De veranderde arbeidsomstandigheden in de cultuursector grijpen diep in op het personeelsbeleid van podia en gezelschappen en op de bestaanszekerheid van werkenden in de podiumkunsten. Naar aanleiding van de uitholling in de theatersector stellen we in deze nieuwe serie de vraag centraal: wat doet de materiële schaarste in de kunsten met de manier waarop mensen voor en achter de schermen zich ontwikkelen? En welke andersoortige biografieën van de Nederlandse podiumkunstenaar levert dat op?

Dan maar kruipen

Ilmer Rozendaal is regisseur en coach. Ze studeerde af aan de Toneelschool Maastricht en werkt(e) onder meer voor Theaterproductiehuis Zeelandia, Oerol, Het Amsterdamse Bostheater en het Noord Nederlands Toneel.

Over ambities:

‘Ik wilde altijd meer regisseren, elke mogelijkheid greep ik aan. De vrije blokken op de Toneelschool in Maastricht waren heel belangrijk, want dan kon ik weer een voorstelling maken. Ik dacht tijdens de opleiding vooral: als ik in godsnaam maar kan maken. Ik wil alles doen, als ik maar kan maken.

Na mijn afstuderen heb ik voornamelijk tekstvoorstellingen op locatie gemaakt, groot en met alles erop en eraan. In oktober 2015 heb ik Een Zomerdag afgerond, mijn laatste grote voorstelling. Daarvan dacht ik: ik had echt alle mogelijkheden om precies te doen wat ik wilde en daardoor werd precies duidelijk waar ik nog ontevreden over was. Ze werd goed ontvangen en ik houd echt van die voorstelling. Maar wat ik miste, zat niet eens zozeer in het resultaat, als wel in het werkproces. De speelstijl was bijna goed én het moet fundamenteel anders.

Ik was rond die tijd als nieuwe maker in dienst bij Zeelandia, ik was zzp’er en had mijn eigen stichting. De nieuwe kunstenplanperiode kwam eraan. Dus ik voerde gesprekken met Peergroup en Zeelandia en Oerol. Ik wilde met het RO Theater gaan samenwerken, maar uiteindelijk wilden ze het met een regisseur uit hun eigen poule doen. Ik had een aanvraag voor de nieuwemakersregeling van het Fonds Podiumkunsten ingediend en die was net onder de zaaglijn uitgekomen. En toen ineens hield alles op. Ik kwam op een nulpunt.

Het was een crisis op verschillende vlakken. Ik was fysiek uitgeput en het was mentaal een klap. Dat je weet: ik ga in ieder geval niet mijn geld met regisseren verdienen. Ik wilde niet in de valkuil trappen om in iets te geloven wat er niet was. Ik begon me op de arbeidsmarkt te oriënteren: wat wordt mijn nieuwe pad? Ik dacht: als ik nu een streep door deze carrière kan zetten, dan is dat prettig. Want dan kan ik me gewoon op iets anders richten.

Alleen… dat was zo’n pijnlijke gedachte. Ik heb helemaal in mezelf gevoeld hoe het is om ermee te stoppen en ik kon het niet. Ik dacht: als ik zo graag theater wil maken, als ik dat zelfs in deze situatie wil, met helemaal niks, dan kan ik het niet loslaten. Ik stelde me voor dat ik in een soort woestijn stond en toch bleef zoeken, ook al zag ik helemaal niks. Ik ben blijven lopen, terwijl ik ook gewoon had kunnen gaan liggen. Dat was makkelijker geweest.

Ik realiseerde me ook dat ik niet meer alles kon geven. Het lukt me niet meer om te rennen, ik ga gewoon kruipen of zo. Nee zeggen om ja te kunnen blijven zeggen. 

Ik had ondertussen nog steeds die wens om de relatie tussen speelstijl en werkwijze te onderzoeken. Ik was bezig met circling, een methode om te mediteren in relatie met anderen. Dat wilde ik combineren met theater. Op zoek naar opties kwam ik een onderzoekssubsidie van het Amsterdams Fonds voor de Kunst tegen. En ik kreeg de kans om een project te gaan doen in het Boslab van het Amsterdamse Bostheater. Dat sloot eigenlijk een-op-een aan. Dus dat werd het plan, mijn enige plan.

