Dit najaar verschijnt Ik, Vondel, de ‘autobiografie’ van ‘de Nederlandse Shakespeare’, geschreven door Hans Croiset. Theatermaker brengt u als voorpublicatie hoofdstuk 6, waarin Vondel zich bereid verklaart om bij de vrouw van een van de burgemeesters een goed woordje te doen voor zijn kleinzoon en op een duwslee wordt vervoerd naar een statig grachtenhuis.

Door Hans Croiset

Het sneeuwt al dagen. De afspraak met de vrouw van de burgemeester komt steeds dichterbij. Hoe kom ik daar? Het liefst op een duwslee met een zitbankje – Aeltje weet er wel een te vinden. Maar hoe krijgen ze mij in vredesnaam de trap af? De smalle treden kraken al vervaarlijk onder de lichte voeten van Aeltje.

Misschien moet ik op de bovenste tree gaan zitten en me dan tree voor tree naar beneden laten zakken. Al tijden ben ik mijn huis niet uit geweest, onder dikke dekens weggestopt in mijn bedstee of op mijn stoel, de ramen stevig dicht.

Aeltje ruikt de stank niet meer; mijn afschuw vindt ze overdreven, dat voel ik, vooral wanneer ze ’s nachts haar bed uit moet om het emmertje azijn te laten gloeien voor wat schone lucht. En om te kijken of de haard nog aan is. Al brandt die dag en nacht, zomer en winter, de kou blijft heer en meester over mijn gestel en stijve ledematen.

Aeltje heeft beloofd dat ze een brandende stoof onder mijn voeten zal zetten. Zij heeft mij ertoe aangezet mevrouw Van Outshoorn te benaderen; of zij bij haar man misschien een goed woordje kan doen voor mijn werkeloze kleinzoon. Om hem een stapje hoger in zijn schoenlappersgilde te gunnen. Een tijdje geleden zijn ze getrouwd, Aeltje en Joost. Ik had niet anders verwacht. Voor het eerst heb ik geen gelegenheidsgedicht geschreven bij het huwelijk van een van mijn familieleden. Ik zal eraan moeten wennen dat Joost nu minder mijn kleinzoon is, en meer de man van Aeltje.

Het minste dat ik voor ze kan doen is een goed woordje. Maar ik vraag me af of het zal helpen, een smeekbede van een oude dichter.

‘Wees liever dankbaar dat u uw jaarwedde mag houden, na uw ontslag bij de bank.’ Ik hoor het mevrouw Van Outshoorn al zeggen. ‘U leeft er met zijn drieën ruimschoots van, en nu wéér komen bedelen.’

Het is niet eens zeker of ze ons binnenlaten; het is een afspraak tussen dienstmeisjes, meer niet. Nicht Agnes raadde het me af om te gaan, maar begreep ook dat ik het voor mijn hulpvaardige Aeltje over had. Ze stopte me een door haarzelf opgekweekte, enigszins zuur geurende vrucht, een citroen in handen, als presentje voor de burgemeestersvrouw. Ik had er eigenlijk twee nodig; als we bot vangen, moeten we door naar de andere burgemeester, Hendrik Hooft. Het liefst was ik eerst langs hem gegaan – ik ken hem nog van vroeger –, maar Van Outshoorn is dichterbij.

De trap afdalen ging voorspoediger dan ik had gedacht. Maar toen ik buiten kwam benam de kou me de adem; de meegenomen stoof op het sleetje gaf nauwelijks warmte. Ik voelde me een voortsuizende sneeuwpop, een opgezette bedelmonnik. Sneeuw viel niet met vlokken, maar met plakken.

Op de duwslee lopen de gedachten als smeltwater van me weg. De slee verandert in het schip van mijn zoon, verdronken op zee. Hoorde Joost de golven klotsen? Ik had bij je moeten zijn, Joost, met je mee moeten gaan, maar ik ben niet eens op de kade geweest om afscheid te nemen. Om niet te hoeven zien hoe hij onder begeleiding van het Gezag aan boord werd afgeleverd. Twee jaar later kwam een kapitein mij over zijn dood vertellen.

‘Hij was een keurige vent,’ zei hij. ‘We hebben veel over u gepraat. Op kerstavond droeg hij uw gedicht over de kerstnacht voor – ik kende het niet.

O Kerstnacht, schoner dan de dagen,

hoe kan Herodes ’t licht verdragen

dat in uw duisternisse blinkt

en wordt gevierd en aangebeden?’

De kapitein schoof me een papier toe waarop mijn zoon de regels voor hem had opgeschreven. ‘De volgende dag was hij dood,’ ging hij verder. ‘Niemand had zelfs maar vermoed dat hem iets mankeerde. Hij kreeg hoge koorts, spartelde, het schuim stond hem om de mond. Voor we hem beet konden pakken, viel hij stil. Juist toen we hem zijn zeemansgraf wilden geven stak er een storm op. Toen uw zoon in een diepe draaikolk was verdwenen, trokken de winden zich terug en was de zee weer even stil als tevoren. Ik heb verdriet om hem gehad.’

