Het afgelopen jaar publiceerden Theatermaker en Theaterkrant.nl in samenwerking met het Fonds Podiumkunsten een serie briefwisselingen tussen kunstenaars en denkers van buiten het kunstenveld. Waarin herkennen ze elkaar? Hoe staan zij in de samenleving? We startten hiermee een (letterlijke)  dialoog tussen de wereld van de kunsten en de wereld van wetenschap, beleid, gezondheidszorg, sociale zekerheid, markt en civil society. In deze laatste aflevering: schrijver-filosoof Jan Drost en regisseur Ivo van Hove.

Onafhankelijkheid bestaat niet

Beste Ivo,

Op 12 oktober 2015 gaf ik een TEDx Talk, waarin ik in precies twaalf minuten iets over de liefde en de toekomst mocht zeggen. De titel had ik al snel: ‘Een Afhankelijkheidsverklaring’. Afhankelijkheid lijkt voor steeds meer mensen een vies woord, zowel in de samenleving als in liefdesrelaties. En daarover maak ik me zorgen. En boos, merk ik. Van Aristoteles heb ik geleerd dat goede emoties richtingaanwijzers zijn. Volgens mij vertelt mijn angst mij dat ik niet in een wereld wil leven waarin afhankelijkheid als een zwakte wordt gezien en egoïsme als een deugd. Niet alleen omdat dit niet naar mijn smaak is, maar omdat het streven naar complete onafhankelijkheid op een ernstige denkfout berust. Daarom hield ik een pleidooi voor welbegrepen afhankelijkheid. Afhankelijkheid niet als zwakte, maar als bron van kracht. Ik besloot met: ‘Ik hoop dat niemand ons ooit zal redden van kwetsbaarheid, incompleetheid, en liefde. Ik verklaar mezelf afhankelijk. En jij?’

Op 5 november zat ik in de Stadsschouwburg Amsterdam bij The Fountainhead – een fascinerende, prikkelende, soms irriterende en verleidende kijkervaring. Het toneelstuk eindigt met een pleidooi van Howard Roark (gespeeld door Ramsey Nasr), waarin hij zich rechtstreeks tot het publiek richt en het voor de keuze stelt: onafhankelijkheid of afhankelijkheid? Alsof het me in de schoot werd geworpen.

In het toneelstuk worden twee fundamenteel verschillende mensbeelden en de daaruit voortvloeiende levenshoudingen neergezet. Aan de ene kant de onafhankelijke Howard, die alleen voor zichzelf leeft. Hij is een autonome schepper, een fountainhead, iemand die zijn eigen innerlijke bron is. Aan de andere kant de anderen die, hoe verschillend ook, allemaal afhankelijk zijn en vanwege die afhankelijkheid niet bepaald voordelig worden afgeschilderd; het zijn tweedehands mensen, parasieten, slaven, masochisten, bedelaars, bandieten, om maar een paar van auteur Ayn Rands kwalificaties op te sommen.

Dit is een van mijn bezwaren tegen Rand. Eerst creëert zij een valse tegenstelling, vervolgens maakt zij de ene kant heroïsch en de andere verwerpelijk, en ja, als je het zo voorgeschoteld krijgt, lijkt er maar één optie mogelijk, want wie wil er nu een tweedehands mens of parasiet zijn? Het verhaal is moraliserend, wat geen bezwaar is, want alle kunst is dat, maar dan moet je wel iets krijgen om over na te denken. Mij bekroop soms het gevoel dat ik naar een western zat te kijken waarin de goede cowboys witte hoeden dragen en de slechte zwarte. Rand wordt filosoof genoemd, maar wat zij hier doet heeft meer weg van demagogie. Je wordt niet voor een keus gesteld, je wordt in een valkuil gelokt. En dat terwijl Rand zegt het menselijk denkvermogen zo hoog te waarderen. Ik ben benieuwd hoe jij hierover denkt, Ivo. Is het toneelstuk genuanceerder naar jouw idee?

Mijn afhankelijkheidsverklaring maakt mij in de ogen van Rand tot een minderwaardig wezen. ‘Wat voortvloeit uit het onafhankelijke ego van de mens, is goed. Wat voortvloeit uit de menselijke afhankelijkheid van andere mensen, is slecht,’ laat zij Roark zeggen. Maar zoals gezegd is haar oppositie van mensbeelden vals. De ideale mens van Rand is een relatieloze mens, iemand die helemaal voor zichzelf en vanuit zichzelf leeft. Een mens als een zuivere bron. Maar zo’n mens bestaat niet en kan niet bestaan. Zo zitten we niet in elkaar.

