Dit jaar brengen Theatermaker en Theaterkrant.nl, in samenwerking met het Fonds Podiumkunsten, een serie briefwisselingen tussen kunstenaars en denkers van buiten het kunstenveld. Waarin herkennen ze elkaar? Hoe staan zij in de samenleving? Zo starten we in de meest letterlijke zin een dialoog tussen de wereld van de kunsten en de wereld van wetenschap, beleid, gezondheidszorg, sociale zekerheid, markt en civil society.

Nieuwe wending in een oud plot

Beste Johan Simons,

Het oude versus het nieuwe. Naast de liefde is dat één van de oudste en meest gebruikte thema’s in theaterstukken en opera’s. Vaak krijgt dit de vorm van heftige botsingen tussen generaties. De jongeling versus de oude rot. Zonen en dochters versus vaders en moeders. De jongeling is vaak progressief, de ouderling conservatief. Niet alleen op het toneel is dit motief relevant, maar juist ook in de maatschappij waarin dat toneel gemaakt wordt.

Volgens dichter T.S. Elliot is geen enkele generatie op dezelfde manier geïnteresseerd in de kunst. Met het verstrijken van de tijd en de wisseling van generaties ontstaan andere verwachtingen, wensen en waarderingen voor de rol van de kunst in het leven van individuen en in de maatschappij. Het is daarom de moeite waard om naar de jongere generatie te kijken. In wat voor wereld groeien zij op, welke rol speelt kunst in hun leven en is die rol anders dan voor de oudere generaties kunstminnaars?

Provo’s

Wat mij opvalt is het gebrek aan engagement in de kunst. Waar is de botsing der generaties nu in de kunsten? De babyboomers hadden op het toneel de Aktie Tomaat, op de pleinen de Provo’s en in de muziek Aktie Notenkraker. Alles moest nieuw en anders. De jaren zestig vormden een tijd van radicale breuken. Hoe anders is dat vandaag de dag, nu de jongere generatie in de kunsten een eerder conserverende mentaliteit lijkt te hebben?

Natuurlijk, een zinvolle discussie over generaties is lastig en de twijfel slaat al snel toe. Zijn verschillen binnen generaties niet groter dan die ertussen? Goede vraag, zeker gezien de conservatieve aard van (culturele) elites. En is het niet wat te gemakkelijk mensen in te delen enkel op basis van leeftijd in één generatie? Zeker als leeftijd maar een relatief begrip is, waarbij er genoeg oude zielen in jonge lichamen dolen en frisse geesten een lichaam op leeftijd bewonen? En zijn er tegenwoordig nog wel breuklijnen langs generaties mogelijk in de kunst, als het publiek, de uitvoerders en organisatoren onderling zoveel verschillen in leeftijd? Ik weet het, deze discussie is complex.

Johan, je bent er zelf een van de mooiste voorbeelden van. Jouw vernieuwende geest lijkt niets met leeftijd te maken te hebben. Wat fijn dat je terugkomt naar Nederland om het toneel in Rotterdam opnieuw uit te vinden. De redactie van Theatermaker vroeg ons een briefwisseling te schrijven over ‘de babyboomers die afscheid nemen en een jongere generatie die het roer overneemt bij diverse kunstinstellingen’. Jij bent een van de mooiste voorbeelden waarom het nog niet nodig is een generatiewissel te verlangen om vernieuwing tot stand te brengen. En waar jij het roer overneemt, ben ik pas net begonnen als poetsende matroos op het onderdek.

Daarom geen stellige overtuigingen, maar een aantal observaties en vragen. Ik ben benieuwd naar jouw visie daarop.

Extase

Mijn wereld is die van de klassieke muziek, die van jou vooral die van het theater. Het afgelopen jaar heb ik voor Het Concertgebouw Amsterdam en voor Het Koninklijk Concertgebouworkest veel nagedacht over de vraag hoe een nieuw, jong publiek bereikt kan worden. Daar heb ik me soms verbaasd over jongeren en de kunst.

