In haar boek Urban is anders, toch?, verschenen ter gelegenheid van een gelijknamige conferentie op 27 oktober in Tilburg, kijkt Janny Donker terug op de afgelopen jaren waarin zij onderzoek deed in de urban dans-scene. In 2002 maakte Donker, eerder hoofdredacteur van danstijdschrift Notes en directeur van Theater Löss in Maastricht, kennis met een aantal jonge hiphoppers en verlegde zij haar aandacht gaandeweg naar hiphopprojecten. Naast haar betrokkenheid bij de scene, vooral in het Zuiden, verbreedde en verdiepte zij haar blik gaandeweg als onderzoeker van het landelijke veld in opdracht van verschillende steden en opdrachtgevers.

In ruim veertig pagina’s schetst Donker in Urban is anders, toch? kort het krachtenveld van hoge en lage cultuur waarin hiphop vijftien jaar geleden in Nederland opkwam. Ook legt zij nog eens helder uit waar hiphop voor staat, want dat bleek in de begindagen zowel voor beleidsmakers als het kunstenveld broodnodig te zijn. ‘Hiphop is het product van een community met eigen leefregels, een gemeenschap die met zichzelf communiceert door middel van dans, rap, muziek en graffiti,’ schrijft Donker. Het is een ‘way of life’ van een wereldwijde beweging met het credo ‘Peace, Love, Unity and having Fun’, bestaande uit allerlei lokale scenes. Kleurenblind noemt Donker de hiphoppers die volgens haar het leven met onderlinge verschillen al lang hebben opgelost. Het is een bevinding die in deze tijd om meer uitleg schreeuwt.

Hiphop bestaat bij de gratie van competities en heeft geen autonoom artistiek doel zoals andere podiumkunsten, waardoor het aanvankelijk op het snijvlak van sport en kunst werd geplaatst. Dat er naast de battles ook plek is voor ontwikkeling, zoals in de cyphers waarbij de gedeelde ervaring voorop staat, is voor het grote publiek misschien minder bekend. De kern van urban dans is volgens Donker de pure makersenergie die de overtuigingskracht bepaalt van het verhaal dat je vertelt, terwijl performer en toeschouwer dat moment delen.

Inmiddels heeft hiphop langzaam maar zeker een plek op de opleidingen verworven en wordt in Tilburg gewerkt aan een leerplan waarin de foundation van basistechnieken, bewegingsvormen en inzicht in de mogelijkheden van het lichaam worden beschreven, zodat de urban danser of dansmaker naar een eigen lichaamstaal kan toewerken. Welke middelen het theater daaraan kan toevoegen, zoals ruimte, tijd en de relatie tot het publiek; welke betekenis die elementen kunnen hebben en welke vragen worden opgeworpen in het creatieproces is een ander aspect dat in het boek wordt beschreven. Donker stelt dat nadenken over theater ontwikkeld uit hiphop-roots niet per se uitkomt bij gedanste voorstellingen en ze maakt onderscheid tussen vanuit het hoofd of vanuit het lichaam denken, een onderscheid waarvan je je kunt afvragen in hoeverre dat momenteel nog van toepassing is op jonge dansmakers. Donker lijkt in haar boek voor het eerste te kiezen maar wijst op een wezenlijk verschil: de urban danser speelt geen rol maar brengt zijn of haar individuele persoonlijkheid op het toneel. Jammer is dat hier niet verder op wordt ingegaan; vanuit de dans zijn voldoende aanknopingspunten te vinden om een verbinding te leggen tussen urban dans en het circuit dat Donker als ‘regulier’ benoemt, van de focus op techniek en virtuositeit in het ballet tot de persoonlijk invulling van performance.

Hoewel Donker een aantal projecten aanstipt in het boek is er weinig ruimte om de rijkdom aan ontwikkelingen van urban makers en samenwerkingen die er intussen ook zijn wat meer over het voetlicht te brengen. Zo zou het ook interessant zijn geweest om te horen hoe de urban dansmakers het podium zelf ervaren.

Donker concludeert: ‘Urban betoont zich “anders” ook als het op de planken staat.’ Dat komt doordat het bestaansrecht van hiphop onafhankelijk is van het reguliere theater, en leidt er volgens haar toe dat hiphop zichzelf kan blijven in het theater.

Het boek Urban is anders, toch? is een interessante verkenning. Maar de indruk die na het lezen achterblijft, is dat de geschetste moeizame start die urban dans in relatie tot het gevestigde theater- en dansveld heeft gehad inmiddels flink is ingelopen en dat een verdere verdieping van cross-overs aandacht behoeft. Want urban heeft een stevige voet aan de grond en kiest waartoe het zich verhoudt. Tot welke ontwikkelingen dat in de toekomst verder zal leiden blijft gissen, maar dat er nog een flink te ontginnen potentieel is staat vast.

 

Dossiers

Theatermaker december 2016