Nadat lang onzeker bleef of het Internationaal Theaterschool Festival dit jaar wel door zou gaan werd eind maart bekend gemaakt dat er van 21 tot en met 25 juni toch een nieuwe editie zou plaatsvinden, met een iets kleinere opzet. De nieuwe artistiek directeur Marcus Azzini bouwt na een woelige periode het festival van de grond af op. Maar hoe heeft de relatie tussen de theaterscholen en hun eigen festival ooit zo verstoord kunnen raken?

Op 21 oktober 2016 verscheen er een nieuwsbericht op Theaterkrant.nl, waarin te lezen was dat de artistieke directie en het voltallige bestuur van het ITS Festival met onmiddellijke ingang hun taken zouden neerleggen. De directe aanleiding was dat de structurele subsidieaanvragen bij het Fonds Podiumkunsten en de gemeente Amsterdam waren afgewezen. Directie en bestuur namen hiervoor hun gezamenlijke verantwoordelijkheid. Achter de schermen was er echter meer aan de hand. Deze stap betekende het dramatische einde van een periode waarin het festival veelvuldig onder vuur had gelegen. Hoe was het zo ver gekomen?

Het ITS Festival ontstond in 1990 als initiatief van de Amsterdamse Theaterschool en werd pas in 2003 een onafhankelijk festival met een eigen organisatie, omdat het festival de belangen van alle kunstvakopleidingen gelijkwaardig moest representeren. Vlak voordat Theu Boermans in 2005 aantrad als artistiek directeur was er een groot conflict tussen de scholen en het festival over de selectie van voorstellingen, die door het personeel van ITS tot stand kwam zonder duidelijke criteria. Studenten die graag op het festival wilden staan lobbyden zelf voor hun eigen voorstelling en passeerden daarmee hun studieleiders, die daardoor hun grip op de studenten verloren. De scholen hadden de subsidiegevers van het festival een brief gestuurd waarin ze aankondigden niet langer met het ITS te willen meewerken, waarna de subsidie inderdaad werd stopgezet. Boermans werd als artistiek directeur aangenomen om het festival nieuw leven in te blazen.

Hij maakte een nieuwe opzet voor het festival. Voortaan mochten alleen HBO-opleidingen meedoen, en in ruil voor afname van toegangskaarten voor de studenten kregen de scholen gegarandeerde presentatieplekken op het festival, die ze zelf mochten invullen. Daarnaast zou ook de randprogrammering van het festival – bestaande uit nagesprekken, lezingen, workshops, et cetera – door de studenten zelf worden ingevuld, waarbij ieder van de vier grote opleidingen (Amsterdam, Arnhem, Maastricht en Utrecht) een eigen rol kreeg toebedeeld.

Toen het festival op deze manier in rustiger vaarwater was gebracht, richtte de artistieke leiding (naast Boermans inmiddels ook Tim Persent, die voor de dans verantwoordelijk was) zich voor de volgende kunstenplanperiode op een uitbreiding van de internationale tak van het festival. Hieraan lag de overtuiging ten grondslag dat internationale perspectieven en contacten een verrijking zouden vormen voor de afstudeerders. Al jaren waren er uitwisselingen van voorstellingen met andere afstudeerfestivals in het buitenland, en nu werden alle Nederlandse scholen uitgenodigd om een samenwerking met een buitenlandse school aan te gaan. ITS slaagde erin om dit te co-financieren met behulp van Europese subsidies. In latere jaren leidde dit tot een uitgebreider internationaal programma, waarbinnen een deel van de getoonde voorstellingen ook door het ITS zelf geselecteerd werden.

Minder geld

De periode tussen 2007 en 2014 verliep op deze manier relatief rustig. Er waren wel de gebruikelijke spanningen die voortkwamen uit het feit dat het festival tussen de scholen en het veld in stond; zo was er soms frictie over het feit dat Persent binnen zijn Choreo-Graphic Selection (overigens op verzoek van de dansopleidingen) zelf een selectie maakte, en kon het moeilijk zijn een balans te treffen tussen de noden van het festival, dat graag wilde dat studenten het hele festival lang aanwezig waren, en die van de scholen, die dat een te grote inbreuk op hun curricula achtten. Ook bleken de scholen geen continuïteit te kunnen waarborgen in de invulling van de randprogrammering, waardoor het festival zich gedwongen zag die zelf te organiseren. Daarbij kwam het feit dat het festival vanaf 2013 over minder geld kon beschikken omdat onder meer de subsidie van het Fonds Podiumkunsten wegviel, en er daarom met name voor de dans steeds minder ruimte kwam.