Ik ben heel tevreden over het onderzoek. Regisseurs creëren contexten rondom twijfel, het is helemaal niet zo dat ze het weten; sterker nog, ze weten het heel vaak niet. Ze nemen mensen mee in hun proces en geven hun het vertrouwen dat het wat wordt. In het onderzoek lukte dat voor het eerst echt met het team.

Wat er allemaal gebeurd is, is niet wat ik voor ogen had. Dit zeggen mensen wel vaker hè, maar voor mij geldt dat dus ook: het bracht me toch waar ik moest zijn. De schaarste zorgde ervoor dat ik tot de kern kwam, en dat was heel minimaal, maar ook heel zuiver.’

Over voorbeelden:

‘Ik heb geen echte voorbeelden. Behalve Jon Fosse, wiens stuk Een Zomerdag ik heb gemaakt. En misschien Olivier Provily. Ik herken dat minimalisme van hem. En ook dat hij gebroken is, dat hij gestopt is met regisseren. Daar heeft mijn besluit om te gaan kruipen mee te maken. Je kunt je laten breken, maar dat is zo zonde. Dat hij gestopt is, is echt een voorbeeld voor mij geweest in de zin van hoe pijnlijk dat is. En dat ik dat niet wil.’

Over nu en straks:

‘Ik heb de afgelopen maanden drie banen gehad: twee die niks met theater te maken hebben, om in mijn onderhoud te voorzien, en mijn onderzoek. Dat was heel zwaar. Ik denk enerzijds: moet ik niet een baan wat dichter bij het theater gaan doen? Maar anderzijds wil ik dat ook niet, wil ik het juist gescheiden houden.

Ik heb een plan om een voorstelling te maken in 2019 tijdens het Nazomerfestival en mogelijk ook één voor Oerol. Ik heb natuurlijk mijn eigen stichting, dus daar kan ik wel aanvragen mee doen. Maar dan ben ik maker én producent en dat wil ik niet meer. Met een partner erbij wil ik wel producent worden. Maar ik wil niet meer zelf de kar trekken.

Ik wil aan theateropleidingen les gaan geven in circling. Ik ben voorzichtig, en ik ben open. En ik organiseer mijn leven nog steeds rondom theater.’

Mijn artistiek geweten

Martijn Nieuwerf (1966) is acteur. Hij werd opgeleid aan de Toneelschool Amsterdam, maakt deel uit van ’t Barre Land en speelt in tv-series als A’dam-E.v.a. en Flikken Maastricht, en vanaf oktober in de nieuwe voorstelling van De Warme Winkel, Majakowski/Oktober. In 2014 ontving hij de Arlecchino voor zijn rol als Cherea in Caligula van De Utrechtse Spelen.

Over het hier en nu:

‘Op het moment werk ik met De Warme Winkel aan Majakovski/Oktober. Ik vind het fijn om weer aan het maken te zijn. De Warme Winkel en ’t Barre Land delen hetzelfde DNA. Iedereen gaat zijn eigen gang, we zijn onbezonnen aan het zoeken. Wat wel anders is: we gaan meteen de vloer op, we beginnen niet aan tafel zoals bij ’t Barre Land.’

Over ’t Barre Land:

‘We zijn als Barre Land nooit als collectief gestart. Dat vind ik een verschil met de huidige generatie, die zijn daar veel bewuster mee bezig. We kenden elkaar van Theaterwetenschap in Utrecht, iedereen was daar bezig met dingen maken, filmpjes en voorstellingen. Jacob Derwig en ik besloten naar de toneelschool te gaan, Jacob naar Arnhem en ik naar Amsterdam. Dat leek het einde van de samenwerking.

Maar toen werden we gevraagd om een stuk nog een keer te spelen, op Festival a/d Werf in Utrecht. Dus zo rolden we verder. In 1997 zei ons bestuur: jullie moeten een plan maken voor een structurele subsidie. Dat was de eerste keer dat we onszelf een collectief noemden.

