De afgelopen ronde voor meerjarige productiesubsidies van Fonds Podiumkunsten leidde in de theatersector tot veel onvrede en onbegrip. Het grote aantal gevestigde gezelschappen waarvan de subsidie werd stopgezet, alsmede de in hun ogen ondoorzichtige of gebrekkige argumentatie waarmee dat gepaard ging, stuitte velen in de sector tegen de borst. In gesprek met Fondsdirecteur Viktorien van Hulst keken we gezamenlijk naar de politieke kaders, de beleidskeuzes en de externe omstandigheden die aan de basis van de uitslag lagen, en of en hoe er verandering mogelijk en wenselijk is. ‘Iedere verandering in de regeling heeft ook een schaduwkant.’

Bij het gesprek op het kantoor van Fonds Podiumkunsten in Den Haag schuift ook strategisch adviseur Marianne van de Velde aan, om Van Hulst bij te staan als het ‘institutionele geheugen’ van de organisatie (een benaming die ze uit bescheidenheid afwimpelt). De twee werken binnen het Fonds nauw samen aan het aanscherpen en steeds herevalueren van het beleid. Van Hulst: ‘Ik stuur je elke week wel een mail over hoe we nieuwe of betere afwegingen kunnen maken, of nieuwe ankers kunnen vinden.’

Hoe is de huidige regeling voor de meerjarige productiesubsidies tot stand gekomen?‘Ten eerste was het heel lang onduidelijk of er überhaupt een nieuwe subsidieronde zou komen. In de nasleep van de coronacrisis werd er op politiek niveau veel gesproken over of het niet beter zou zijn om de gesubsidieerde instellingen in de periode ’21-’24 nog vier jaar te blijven ondersteunen. Uiteindelijk besloot staatssecretaris Uslu dat er wél een nieuw selectieproces zou komen, maar dat binnen het systeem stabiliteit en rust moesten prevaleren, en de bestaande budgetten hetzelfde zouden blijven – inclusief het extra budget dat er vier jaar geleden beschikbaar was gesteld om de instellingen op de B-lijst te redden.

Dan is het vervolgens aan ons om dat naar een regeling te vertalen. Die is op hoofdlijnen hetzelfde gebleven, maar met nieuwe accenten, die voortkomen uit politieke wensen en wensen vanuit het veld zelf. Iedere verandering heeft echter ook een schaduwkant. De opdracht tot regionale spreiding brengt bij voorbeeld automatisch met zich mee dat er relatief minder instellingen in de Randstad overblijven. Over de uiteindelijke criteria is uitgebreid met het veld gesproken, en toen we ze in oktober van 2023 presenteerden, waren de reacties grotendeels positief.’

Waren er dingen die je vervolgens verrast hebben in de aanvragen?
‘Vooral het aantal aanvragen overviel ons. Dat lag veel hoger dan in vorige periodes: we zijn van 200 aanvragen voor 2021-2024 naar 273 aanvragen voor 2025-2028 gegaan. We hadden van tevoren ingeschat dat er minder organisaties aan de instap-eisen zouden kunnen voldoen, zeker na de gaten die corona had geslagen – maar het tegendeel bleek waar, zelfs na afwijzing van een handjevol aanvragers op formele gronden. Er waren ook opvallend veel aanvragers die door wilden stromen vanuit ondersteuning door middel van projectsubsidies.

Ondanks het feit dat we dus meer aanvragen hebben moeten afwijzen, doet de uiteindelijke uitkomst wat mij betreft wel recht aan de kaders die we van tevoren geschetst hebben. De verdeling tussen disciplines en ook tussen generaties is grotendeels hetzelfde gebleven. Maar dat is natuurlijk geen troost voor de makers die zijn afgewezen.’

Dat klinkt alsof je vindt dat alles naar behoren heeft gefunctioneerd. Als je nu de uitkomsten bekijkt, zou je dan zeggen dat er niets is misgegaan?
‘Het is natuurlijk niet wenselijk dat de kans dat je aanvraag wordt gehonoreerd zo klein is: we hebben slechts iets minder dan de helft van alle aanvragen kunnen honoreren. Om te kunnen rechtvaardigen dat we om een flinke investering vragen in het schrijven van een gedetailleerde aanvraag, moet je slagingskans groter zijn.