Zonder andere mensen gaat het niet. Zonder anderen hebben wij letterlijk geen idee wie wij zijn. Zonder anderen geen ik. Onze identiteit is een sociale constructie. Wie zichzelf de vraag stelt ‘wie ben ik?’ zal geen eigenschap of kwalificatie kunnen bedenken die losstaat van zijn relaties met andere mensen. Ik ben een zoon door en dankzij mijn ouders. Ik ben een geliefde door en dankzij mijn geliefde. En ik ben een individu door en dankzij de mensen met wie ik samenleef en die mij als een individu bejegenen. Zonder anderen ben ik niemand.

Het beeld van de autonome, autarkische mens, een fontein zonder waterleiding zeg maar, mag dan een denkfout zijn, dat weerhoudt mensen er niet van er reële gevolgen aan te geven. Uit mensbeelden, juiste en onjuiste, vloeien maatschappijvisies, kunstvisies en liefdesvisies voort. Hoe ziet de liefde eruit met een dergelijke denkbril op je neus?

In mijn werk benadruk ik steeds dat liefde een relatie is, en dat het erom gaat dat we de ander niet uit het oog verliezen. In ons romantische droomgeweld walsen we nogal eens over de ander heen en drukken hem of haar in ons plaatje. En als het niet past – en dat doet het nooit – zoeken we verder, tot de eenheid is bereikt. Er zit iets gewelddadigs in dat romantische verlangen de ander te willen incorporeren in mijn geluksdroom. In romantiek lijkt het vooral om mij te draaien. In de liefde als een relatie moet er hoe dan ook recht worden gedaan aan de ander. ‘Hoeveel ruimte laat ik jou?’ is een vraag die de liefdesbril van de romantische bril onderscheidt. Door een romantische bril wordt sociale interactie, menselijke inmenging of beïnvloeding algauw tot iets onzuivers, iets troebels. De ander als besmettingshaard. Kort gezegd: voor romantiek heb je één persoon nodig, ik en mijn ononderbroken fantasie. Voor liefde minstens twee.

Denk jij dat Howard een romanticus is? Ik zou zeggen van wel. Of misschien is romantisch solipsist een betere benaming. Howard gaat er prat op dat andere mensen voor hem niet bestaan, hij merkt ze gewoon niet op, houdt zich niet met hen bezig. Dominique ziet hij wel staan, en hij verkracht haar. Dat is het begin van hun liefde. Verkrachten is een agressieve ontkenning van de ander, maar is ook iets paradoxaals: want waarom je zo gewelddadig tot een ander mens verhouden? Daarvoor zul je toch eerst de ander moeten erkennen. De ander moet er eerst zijn, voordat zij overwonnen kan worden. Een ingewikkelde kluwen, waarin je volgens mij alleen verzeild raakt als je rigide romantisch vasthoudt aan je eigen bestaan en relaties ziet als onvrij, obstakels, een onacceptabele afleiding.

Waar Rand haar hoofdpersoon beschrijft als een man die afkeer oproept, is de Howard die Ramsey neerzet charmant, sympathiek. Zelfs met verkrachting lijkt hij weg te komen. Hij heeft iets groots en meeslepends. Als kijker identificeer je je liever met Howard, je wilt dat hij jou wel ziet staan. Ik ben benieuwd waarom je voor deze interpretatie van Howard hebt gekozen. Ga je daarmee niet een stap verder dan Rand?

Ik voel de aantrekkingskracht van dit heroïsche egoïsme. Het is zo helder en overzichtelijk: ik en wat ik denk. Maar of we het nu leuk vinden of niet, we zijn relationele wezens. We hebben, letterlijk en figuurlijk, altijd met anderen te maken. Ook wat we van onszelf maken, maken we met anderen. Een mens als een zuivere fontein? Wordt het niet juist onzuiver als we in onze overwegingen de ander uit het oog verliezen? Eenduidigheid bestaat niet. Het gaat om het juiste midden, tussen ik en de anderen, de anderen en ik, afhankelijkheid en onafhankelijkheid. Dat dit een hoop gedoe geeft, lijkt mij evident. Maar dat is dan toch zo? Met de ontkenning van onze relationaliteit creëer je eveneens een hoop gedoe, maar van een ander, gewelddadiger soort.