In die periode werden ook de directies van de theaterscholen ongeveer tegelijkertijd vernieuwd. In 2011 was Gaby Allard al toegetreden tot de directie van de Faculteit Theater en Dans van ArtEZ in Arnhem, Jan Zoet trad in 2013 aan als directeur van de Academie voor Theater en Dans van de AHK in Amsterdam en Ann Olaerts werd directeur van Toneelacademie Maastricht (zij zou in 2015 weer worden opgevolgd door Rob Ligthert). De directie van ITS voerde de gesprekken met de scholen vooral via de overlegstructuren van de opleidingen, het Netwerk Theater en het Netwerk Dans, waarbij alle directeuren en/of bestuurders aanwezig waren. In de nieuwe constellatie van het Theater- en Dansoverleg werd een gesprek opgestart over de toekomst van het festival, waarbij gezamenlijk de betrokkenheid bij het festival van scholen en met name de bijdrage van de studenten in de randprogrammering als een verbeterpunt werd gezien. Tevens werd aan de scholen vanwege de slinkende fondsen van het festival (en met name een gat tussen Europese subsidieperiodes) gevraagd om voor de komende edities een extra financiële bijdrage te leveren.

Schaduwploeg

In 2014 vierde ITS feest: de vijfentwintigste editie stond voor de deur. Als ‘relatiegeschenk’ en als middel om studenten en scholen meer bij het festival te betrekken, deden de scholen het ITS De Schaduwploeg cadeau. Deze groep werd op basis van een open call samengesteld vanuit de studentenpopulaties van de scholen en zou tijdens het festival van 2014 een programma doorlopen van ontmoetingen en gesprekken, om vervolgens een aantal aanbevelingen (of beter gezegd: denkrichtingen) voor het festival te formuleren.

De voornaamste wensen van de Schaduwploeg waren dat ITS zich minder op de ‘markt’ zou richten en meer op experiment, uitwisseling en ontmoeting. De studenten zagen in ITS een festival dat zich te zeer ten doel had gesteld om de afstudeerders aan (net)werk te helpen en zich nog te weinig bekommerde om de ontplooiing en accommodatie van nieuwe ideeën over kunst. De aanbevelingen richtten zich er onder meer op om een strengere selectie van deelnemende studenten te maken die vervolgens bij alle facetten van het festival zouden worden betrokken (‘iedereen betrokken, iedereen verantwoordelijk’), en om het gesprek over kunst centraal te stellen in plaats van het gesprek over ‘de winnaar van het festival’.

Een geplande evaluatie tussen ITS, Schaduwploeg en scholen om deze ideeën uit te diepen bleef in eerste instantie uit. Uiteindelijk kwam de samenwerking ter sprake op het overleg van het Netwerk Theater op 14 november 2014, waar alle partijen zich tevreden toonden over het initiatief en waar werd voorgesorteerd op de nodige beleidswijzigingen ten opzichte van onder andere de selectieprocedure van voorstellingen. De deelnemers aan de Schaduwploeg kregen ondertussen van de scholen de vraag voorgelegd of ze hun bestaan wilden voortzetten, en in welke vorm dan. In gesprek met Boermans en zakelijk directeur Jasminka Beganovic aan het eind van 2014 vatte de Schaduwploeg het plan op om het randprogramma tijdens de editie van 2015 te organiseren, als aanzet voor de grotere focus op ontmoeting die de ploeg had aanbevolen.

Deze samenwerking verliep echter moeizaam; er was weinig inhoudelijk contact tussen de leden van de ploeg en de directie van het ITS. De Schaduwploeg kwam tussen de scholen en het ITS in te staan en werd de facto naar voren geschoven om alle inhoudelijke conflicten op te lossen met haar interventie. Een onmogelijke opgave, te meer omdat de studenten weinig ervaring hadden met het organiseren van een randprogramma en de samenwerking tussen de Schaduwploeg, festival en scholen maar mondjesmaat op gang kwam. Het leverde ook spanningen op binnen de ploeg zelf; een lid stapte op omdat de idealen van de ploeg niet te combineren waren met een ingekapselde positie binnen het festival.

Olie op het vuur

Het werd steeds duidelijker dat, hoewel ze allemaal het belang van de afstudeerders voor ogen hadden, de scholen en ITS incompatibele visies hadden op het festival. Waar de scholen vanuit hun educatieve opdracht aandrongen op ruimte voor ontmoeting en betrokkenheid van studenten, zette het ITS vanuit zijn eigen opdracht in op een optimale profilering van de afstudeerders en voldoende ruimte voor uitwisseling met buitenlandse scholen. Eigenlijk staat het dilemma symbool voor de uitdagingen van de hele kunstensector: moeten instellingen en gezelschappen, geconfronteerd met grote bezuinigingen, naar succes streven binnen het bestaande systeem of moeten makers zelf de vrije hand krijgen om vorm te geven aan de veranderende relatie tussen kunstenaar en maatschappij?

