belachelijk te maken. Het speelt zich af in Curaçao en draait om een homoseksuele man met vrouwelijke eigenschappen die verloofd is met een trans* vrouw. Het stuk onderzoekt de controverses rondom het homohuwelijk, familiedynamiek en maatschappelijke houdingen ten opzichte van relaties tussen personen van hetzelfde geslacht en trans* identiteiten, en daagt stereotypen en vooroordelen binnen de Curaçaose samenleving uit. Hulanda mi ta bai volgt twee financieel achtergestelde heteroseksuele mannen die besluiten te emigreren naar Nederland op zoek naar een betere toekomst. Ze geloven dat Nederland een ‘paradijs’ biedt vanwege de betere sociale zekerheden. Echter, bij aankomst worden ze geconfronteerd met raciale en seksuele stereotypen, wat leidt tot misverstanden en ruzie met een Nederlands homostel.

De besproken toneelstukken raken aan thema’s van queer soevereiniteit en grensvorming door de uitdagingen van emigratie vanuit Curaçao en de invloed van culturele normen op hun identiteiten te onderzoeken. Ook leggen de stukken veerkracht en weerstand tegen maatschappelijke homofobie bloot. Daarnaast behandelen ze de grenzen die maatschappelijke normen opleggen aan personen die verlangen naar mensen van hetzelfde geslacht en trans* personen en onderzoeken ze de strijd om hun identiteit te bevestigen binnen een vaak niet-ondersteunende samenleving. Echter, in geen van de voorstellingen zijn personages die verlangen naar personen van hetzelfde geslacht of trans* personages het hoofdonderwerp. In plaats daarvan houden ze zich bezig met een herbevestiging van een bepaalde ruwe mannelijkheid of vrouwelijkheid, waarin een angst ligt voor seksuele niet-normativiteit en de mogelijkheid van besmetting door verlangens naar personen van hetzelfde geslacht of een ‘queer sociale overname’. Deze angst voor een queer sociale overname reflecteert een dieperliggende sociale paniek, waarin de angst voor het afwijken van traditionele genderrollen en seksualiteitsnormen niet alleen als een persoonlijke bedreiging wordt gezien, maar als een ontwrichtende kracht die de gehele maatschappelijke orde kan ondermijnen. Deze toneelstukken reproduceren deze spanningen en leggen de fragiliteit bloot van normatieve genderconstructies en de intense weerstand tegen verandering en tegen de ander.

Het semi-biografische toneelstuk Marival bekritiseert de Antilliaanse en Nederlandse samenleving door middel van carnaval, travestie en een missverkiezing met vijf trans* personen. Het neologisme Marival koppelt de belediging van de term mariku aan de viering van carnaval. De voorstelling biedt op Curaçao een tijdelijke ruimte waarin heersende clichés worden gereproduceerd, wat mogelijkheden biedt voor flexibiliteit. Deze flexibiliteit laat een moment van ontspanning zien waarbij gemarginaliseerde personen duidelijk in het openbaar treden zonder repercussies, of in ieder geval minder repercussies. Het creëert een unieke en tijdelijke ruimte waarin sociale normen en verwachtingen kunnen worden uitgedaagd, waardoor individuen de vrijheid krijgen om zichzelf te uiten en te verkennen zonder de gebruikelijke beperkingen en oordelen van de samenleving. De vijf personages drijven de spot met en bekritiseren de cisgender mannelijke macho en de maatschappelijke verwachtingen van genderperformance, praten over rassenverhoudingen en komen uit de kast. Daarnaast bevat de theatervoorstelling verschillende interpretaties van de mariku: de mariku als transvrouw, iemand die zich als vrouw identificeert of vrouwelijke hormonen slikt. Soms wordt de mariku ook geïnterpreteerd als een genderperformance, het onvermogen om mannelijkheid te performen, een man met vrouwelijke kenmerken of een drag queen.

De vijf interpretaties romantiseren de queer postkoloniale soevereiniteit van Curaçao niet. In plaats daarvan bespreken ze vermeende stereotypen van de ‘Nederlanders’ en de ‘Curaçaoënaars’ en dagen ze de inherente grensvormende constructies met betrekking tot seksualiteit uit. Door regelmatig te reflecteren en kritiek te uiten op hun sociaaleconomische problemen te midden van een viering van carnaval, wat tegelijkertijd plezier aanduidt en verweven is met normatieve idealen van gender en seksualiteit, zoeken ze naar een vorm van vrijheid die niet absoluut is. Deze articulatie vertegenwoordigt geen apathie of gebrek aan politieke idealen, maar wijst eerder op kleine en opkomende vormen van queer soevereiniteit.

