Er lijkt ruimte te komen voor een nieuwe instelling voor erfgoed, reflectie, onderzoek en kennis over en voor de podiumkunsten. Hoe zou zo’n instelling er idealiter uit komen te zien? Theatermaker vroeg vier kunstenaars hun visie. Deel vier: Bo Tarenskeen

‘Het gesprek dat we zijn’ – ik weet niet meer in welk gedicht Hölderlin dit schreef en ik kan het ook niet op internet terugvinden, voor wat dat betreft was een soort poëtisch instituut, een PIN, fijn geweest, maar die frase, die elliptische zin, bevat los van welke oorspronkelijke context dan ook, ondanks of misschien wel dankzij zijn onvolledig zijn, zoveel waarheid. Wij zijn het gesprek. Wij zijn het gesprek dat wij voeren over wie we zijn, waar we vandaan komen en waar we naar toe willen. In ons gesprek over theater toont zich wat we belangrijk vinden, wat we willen zien en hoe we daarnaar kijken.

De mens zelf is een gesprek, lezen we al bij Plato. Of beter gezegd een strijd, een krachtmeting tussen rede, lagere driften en hogere idealen. Alle drie onderdeel van één en dezelfde ziel. Freud, de arts, had het over het eeuwige conflict tussen ons libido, ons geweten en ons ego. Rorty, de pragmaticus, stelde voor om die strijd te zien als een discussie, als een dialoog, een gesprek. En hoe dat gesprek verloopt bepaalt hoe je bent als mens. Ieder individu is het resultaat van het voortdurende heen en weer tussen zijn onderbewustzijn, driften, bewustzijn, geweten, verlangens, angsten en hogere idealen.

Ook de cultuur waarin we leven kun je opvatten als een gesprek, waarin al sprekende wordt bepaald en aangepast en uitgesproken en weersproken wat we van belang vinden. De democratie zelf, de manier waarop we bestuurd worden, is gesublimeerde ruzie, oftewel een gesprek. Dat geldt ook voor onze omgang met ons erfgoed, de geschiedenis. Die bestaat nooit op zichzelf. Geschiedenis is geen verzameling feiten over het verleden, maar het verhaal dat wij elkaar over het verleden vertellen, teneinde onszelf en de wereld te begrijpen. Geschiedenis is de uitwisseling van verhalen en de discussie over die verhalen. Geschiedenis is een gesprek.

Het gaat erom hoe dat gesprek gevoerd wordt, wat de ideale randvoorwaarden zijn. Het ideale gesprek verloopt met een volle maag, heeft goede wijn nodig, goede koffie, goede akoestiek. Het ideale theaterinstituut is een vanitas schilderij: eten, drank, muziek, alles wat vervliegt, vergaat, verdwijnt, net als het theater zelf. Het ideale instituut bestaat in de wijn die geschonken wordt tijdens de Republiek in de Balie, in de maaltijden van Phi Nguyen tijdens de Veenproeven, in de grote, gezamenlijke keuken van de Toneelschuur, in de bitterballen van de Goudse Schouwburg. Het ideale theaterinstituut bestaat in de theatercafés die besluiten pas dicht te gaan als mensen te dronken zijn om nog van mening te verschillen.

Het ideale theaterinstituut bestaat in onze gesprekken over wat spelen is, wat de grenzen zijn van een spel, een voorstelling en het theater, wat het verschil is tussen toeschouwer en speler, wat een goede toneelspeler is, wat het verschil is tussen smaak en stijl, tussen een kritiek en een recensie, tussen een mening en een oordeel, wat diversiteit betekent, wat artistieke verantwoordelijkheid betekent, en of zoiets überhaupt bestaat, wat de onzin en noodzaak is van morele theaterkritiek, wat theater tot een ‘sector’ maakt, wat scenografie is, wat een goede schouwburg is, of een goede theatertekst een zelfstandig kunstwerk is, wat dat überhaupt is, een goede theatertekst, en of er een verschil is tussen schrijven voor de grote zaal en voor de kleine zaal, en zo ja waar dat verschil dan precies in bestaat, welk repertoire er nu nog ontbreekt, welke verhalen we nu nog missen in de theaters, welk publiek we nu nog missen in de theaters, welke theatermakers we nu nog missen in de theaters, welke gesprekken we nu nog missen en welke vragen er absoluut nog gesteld moeten worden om onszelf te blijven ontwikkelen.