De editie van 2015 gooide nog eens olie op het vuur. De jury’s van zowel de Ton Lutzprijs als de Krisztina de Châtel Award reikten de prijs niet uit vanwege een vermeend gebrek aan artistieke kwaliteit onder de afstuderende regisseurs en choreografen. Het leidde op de slotavond, die werd georganiseerd door de Schaduwploeg, tot heftige discussies met het publiek waar de beschuldigingen over en weer vlogen. Op een festival dat niet zo sterk inzette op het bieden van kansen aan studenten was dit al een domper geweest; in de huidige vorm van ITS was het echter de doodssteek voor het vertrouwen van veel studenten in het festival.

Voor de scholen was de maat vol: op 15 oktober 2015 verstuurde Jan Zoet namens alle theater- en dansopleidingen (met uitzondering van Codarts Rotterdam en het Koninklijk Conservatorium Den Haag) een brief aan het bestuur van het ITS waarin het vertrouwen in de huidige artistieke leiding werd opgezegd. De brief adviseerde het bestuur om meteen een nieuwe leiding aan te stellen. Theu Boermans had bij aanvang van de kunstenplanperiode 2013-2017 al aangekondigd dat hij na de editie van 2016 zou vertrekken; vanuit de gedachte om in deze tumultueuze fase de continuïteit en de lopende subsidies van het festival te waarborgen gaf het bestuur de directie de opdracht het nieuwe beleidsplan voor de periode 2017-2021 te schrijven. De brief van de scholen was er juist op gericht om dit te voorkomen, zodat er al een kentering in het artistieke beleid kon worden bewerkstelligd, ook vanuit de verwachting dat alleen een nieuwe artistieke leiding en koers de subsidiegevers nog zouden kunnen overtuigen.

Steen des aanstoots

Als antwoord op deze vertrouwensbreuk stelde ITS Dennis Meyer aan als mediator. Meyer voerde in de periode tussen oktober en december 2015 gesprekken met de scholen over de gewenste koers, en onder andere op basis van die aanbevelingen – en die uit de nooit verder besproken publicatie uit 2014 van de Schaduwploeg – schreven Boermans en Beganovic het nieuwe beleidsplan. ITS wilde het voltooide plan vervolgens met de scholen bespreken in een bijeenkomst eind januari 2016, maar de agenda’s kwamen wederom niet bij elkaar. Uiteindelijk kregen de scholen het plan pas toegestuurd kort voor de deadline van 1 februari. De voornaamste drie uitgangspunten van het nieuwe beleid waren: hoge artistieke kwaliteit (dus selectie) en een focus op toekomstige arbeidsmarktmogelijkheden voor de afstudeerders, zowel op nationaal als internationaal niveau.

Het ontlokte wederom een ontstemde brief, gedateerd op 6 februari 2016. Niet alleen waren de leden van het Theateroverleg op zijn zachtst gezegd ontevreden over het feit dat ze niet direct betrokken waren geweest bij de totstandkoming van het beleidsplan, de voornaamste steen des aanstoots was de verandering van de manier waarop voorstellingen voor het festival geselecteerd zouden worden. De nieuwe vorm was erop gericht om studenten conceptplannen te laten opsturen, waaruit dan door speciaal samengestelde commissies een selectie zou worden gemaakt. De scholen betoogden in hun brief dat die vorm te veel op competitie was gericht en hoe dan ook onhaalbaar was, gegeven het feit dat het een belangrijke impact op de curricula zou hebben en studenten zelf verantwoordelijk zouden worden gemaakt voor logistiek en productie. Mits de keuze hiervoor niet zou worden teruggedraaid, zouden de scholen hun medewerking met het festival stopzetten.

In een reactie op 22 februari van hetzelfde jaar onderstreept de directie van ITS de autonomie van het festival alsmede de noodzaak om recht te doen aan de internationale werking, zowel vanuit haar inhoudelijke visie als vanwege het feit dat een groot deel van de financiering uit Europa afkomstig is. Om genoeg buitenlandse uitwisseling te kunnen faciliteren moet het aandeel aan Nederlandse voorstellingen slinken, en de keuze voor een selectieprocedure was daarop gericht.