Een radicale aanpak voor diversiteit en inclusie in het Nederlandse theater

In het proefschrift heb ik de culturele praktijken van mensen met niet-heteroseksuele verlangens en genderidentiteiten in het Nederlandse Caribisch gebied onderzocht. Hierbij heb ik queer soevereiniteit geïntroduceerd als een concept dat verdergaat dan beperkte en essentialistische opvattingen van seksueel burgerschap en identiteit. Queer soevereiniteit omvat tijdelijke, kleine, vreemde of eigenaardige vormen van soevereiniteit, waarmee mensen alternatieve, heterogene, niet-teleologische paden naar seksueel burgerschap verkennen.

In de onderzochte toneelstukken worden grensvormingsprocessen kritisch onder de loep genomen. Deze toneelstukken werpen licht op de uitdagingen van migratie, de impact van culturele normen op identiteiten, en de veerkracht en weerstand tegen maatschappelijke homofobie.

Het belangrijkste inzicht uit deze studie is dat excentrieke soevereiniteiten een manier zijn om niet-soevereiniteit positief te waarderen, niet als een gebrek, maar als verstrengeling en onderlinge afhankelijkheid. Echter, het is van cruciaal belang om deze queer soevereiniteit niet te romantiseren. Soevereiniteit is namelijk geen synoniem voor volledige onafhankelijkheid, maar veeleer een complex systeem van onderlinge afhankelijkheden.

De Nederlandse theaterwereld staat voor de uitdaging om recht te doen aan de rechtmatige behoefte aan meer diversiteit, inclusie en dekolonisatie, zonder platte en symbolische acties te bieden. Misschien ligt het antwoord niet in bombastische en grootschalige gebaren, maar juist in een ingrijpende aanpak. Wat als we terug zouden gaan in de tijd, om te bepalen hoe Nederlandse beleidsmakers omgingen met theaterkwesties op de eilanden, en hoe theatergroepen daar opereerden en optraden? Wat zouden we kunnen leren als we de archieven van de Stichting voor Culturele Samenwerking openen, een Nederlandse stichting die tussen 1948 en 1991 culturele samenwerking bevorderde tussen Indonesië, Suriname en de Nederlandse Antillen in opdracht van de Nederlandse overheid?

Uiteindelijk tonen alle culturele praktijken die ik heb geanalyseerd veel meer dan alleen seksualiteit (of performance); ze bestrijken een breed spectrum van relatiewijzen, kritiek op dominante ideeën over seksualiteit en een reflectie op een meer complexe en kritische vermenging van seksualiteit, klasse, gender, ras en natie.

Met een inclusieve benadering van theater, waarbij rekening wordt gehouden met diversiteit, dekolonisatie en kritische reflectie op culturele praktijken, kan een culturele omgeving gecreëerd worden die ruimte biedt aan een veelheid van stemmen en identiteiten, en waarin de queer soevereiniteit binnen het Koninkrijk der Nederlanden in al haar vormen wordt erkend en bestudeerd.

Beeld: Youness Elh, Queer Sovereignties

 

Queer sovereignties; Cultural practices of sexual citizenship in the Dutch Caribbean (2022) van Dr. Wigbertson Julian Isenia (Universiteit van Amsterdam).

 

 

 

[i] Ik gebruik het woord “trans* personen” met een asterisk om te verwijzen naar de term als een overkoepelende term die transgender vrouwen, transgender mannen, non-binaire mensen en gender non-conformisten omvat.

[ii] Ik gebruik expliciet de term ‘Papiamentu,’ in plaats van de gangbare Nederlandse term ‘Papiaments.’ Ik doe dit omdat de laatstgenoemde term twee officiële talen—Papiamentu, zoals gesproken in Curaçao en Bonaire, en Papiamento, zoals gesproken in Aruba—samenvoegt tot één term. Deze talen hebben elk een unieke etymologie en kennen soms zelfs verschillende woordenschatten.

[iii] Jacqui M Alexander, “Not Just (Any) Body Can Be a Citizen: The Politics of Law, Sexuality and Postcoloniality in Trinidad and Tobago and the Bahamas”, Feminist Review 48 (1994): 5–23.

[iv] Haines, Tom. “Surviving Willemstad.” Expreszo 1, no. feb/maa (2014): 92–93.

Dossiers

Theaterjaarboek 2022/2023