Misschien is de vreemde scheiding in de houding van jonge mensen om me heen te beschrijven aan de hand van de Griekse goden Dionysus en Apollo. Nietzsche schreef in 1871 al over de kracht van de kunsten, die een balans tussen drift en beheersing kunnen vinden via de tragedie.

Om mij heen leven veel jongeren in de roes van Dionysus, de god van de vruchtbaarheid en de gekte. De extase is het hoogste doel. Mateloos is onze tijd, de roes altijd dichtbij. Dans, onthechting en losbandigheid vormen het vaste recept voor de vrije tijd. De grootste culturele manifestaties zijn de festivals en nachtclubs waar de meerderheid losgaat.

Daar tegenover staat de wat eenzame Apollo, de god van het verhevene. Beheersing en matigheid, verbeeldingskracht en het andere perspectief; wie valt hier nu nog voor? De subtiele kracht van de verbeelding is allang niet meer aan de macht. In ruil daarvoor hebben we een harde, commerciële, rauwe beeldcultuur gekregen.

Muziek, en alle podiumkunsten, heeft het in zich deze twee richtingen te omarmen. Zowel het gevoelsleven en de driften als de kracht van verbeelding en twijfel krijgen de ruimte.

Zowel bij makers als bij het publiek bespeur ik de zoektocht naar Dionysus in de kunsten. Alles moet indrukwekkend, persoonlijk, uniek en dramatisch zijn. Opvallend vind ik hierin de focus op vorm. Alles moet dan opeens anders tegenwoordig. Locaties, ensceneringen, interpretaties, media moeten plots wisselen. Alles om de ‘ervaring’ zo bijzonder mogelijk te maken. En ja, vaak genoeg geniet ik daarvan. Maar waarom is de vorm toch zo dominant?

Tegelijkertijd zie ik een tegenbeweging, zeker in de klassieke muziek, waarbij een jonger publiek een conservatieve smaak heeft. Inhoudelijke vernieuwing wordt in tegenstelling tot de vormveranderingen weinig gewaardeerd. Muziek wordt dan genoemd als uitzondering op een geprikkeld, gehaast en gespannen leven. Er is een zoektocht naar harmonie en innerlijke verrijking. Op Apollo wordt via de kunsten een beroep gedaan als tegenwicht voor het alledaagse waarin Dionysus zo dominant is.

Is dit nu een tegenstelling, of past dit goed bij elkaar? Betekent het dat de kunsten juist voldoen aan Nietzsches observatie van een balans tussen beiden? Ik hoop het, maar weet het niet zeker.

Vooruitgangsgeloof

Nu zou je kunnen zeggen dat moderne klassieke muziek voor een beginner lastiger is dan een symfonie van Beethoven. Maar Beethoven heeft één groot nadeel: het is oude muziek. Kijkend naar de billboardwereld waarin we leven schreeuwt alles ons toe: nieuw is beter dan oud. Alleen al het feit dat iets oud is, is voor velen reden het af te serveren. Hoe kortzichtig dat ook mag zijn.

Toch gebruiken maar weinigen dit argument bij de Negende Symfonie van Beethoven. Misschien lijkt het zo dat het optimum van de klassieke muziek ergens achter ons ligt, zoals schrijver Peter Buwalda recent opmerkte in het interviewprogramma Zomergasten. Beethoven, Bach, Mozart, Scarlatti, Mahler: wie is hun hedendaagse evenknie? Het is een flauwe vraag natuurlijk, want we weten dat we dat pas over tientallen jaren kunnen beoordelen. Toch lijkt er weinig vooruitgangsgeloof te zijn in de muziek; het idee dat de mooiste meesterwerken nog voor ons liggen ontbreekt. Is dit vergelijkbaar met het theater?