’t Barre Land was zo goed voor me omdat ik leerde voor alles medeverantwoordelijk te zijn, in inhoud, vorm en werkwijze. Zonder me achter een regisseur of gezelschap te verschuilen. Verder had ik geen plan, niemand geloof ik. Iedereen had wel zijn eigen, heel verschillende verlangens. Op het gebied van repertoire, de werkplekken, onze zichtbaarheid, speelstijl. Het is bijzonder om dat te blijven samenbrengen en elkaar artistiek te versterken. En we creëerden steeds weer opnieuw gelegenheden om het op onze manier te doen. Het voelde alsof het vanzelf ging.

Bij elke aanvraag stelden we onszelf wel de vraag: willen we dit nog? En ik heb tussendoor altijd in films en tv-series gespeeld. Maar ik heb nooit echt getwijfeld over ’t Barre Land. Het was voor mij de allerbeste werkplek.’

Over opnieuw beginnen:

‘We bestaan nog steeds. Dat we vier jaar geleden geen subsidie meer kregen, was wel een grote breuk. Het was enorm verdrietig. Maar we waren niet in paniek. We moesten het laten bezinken. Wat zijn we eigenlijk? Wat is onze mentaliteit? Díe moeten we bewaren, niet per se het gezelschap. Het was misschien wel het afscheid van die enorme loyaliteit die ik had.

Het moest bij mij op gang komen. Ik heb me echt een halfjaar moeten oriënteren. Ik maakte me zorgen over hoe ik verder zou gaan. Of ik zou kunnen werken. Maar gaandeweg ontdekte ik: ik ben een spéler. Ik merkte dat er meer was, dat wat ik deed weerklank vond bij andere makers. Die Arlecchino voor mijn rol in Caligula voelde als een bevestiging daarvan. Maar ook dat ik gevraagd werd voor Flikken.

Ik besloot ook dat ik meer tijd en aandacht wilde vrijmaken voor film en televisie. Ik deed voor die tijd wel screentests maar dan had ik geen bekende kop, dus ging er veel aan me voorbij. Dat wilde ik veranderen, maar dat is geloof ik niet echt gelukt.

Ik speel nu voor het vierde seizoen in Flikken Maastricht. Mijn personage verdween na een seizoen doorzeefd in een ravijn, maar ze waren zo aan hem gehecht geraakt dat ik gewoon weer terugkeerde. Van het moordende draaischema bij Flikken heb ik veel geleerd, over camera-acteren, over voorbereiden.

Ik heb twee langere producties in het DeLaMar Theater gedaan. Dat was vroeger ondenkbaar, maar ik heb het altijd belangrijk gevonden dat soort dingen te doen. Dat ijzerenheinige avond-aan-avond spelen. Het was goed, leerzaam en heel erg leuk. Ik heb veel beter comedy leren spelen. En wat ook prettig was: ik kon gewoon op mijn fiets naar mijn werk elke avond.

Bij Oostpool heb ik veel beter geleerd hoe je met inhoud de grote zaal bespeelt. Mijn vertrouwde hardop-denken-stijl voldeed niet meer. Ik moest echt aan de bak.’

Over toen en nu:

‘Bij ’t Barre Land heb ik mijn relatie met taal ontdekt. De manier van werken, grondig, vanuit de woorden, heb ik meegenomen in al mijn werk. En dat we samen onze plek beheerden was goed en beïnvloedt me tot op de dag van vandaag. Ik kan geen speel- of werkruimte binnenkomen zonder hem naar mijn hand te willen zetten. ’t Barre Land blijft mijn artistieke geweten.

Als je deel uitmaakt van een gezelschap, dan bepaal je het allemaal zelf. Dat is nu echt anders: ik ben meer reactief. Maar het is ook interessant, en soms eng, om daarin eigen keuzes te maken. Hoewel ik veel word gevraagd, voelt het niet alsof ik op mijn lauweren kan rusten, het is niet vanzelfsprekend. Ik ben heel blij als iemand met mij wil werken.’