Het succes van de theaterfestivals is groot en er zit toekomst in méér en grotere festivals. Mede omdat festivals van oudsher een ideaal platform zijn voor een intense beleving van podiumkunst. De catharsis waar Aristoteles over sprak, deed zich ook voor tijdens de grote Dyonisische festivals.

Door Tom Helmer, foto Karin Jonkers

Het grote succes en belang van de festivals voor de theaterkunst in Nederland kan op vele manieren aangetoond worden. Laten we het nu doen met een kleine greep uit de programmering van afgelopen editie van Theaterfestival Boulevard: Privacy van De Warme Winkel, Wunderbaum en Joachim Robbrecht, Zvivdal van Berlin, Five easy pieces van Milo Rau, Building Conversation; Timeloop van Lotte van den Berg, One more thing van Benjamin Verdonck, When everyting is human, the human is an entirely different thing van Wild Vlees en Dit gebeurt allemaal tegelijk van Eva Line de Boer. Allemaal titels die ook voor voorname theaters als risicovol gelden. Maar er kwam een aanzienlijk publiek op af. De makers konden in de open lucht bier voor elkaar bestellen en kennis uitwisselen. En dat allemaal in ’s-Hertogenbosch! Dat is toch heel andere koek dan halverwege het theaterseizoen te moeten klagen over de onbereikbare marketingafdeling van de Verkadefabriek terwijl er nauwelijks kaarten zijn verkocht voor de volgende onenightstand.

Valt het opvallende succes van de theaterfestivals te verklaren? Welke macht krijgt de festivalbezoekers in zijn greep, dat ze als bijen op honing op een voorstelling van Milo Rau afkomen?

Gelukshormonen

Toen ik studeerde zag ik eens de bitterzoete Trilogie Marseillaise van Marcel Pagnol, door Compagnie Marius. Een marathonvoorstelling in drie delen, over het leven tussen de wal en de zee in het Zuid-Franse Marseille van de jaren dertig. Speciaal voor deze voorstelling had het gezelschap een geweldige houten, halfronde tribune gebouwd, die dag beschenen door het eerste lekkere zonnetje van het jaar. Na deel één kregen we een lunch: een smaakvol donzig stukje witvis op risotto, met aroma van stevige witte wijn, gepofte cherrytomaat als garnering en in ijswater gekrulde lente-ui. Wijn en zelfgemaakte limonade mochten we voor elkaar inschenken. In deel twee van de voorstelling zat een scène die zich ’s nachts afspeelde en om de beleving van het publiek zo realistisch mogelijk te maken, werden er zonnebrilletjes uitgedeeld, zodat de scène op die manier toch voor iedereen verduisterd werd. Ludiek én functioneel. En toen er als resultaat van de liefdeslijn in het verhaal een kindje werd geboren, werden op de tribune (waar iedereen inmiddels tot in de toppen van zijn kunnen aan het genieten was) grote suikerbonen doorgegeven. Bij het applaus dat na vijf uur klonk stond er niet een ietwat zwetende mensenmassa, maar een stralende bloementuin! Betoverd waren we door het ontroerende verhaal, het innemende spel en de vele uitgekiende zaken om en door de voorstelling. Twee dagen later, in de rij voor de kassa van de Albert Heijn, voelde ik pas de golf gelukshormonen in mijn lijf wegebben. Ik had mij in de 48 uur sinds het applaus als schoon en herboren gevoeld.

Gereinigd

Een jaar later bestudeerden we met een werkgroep Aristoteles’ catharsis-begrip. Catharsis is het affect dat in de toeschouwer van een tragedie optreedt rond de ontknoping. Het tragische lot van de held maakt gevoelens van medelijden en afgrijzen in de toeschouwer los waardoor hij gereinigd wordt. Dit roept een beeld op van een toeschouwer die volkomen is gegrepen door het verhaal; voor wie, in zijn toestand van afgedwongen concentratie, de wereld buiten het verhaal geen enkele rol speelt. Ik moest terugdenken aan hoe ik mij nog twee dagen schoon en herboren had gevoeld na de Trilogie Marseillaise. Die riep weliswaar een beetje medelijden op, maar weinig huiver en zeker geen afgrijzen. En het waren zeker ook de zaken van búiten het verhaal, heel wat minder verheven dan de nobele elementen van de tragedie die Aristoteles zo enthousiast beschrijft, die op mij hadden ingewerkt. Voorjaarszon, voortreffelijk eten en speelsheid hadden het affect van de voorstelling enorm versterkt. Had Aristoteles misschien iets over het hoofd gezien?