Behalve de wereld van de technologie zie ik weinig vooruitgangsoptimisme om me heen. Misschien is het de crisis, de desillusie van de maakbare wereld of de emotiesamenleving waarin het negatieve meer aandacht krijgt dan het positieve. Maar het lijkt mij de bron van het uitblijven van het engagement van een jongere generatie in de kunsten. Vandaar de koesterende conserverende houding. We behouden graag het goede in plaats van iets nieuws, iets beters te scheppen. Dat maakt van kunst een erfenis die je netjes beheert. De ouderen als liefhebbers van de vernieuwing, de jongeren als beschermers van het oude; ik ben benieuwd hoe dat atypische plot zich gaat ontwikkelen.

Hartelijks,

Sywert

 

Wie niets doet, bestaat niet

Beste Sywert,

Volgend jaar word ik zeventig. So what? Ik voel me nog steeds vierentwintig. Harry Mulisch zei ooit: ‘Ik ben nooit ouder geworden dan achttien.’ Ik ken mensen van dertig die al jarenlang vijfenvijftig zijn in hun hoofd. Ik hou een pleidooi voor het volgende: leeftijd speelt helemaal geen rol.

Wat niet betekent dat ik niet heel blij ben met de nieuwe generatie die aan het roer van vele theaterinstellingen komt te staan. Zelf omring ik me op geen enkel niveau met alleen maar generatiegenoten. Zeker niet op inhoudelijk gebied. Bij de Ruhrtriennale bestaat mijn hele dramaturgie uit dertigers. En eigenlijk ben ik nog het meest gefascineerd door de blik die mijn zoons op de wereld werpen, jonge twintigers. Zij leven in een wereld waarin de oude waarden in een snel tempo in twijfel worden getrokken, waarin zekerheden verdwijnen. Ik durf het hen niet te zeggen, maar eigenlijk ben ik heel pessimistisch over onze toekomst. Wie weet of Europa over vijf jaar nog bestaat?

Enkele maanden geleden vierde NTGent zijn vijftigjarig jubileum. Voor die gelegenheid speelde het theater nog eens Platform, een enscenering die ik in 2005 heb gemaakt, in mijn eerste jaar bij NTGent. Het verhaal van Michel Houellebecq in een decor van Bert Neumann, dat bij het begin uit de lucht wordt gestort en de puinhoop na een bomaanslag in een vakantieoord voorstelt. De voorstelling was tien jaar geleden spectaculair goed ontvangen, ze speelde meer dan honderd keer in Vlaanderen en Nederland. Platform was toen een futuristische fantasie over de vermarkting van seks en de clash van onze westerse vrijheidsgedachte met ideologisch extremisme. Toen de voorstelling enkele maanden geleden eenmalig werd hernomen, hing er een enorme treurnis in de zaal, omdat dit visioen werkelijkheid was geworden. Het was gruwelijk te merken hoe dicht het beeld van deze bomaanslag op de huid van het publiek was komen te liggen.

Ikzelf blijf werken tot ik dood ben, en ik blijf leiding geven. Wie niets doet, bestaat niet: dat is het gevoel vanwaaruit ik werk. Ik blijf proberen te inspireren, dat is mijn taak, dat is mijn opdracht. Ik ben een leraar. Ik wilde niet voor niets als kind predikant worden.

Mijn inspiratie en mijn energie liggen in mijn kindertijd. Al mijn intuïtieve ideeën komen daarvandaan. In mijn kindertijd ligt het moment waarop ik me heb afgekeerd van God en mijn troost ergens anders heb gezocht. Het niet bestaan van God was voor mij de ergste straf. Nog steeds denk ik dat we in deze tijden wel wat goddelijks kunnen gebruiken, op dit ogenblik waarop honderdduizenden aan de poorten van Europa rammelen en er geen kapitein in de hemel is om een richting aan te geven – ofwel is hij te bedonderd om zich ermee te bemoeien.