Roarks eigenwijsheid in zijn werk vind ik inspirerend, tot op zekere hoogte. Maar de autonome kunstenaar met een scheppingskracht als een onstuitbare erectie lijkt mij een al te romantische voorstelling van zaken. Zijn veel grote kunstenaars niet juist eigenwijs én onzeker? Leidt een hermetisch opgevatte autonomie er niet toe dat je het inwendige kraantje in jezelf heilig verklaart en afsluit?

Onze ideeën ontspruiten niet uit een autarkisch denkvermogen. Bijna alles wat wij weten, hebben we geleerd. Ook liefhebben moeten we leren, zoals Nietzsche zegt. Dit doen we door middel van opvoeding, kunst en cultuur. Worden we in onze cultuur niet al te zeer verleid om ons aan het contact met de ander te onttrekken? Empathie kun je leren, maar ook afleren. Tijdens Roarks pleidooi hoorde ik in het publiek meerdere keren iemand ‘Yes!’ zeggen. Daar werd ik eerlijk gezegd niet erg vrolijk van.

Het kan aan mijn angstige afhankelijkheid liggen, maar ik heb de indruk dat de romantische en egoïstische afstand tussen mensen, het niet-contact, al zo vaak is uitgebeeld, dat ik mij afvraag of dit inmiddels niet een beetje ‘de makkelijke weg’ kiezen is. Ik denk dat we, naast al het romantische geweld, altijd meer liefdesverhalen kunnen gebruiken. Ik althans wel. Maar misschien kijk ik niet goed. In dat geval laat ik mij graag bij de hand nemen.

Jan

 

Een openlijke strijd om de ziel

Beste Jan,

Als regisseur hoop je telkens weer dat de voorstelling die je maakt mensen ontroert, beweegt, verontrust en aanzet om oordelen op te schorten en opnieuw na te denken over die zaken waar het in het leven écht om draait. Je brief heb ik dan ook ervaren als een cadeau. Hij vertelt me dat The Fountainhead je niet onberoerd heeft gelaten.

Toen ik jaren geleden The Fountainhead voor het eerst las, voelde ik een grote nood om de wereld van Ayn Rand op de scène te zetten en er een theatraal antwoord op te formuleren. Dat laatste is erg belangrijk omdat het hier, in de context van deze briefwisseling, niet zozeer moet gaan over wat ik strikt persoonlijk van haar aannames vind, maar hoe ik daar als regisseur in mijn werk mee aan de slag ga, hoe ik met andere woorden de thema’s uit haar werk maatschappelijk relevant en urgent kan neerzetten. Ik meen te mogen zeggen dat The Fountainhead daarin is geslaagd. Zelden werd er zo intens gediscussieerd na afloop van één van mijn voorstellingen; het leek wel of Howard Roarks laatste monoloog naadloos overging in de verhitte discussies in de foyer achteraf.

The Fountainhead is een enerverende roman. Hij verwoordt op een extreme, compromisloze manier de levensvisie van Ayn Rand zoals ze die onder de noemer ‘objectivisme’ heeft ontwikkeld; standpunten over grote maatschappelijke vraagstukken als verantwoordelijkheid, egoïsme versus altruïsme, autonomie. Wat mij er in eerste instantie in aantrok, was het portret van een kunstenaar die volstrekt autonoom en eigenzinnig zijn stem zoekt, zijn roeping volgt en wars van alle vooroordelen en verwachtingen zijn werk ontwikkelt. Howard Roark bedrijft architectuur alsof zijn leven ervan afhangt. Het is meer dan een vak, het is een passie. Die diepe overtuiging en toewijding raakte me meteen. Maar het boek is natuurlijk meer dan het portret van een gedreven kunstenaar. De roman creëert een gepolariseerde wereld bevolkt door prime movers en second-handers, scheppers en parasiterende mensen die zich volzuigen met de creativiteit en ideeën van anderen.

Vanaf het begin was het mijn ambitie om het gedachtengoed van Rand zonder ironie of relativerend commentaar op de scène te brengen, juist om het explosieve karakter van haar stellingnames te vrijwaren. Ik hou ervan om de toeschouwer een wereld aan te bieden waarin hij zelf een standpunt kan innemen. Het hele maakproces was een evenwichtsoefening, een poging om een voorstelling te maken die het publiek in eerste instantie zou meeslepen en het vervolgens de handvatten zou geven om de gecreëerde wereld kritisch te bekijken.

De voorstelling volgt een duidelijk traject: ze begint met het lezen van de eerste pagina door Ramsey Nasr waarin hij de ‘geboorte’ van het ‘godenkind’ Howard Roark beschrijft, ‘naakt op een steile rotspunt’. De voorstelling opent dus trouw aan het boek maar met een duidelijk perspectief: de acteur die zijn eigen personage in het leven roept en meteen ruimte biedt aan de toeschouwer om de fictie in te glijden met open ogen. Vervolgens nemen we de toeschouwer mee in Rands universum.