Zoals we weten bestonden de Dyonisische festivals waar de tragedies die Aristoteles beschrijft werden opgevoerd voornamelijk uit competities tussen drie belangrijke toneelschrijvers van dat moment. Die schreven ieder drie tragedies, een komedie en een satyrspel. Het publiek, een over de berghelling uitgesproeide massa van soms wel vijftienduizend man, zag op één dag alle vijf de inzendingen van een schrijver. Kortom, drie dagen lang een stevige marathonvoorstelling achter elkaar! (En dus nog flink meer inbreuk op het dagelijks leven dan recent Jan Fabre’s Mount Olympus/24h, to glorify the cult of tragedy had.) Ongetwijfeld zaten de bezoekers tussendoor ook te smikkelen van druiven, dadels en olijven en gekoelde honingwijn, ondertussen beschenen door de Griekse voorjaarszon.

Kortom, ik denk dat de bron van de reiniging, de catharsis, niet louter in de tragische opbouw en ontknoping van het verhaal gelegen is. Het is niet alléén het gevolg van de artistieke voornaamheid van de tragedie en zijn uitvoering. Ook allerlei zaken buiten de voorstelling droegen waarschijnlijk bij aan de catharsis. Alsof een reeks indrukken waar het hart van open springt een mens meer ontvankelijk kan maken voor daaropvolgende indrukken.

Potentie

Het historische stadscentrum, een park of plaatselijk natuurschoon draagt vaak bij aan de entourage waarin voorstellingen op een festival worden bezocht. Er is bijzonder eten, je hoort nieuwe muziek en de tribunes zitten vol ontspannen, opgewekte bezoekers. Festivals zijn extreem goed in het bieden van een reeks indrukken waar het hart van open springt. Een groot deel van het publiek kent deze voordelen al lang, maar festivals zouden zich er nog meer rekenschap van kunnen geven door goed te kijken naar de invloedssfeer waar ze hun bezoekers aan blootstellen en die zorgvuldig vorm te geven.

Zo ook zou het theaterbestel de komende tien jaar veel meer van de potentie van festivals kunnen profiteren. Vooral in gebieden als het Gooi en op en rond de Heuvelrug zouden festivals gestart moeten worden. Het stikt daar van potentieel publiek, maar er valt geen behoorlijk podium in de wijde omtrek te bekennen. Daar verstoppen de gemeenten zich opzichtig voor de afspraak dat het Rijk de productie van podiumkunst steunt, en de gemeenten de presentatie voor hun rekening nemen. Ook in en rond steden als Zwolle, Venlo, Assen en Leiden, waar sprake is van een relatief marginale afname, is er ruimte voor festivals. Aan beschikbare kennis, publieksbelangstelling en het aanbod van de gezelschappen zal het zeker niet liggen.

Met meer festivals zouden heel wat meer Nederlanders jaarlijks van theater en dans genieten, maar het zou ook de organiserende gemeenschappen zeer ten goede komen. Festivals zorgen voor een jaarlijks ritueel. Wat het betekent om samen te leven ervaar je als tientallen tot honderden vrijwilligers op de been komen en als notabelen elkaar eens tot in de late uurtjes zien en in onverwachte combinaties een taxi kunnen delen. Of een festivalbus.

Lobby

Wat moeten we doen om de geweldige potentie van de festivals verder te benutten? Allereerst zouden we opzichtig het feestje kunnen vieren over de zeer verstandige investering die het ministerie van OCW op Prinsjesdag bekendmaakte. Daarna zouden we het Rijk moeten verleiden onze partner te worden wanneer we ons richten op al die gemeenten en provincies die verantwoordelijkheid dragen voor de onderafname van belangwekkende podiumkunst. Misschien kunnen we wel good cop, bad cop spelen: een vriendelijke lobby uit de sector gepaard aan druk uit Den Haag. ‘Als jullie niet voor afname via de theaters willen zorgen, zullen we dan maar samen een festival starten?’