De kapitein is niet teruggekeerd van zijn volgende reis: op de retourtocht is hij over boord geslagen, de arme man. Ik had hem zo graag keer op keer het verhaal laten herhalen. Zelfs na twintig jaar blijft het verslag van de kapitein rondspoken in mijn hoofd alsof hij het me pas gisteren is komen vertellen.

Alles om mij heen brokkelt af, maar Joost blijft aanwezig. Wat ik gisteren heb gedaan of heb gegeten weet ik nu al niet meer, maar dat Joost in zijn jeugd een vlijtige leerling was, dat hij zijn moeder trouw bijstond, dat hij onze klanten opgewekt met meer artikelen de winkel liet verlaten dan ze bij het binnenkomen van plan waren geweest, het staat me nog helder voor de geest. En nu verspreidt hij mijn gedicht over de kerstnacht in het dodenrijk.

*

Mevrouw Van Outshoorn bleek inderdaad niet op de hoogte van onze komst. Ternauwernood kon ik mijn verhaal doen, het kwam niet aan, er zat te veel ruimte tussen mijn woorden. Aarzelend een goed woordje voor iemand doen maakt nooit veel indruk. Niets ergerlijker dan een hakkelende oude man.

‘Ik kan u niets beloven,’ zei ze, met haar hoofd bij andere zaken. De dienstmeisjes blafte ze in mijn bijzijn af; ze hadden me niet binnen mogen laten, begreep ik.

Geen plek voor de nacht. Oidipous met zijn dochter op weg naar Kolonnos.

Toen we weer buiten stonden, ik met mijn citroen nog stevig in mijn hand, bleek de duwslee weg. Eerst dachten we dat we hem niet konden vinden door de dichte sneeuw, die ook de nieuwe straatlantaarns had uitgedoofd, maar toen we de stoof moederziel alleen midden op straat zagen staan, was het duidelijk dat er dieven aan het werk waren geweest en dat ik achter Aeltje met haar lantaarn op de tast verder moest. De stoof brandde rustig verder, een mistig nachtlicht in een eilandje smeltwater. Het leek alsof de ontelbare witte pluimvlokken aangetrokken werden door dat kleine lichtje, ze wedijverden onderling wie er het langst in de lucht boven de stoof kon blijven hangen. Ze hadden weinig kans, voortdurend werden ze door een nieuwe lading naar de grond gedrukt.

Burgermeester Hendrik Hooft was om deze tijd onbereikbaar. Aeltje was in tranen, alles wat ze had ondernomen was mislukt. Ze pakte de stoof op en drukte die tegen mijn buik, maar verder dan mijn borstrok kwam de warmte niet.

‘Ik kan geen hand voor ogen zien, dadelijk vallen we nog in de gracht.’

‘De gracht is dichtgevroren, Aeltje. Een valpartij overleven we wel.’

‘Er is hier vlakbij een broodbakker, daar doen ze vast en zeker open. Gaat u hier met de stoof op de trap zitten, dan ga ik kijken.’

In de wirwar van vallende vlokken zag ik mezelf als sneeuw door de ruimte waaien, aarzelend waar neer te komen, waar te smelten.

Aeltje leidde me naar de trap en had mijn hand nog vast toen twee grote ogen geluidloos op ons af schoven. Fluwelen hoeven in de sneeuw, wapperende pluimen, dampende paardenadem. Daarboven een koetsier, en achter hem een zwartgelakte koets, een rouwkaros op ranke hoge wielen, een koets voor dode koningen. Het gevaarte kwam tot stilstand, burgervader Van Outshoorn viel waggelende uit een portier en werd door een palfrenier de trap op naar de voordeur gehesen.

‘Hé, Vondel, wat doe je hier, in deze nacht vol onheil? Mannen, breng hem naar zijn huis.’

Een dienstmeisje trok de burgervader naar binnen. Toen klonken er doffe bevelen. Twee palfreniers sprongen tevoorschijn, de ene pakte mij behoedzaam bij de arm, de ander opende het portier, een geheimzinnig trapje schoof vanonder de koets tevoorschijn en ik werd het rijtuig in gehesen. Aeltje volgde. De koets stonk als een kroeg na sluitingstijd – daar kon mijn citroen niet tegenop. Het mechaniek van het uitschuifbare trapje bleef me fascineren. Toen ik stevig in de kussens zat, commandeerde Aeltje de palfrenier alsof ze een rijke koopmansvrouw was. Het portier sloot, een zweep knalde. Reden we?

Aeltje pakte mijn handen en wreef ze warm. ‘Een wonder, een wonder,’ prevelde ze.

‘Nee, kind, een wonder is geen wonder. Alles moet zo zijn.’

Er werd een luikje opengemaakt. ‘Waar gaat de reis naartoe?’

‘’t Singel, ter hoogte van het Warmoesgrachtje.’

‘Daar zijn we al. Bent u niet die dichter van het Stadhuis?’

‘Ja, dat is hij!’ antwoordde Aeltje.

‘Ik heb hem weleens bij Hooft gezien.’

De karos kwam tot stilstand. Het portier werd opengehouden, het trapje schoof weer naar voren en wij werden naar buiten geholpen. Bij het uitstappen drukte ik de citroen in de handen van de palfrenier.

‘Een wonder,’ bleef Aaltje zeggen, ‘een wonder!’