Wij zagen de voorstelling als een Wagneriaans drama; een verhaal met larger-than-life personages, belichaamde ideeën en tegelijkertijd mensen van vlees en bloed. De autonome schepper Howard Roark, de opportunist Peter Keating, de demagoog Ellsworth Toohey, de machtsmens Gail Wynand, de ontgoochelde idealiste Dominique Francon. Toen die wereld van tegengestelde levenshoudingen eenmaal helder was neergezet, werd in de voorstelling de vierde wand doorbroken en bood de voorstelling zicht op een clash of ideas waarbij de acteurs zich rechtstreeks tot de zaal richtten. De standpunten werden naast elkaar gezet, de strijd om de ziel werd openlijk getoond. De eindscène is in dat opzicht tekenend. Roark houdt zijn pleidooi voor de autonome mens terwijl op de achtergrond de andere acteurs samen, functionerend als ensemble/collectief, met grote aandacht en zorg live zijn betoog met muziek begeleiden en nuanceren. Muziek opgebouwd uit hun eigen elektronisch bewerkte stemmen die in harmonie samenkomen in het moment van creatie. Een ambigu en genuanceerd beeld waarin Roarks pleidooi niet met een uitroepteken, maar met een vraag eindigt. Overigens was het muziekstuk een deconstructie van Charles Ives’ The Unanswered Question.

Ik heb ervoor gepleit om Roark te spelen als zoekende figuur die zijn keuzes ook laat bepalen door kleinmenselijke trekjes als jaloezie, verongelijktheid en drift. Zo werden alle personages van nuances voorzien. De wereld van Rand werd daardoor dichterbij gebracht, herkenbaarder neergezet. Catherine Halsey, die in de roman wordt weggezet als een tweedehands mens die uit ontgoocheling zichzelf verliest in altruïsme (Rands demagogie ten top), groeit bij ons uit tot een onafhankelijke jonge vrouw die bewust kiest voor maatschappelijk engagement.

Wij hebben getracht de toeschouwer voor een keuze te stellen. Geen illusietoneel, maar een theatrale performance waarbij het publiek met open ogen en oren zelf kan oordelen.

Jan, als theatermaker heb ik me met geen thema meer ingelaten dan met ‘de liefde’: alles verschroeiend, verstikkend, animaal, platonisch of masochistisch. Rand verwoordt haar visie op de romantische liefde als volgt: ‘Romantic love is an emotion possible only to the man (or woman) of unbreached self-esteem: it is his response to his highest values in the person of another – an integrated response of mind and body, of love and sexual desire.’ De relatie tussen Howard en Dominique is in de voorstelling geschetst aan de hand van drie seksscènes: de eerste in de woorden van Dominique ‘een verkrachting’, ook al zegt ze zelf meteen dat ze ernaar heeft verlangd, de tweede een scène van wederzijds begeren, de derde een scène waarin ze beiden ‘in hun kracht’ staan, met hun volle zelfrespect én overgave. Het hele liefdestraject tussen hen beiden is een wachten op het ogenblik dat Dominique zichzelf vindt en zich niet laat leven door de verwachtingen van anderen; het ogenblik dat ze als zichzelf de liefde met Howard bedrijft. Rand schetst dus de liefde als een uitwisseling tussen gelijken. Ik denk dat er heel veel kritiek mogelijk is op haar wereld- en mensbeeld maar ik geloof niet, zoals jij beweert, dat ze de relatieloze mens propageert. Howard Roark gaat juist veelvuldig langdurige relaties aan met anderen. Behalve met Dominique met de compromisloze architect Henry Cameron (Hugo Koolschijn), de bouwvakker Mike (in de roman) en de mediamagnaat Gail Wynand (Hans Kesting). Telkens gaat het over relaties met mensen die voor zichzelf denken en hun eigen doelen stellen.

Ten slotte nog dit. Als theatermaker ben ik afhankelijk van het werk, de liefde en toewijding van een heel team medewerkers en acteurs en ben ik dag in dag uit met hen in dialoog om het werk te kunnen maken dat ik maak. Ik denk dat theater een collectieve arbeid is. En die vaststelling doet niets af aan de noodzaak als kunstenaar autonomie en onafhankelijkheid hoog in het vaandel te voeren.

Met vriendelijke groet,

Ivo

foto: Jan Versweyveld