Toen ik een jaar of twaalf was, leidde ik een dromerig leven. Ik had weinig contact met anderen, meer met de natuur, met de lucht en het licht. Vaak stond ik aan de rivier en staarde ik naar de overkant, urenlang. Dat gaf me meer dan eender welk gesprek. Ik had nog het idee dat de zuivere liefde bestond, wat even later eveneens een misvatting bleek te zijn. Ik leefde nog in de overtuiging dat boer worden het enige mogelijke pad voor mij zou zijn. Godzijdank begon zich in mijn achterhoofd een nieuw beeld vast te kleven, de langzaam groeiende overtuiging: er komt een moment dat ik eraan ontsnap, aan deze beklemming, er komt een moment waarop ik mijn armen kan uitspreiden. Daar komt mijn energie vandaan. Ik bevrijd me voortdurend. In de kunst gaat het erom je voortdurend van remmingen te bevrijden. Ik ben benieuwd te zien hoe jongere generaties kunstenaars en toeschouwers zich bevrijden van de clichés en de beklemmingen waarmee zij te maken krijgen.

Clichés te lijf gaan in plaats van ze te bedienen, dat is je taak als je het theater wil vernieuwen. Ik heb ervan genoten te zien hoe Susanne Kennedy in München een heel eigenzinnige taal heeft ontwikkeld. De treiterige consequentie van haar gedachtes heeft vormgegeven. Haar radicale beelden op ons heeft losgelaten van een samenleving die op zijn einde loopt. Meg Stuart – die een generatie ouder is dan Kennedy – doet op haar manier hetzelfde. Bij elke creatie vindt zij zichzelf opnieuw uit, geen enkele voorstelling lijkt op de vorige, maar samen vormen ze een repertoire waarin je haar ontwikkeling als eindeloos zoekende kunstenares kan volgen. Ze is niet bang voor toeschouwers die weglopen en schelden (integendeel), maar streeft naar voorstellingen die ze zelf goed vindt – en we merken dat een groot publiek daarop zit te wachten.

Een van de mooiste beelden in het theater dat ik de laatste jaren zag, was in de voorstelling Much Dance van een generatiegenoot van me, Jan Decorte, die samen met Jan Joris Lamers in mijn ogen het theater in Vlaanderen en Nederland heeft vernieuwd en bepaald. In Much Dance wordt zijn lichaam door zijn vrouw, actrice Sigrid Vinks, over de bühne gesleept. Het lijkt alsof hij op weg is naar de dood. Een oerbeeld. Jan staat dichter bij zijn dood dan bij zijn geboorte – net zoals ik. Hoewel dat niets hoeft te betekenen. Decorte vertelde me gisteren nog dat hij al gedichten schreef over de dood toen hij veertien was. En het is geen toeval dat hij met een jonge acteur als Benny Claessens samenwerkt. Decorte en Claessens maken elkaar beter, over de generaties heen.

En ik ben blij dat Pierre Bokma langzaam ouder wordt, zodat hij op een dag King Lear kan spelen!

Tot slot heb ik onlangs een nieuw inzicht gewonnen: wat radicaliteit behoeft, is muziektheater en vooral opera. De opvoeringspraktijk is naar mijn idee veel te braaf geworden. Hoewel opera over een enorm revolutionair arsenaal beschikt. Omgeven door mijn (jonge) dramaturgen heb ik tijdens de repetities aan Das Rheingold bij de Ruhrtriennale ontdekt dat Wagner in 1848 een revolutionair was, een tijdgenoot van Marx en bevriend met Bakunin. Maar wat betekent de revolutionaire kracht van Das Rheingold vandaag? Hoe maak je in een opera een opstandig gevoel kenbaar in een tijd waarin de verdeling tussen arm en rijk steeds extremer wordt en blijft worden? Misschien heb jij daar als muziekkenner een mening over. Ik hoor het graag!

Vele groeten,
Johan Simons