Het kon op weinig begrip van de scholen rekenen. De directies hielden voet bij stuk. Uiteindelijk keerde ITS op zijn schreden terug en werd het ingaan van de voorgestelde beleidswijziging tot na 2016 uitgesteld. Hoewel dit er echter voor zorgde dat de scholen weer meededen, hadden de regiestudenten van de AHK inmiddels een eigen festival voorgesteld: Vuurwerk. Het was een voorbode van het uiteindelijke eindpunt: de aanvraag bij het AFK werd niet toegekend omdat de commissie vond dat er in de nieuwe plannen ‘niet langer [werd] voorzien in de behoefte van opleidingen aan een podium waarop hun studenten zich in de stad kunnen laten zien’. Ook het Fonds Podiumkunsten wees de aanvraag af, onder andere omdat ‘de stem van de opleidingen en de reflectie van het kunstvakonderwijs op de herziening van het programmeringsbeleid van het ITs Festival […] in het plan onvoldoende aan bod [kwamen]’. Directie en bestuur van ITS trokken hun conclusies en stapten op.

Meer dialoog

En zo was de cirkel na twaalf jaar weer rond. Wederom voelden de scholen zich gepasseerd door de keuze voor een autonome selectieprocedure van de voorstellingen, en wederom leidde dit tot een onherstelbare vertrouwensbreuk. En net als twaalf jaar geleden was het aan de nieuwe artistiek directeur om de relatie tussen festival en scholen te herstellen.

Het bestuur van ITS benaderde Marcus Azzini in maart 2016. Hij stemde toe om de artistieke leiding van het festival vanaf 1 januari 2017 over te nemen, op voorwaarde dat hij een geheel nieuw team en bestuur mocht samenstellen. Uiteindelijk werd hij al in november 2016 ingevlogen vanwege het vervroegde vertrek van de artistieke directie en het bestuur. Er kwam een nieuw team: naast Azzini Nicole van Vessum als artistiek leider programmering, Wouter Goedheer als zakelijk directeur en Jasper van Luijk per 2018 als artistiek leider dans. En er kwam een nieuw bestuur, met onder anderen een plek voor Leo Capel, directeur van de Faculteit Theater van de HKU. Door hen ondersteund ging Azzini in gesprek met het Theateroverleg. Vanuit die gesprekken schreef hij samen met Goedheer een nieuw beleidsplan waarop de editie van 2017 is gebaseerd.

Azzini zet erop in het festival en de curricula van de scholen met elkaar te vervlechten en meer ruimte te creëren voor dialoog, uitwisseling en ontmoeting. Daartoe stuurde hij een brief aan alle studenten om zich voor te stellen en hen uit te nodigen mee te denken over het festival, en leggen hij en zijn team de komende tijd bezoeken af aan de scholen.

Concreet vindt ITS dit jaar plaats binnen een periode van vijf dagen. Het festival wordt verplaatst naar de Nes en de AHK om ITS weer een intiem karakter te geven; de prijzen die verbonden waren aan het festival worden grotendeels afgeschaft om de schijn van competitie te voorkomen. In gesprek met de master dramaturgie aan de UvA wordt ingezet op het samenstellen van een schrijversgroep die inhoudelijke kritieken levert op de getoonde voorstellingen. Uitbreiding van het aandeel internationale voorstellingen wordt voorlopig gestaakt en er wordt een volledige dag op de AHK georganiseerd voor al het eigen werk van studenten dat buiten de regieopleidingen en klassikale voorstellingen valt. Dit alles kan vrijwel zonder financiering plaatsvinden omdat de theaters waar het festival te gast is hun zalen gratis ter beschikking stellen en het team van ITS ook grotendeels zonder salaris werkt.

De volgende jaren zullen Azzini en zijn team zich vooral bezighouden met het waarborgen en uitbreiden van de disciplinaire diversiteit van het festival – de niet-regieopleidingen brengen immers steeds meer succesvolle makers voort en dat rechtvaardigt een gelijkwaardige positie voor hen op het festival. Daarnaast zal de organisatie met de afstuderende makers bespreken hoe hun werk op het festival optimaal tot zijn recht kan komen.

Het ITS Festival heeft nog een lange weg te gaan – de brief van Azzini ontlokte bij enkele AHK-studenten die ik sprak vooral een ‘eerst zien, dan geloven’-reactie – maar dat er überhaupt weer sprake is van een dialoog tussen de scholen en het festival is hoopgevend. En als de geschiedenis enige indicatie is voor de toekomst, gaat ITS nu eerst weer zeven vette jaren tegemoet.

foto: Neeltje Knaap