Daarnaast heeft de opdracht om niet op de prestaties in de coronaperiode af te rekenen, ook een schaduwzijde. De inhoud van de aanvraag werd leidend en de terugblik diende enkel als toets voor de haalbaarheid daarvan. Een ander punt is het feit dat in deze regeling geen ruimte is om het realiseren van grote tournees of publieksaantallen te waarderen, omdat in het verleden op verzoek van het veld de focus op kwantitatieve prestaties is verkleind.

En als laatste vraag ik me af of het goed is voor het veld dat wij als Fonds in deze regeling uitsluitend beoordelen op basis van individuele aanvragen, en in tegenstelling tot de BIS niet vanuit functies van instellingen denken.’

Was er echt geen mogelijkheid om genuanceerder met de prestaties tijdens de coronaperiode om te gaan, en positieve prestaties wel mee te laten wegen?
‘Minister Van Engelshoven zei destijds al dat de sector niet mocht worden afgerekend op wat er tijdens corona is gebeurd. Daardoor zagen we ons genoodzaakt om ook de positieve prestaties niet mee te nemen, omdat het dan indirect tóch een rol zou spelen: in de afweging zouden andere gezelschappen dan immers worden afgerekend op dat ze minder hadden gepresteerd.

We hebben wel geprobeerd dat op verschillende manieren op te vangen. Ten eerste hebben we het criterium ‘Artistieke kwaliteit’ een hogere score gegeven dan de andere criteria. Binnen dat criterium konden de commissieleden namelijk wel hun kennis van de aanvrager in kwestie laten doorwegen. Ten tweede hebben we het criterium ‘Betekenis voor de Nederlandse podiumkunstenpraktijk’ uitgebreid.’ Omdat de meerjarige subsidies van het Fonds primair ‘productiesubsidies’ zijn kunnen we moeilijk activiteiten honoreren die strikt genomen buiten artistiek inhoudelijke uitingen vallen – zoals talentontwikkeling of het voeren van voorbeeldstellend duurzaamheidsbeleid. Om toch recht te kunnen doen aan aanvragers van wie de activiteiten een aanvullende betekenis hebben voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk hebben we deze activiteiten onder dat criterium geschaard.

De benaming van dat criterium heeft echter tot onbegrip en pijn geleid bij de afgewezen aanvragers, hebben we gezien. Omdat er geen toelichting werd gegeven als een aanvrager als ‘neutraal’ werd beoordeeld, kwam het over alsof de commissie stelde dat die aanvrager überhaupt geen betekenis had voor het veld.’

Maar het gaat toch niet alleen om een semantische kwestie? Er is ook veel kritiek dat binnen dat criterium überhaupt sprake leek van extreme willekeur.
‘Wat mij betreft zat het misverstand erin dat we voor die categorie een uitgewerkte gedachte hadden over wat wel en niet binnen dat criterium viel, wat we ook in de regeling hebben vermeld. Op basis daarvan heeft de commissie geoordeeld. Wel leidde het dus tot onnodige verwarring dat er bij een oordeel van ‘neutraal’ geen verdere uitleg is gegeven in de adviezen. In bezwaarprocedures hebben enkele organisaties ons hier ook op gewezen. Wij hebben de adviescommissie in die gevallen om een nadere motivering verzocht.’

Nog even teruggrijpend op de vraag over eerdere prestaties van aanvragers: er worden met gesubsidieerde gezelschappen toch monitorgesprekken gevoerd? Spelen die geen rol in de beoordeling?
‘Nee, en dat mag ook niet, omdat het team van het Fonds Podiumkunsten, dat die gesprekken voert, geen enkele invloed mag uitoefenen op het beoordelingsproces van de commissieleden. De monitorgesprekken gaan uitsluitend over de dan lopende periode en dienen als tussentijdse momenten om te beoordelen of een organisatie nog tegen zaken aanloopt, ze zijn niet bedoeld als input voor een volgende subsidieronde.’

In vergelijking met 2021-2024 ging het totaal aantal honoreringen achteruit – van 149 naar 123. Hoe is dat te verklaren?
‘Ten eerste komt dat omdat we de subsidiebedragen verhoogden vanwege de noodzakelijke kosten van onder andere Fair Practice, verduurzaming en inclusief beleid. Het totale budget dat wij ter beschikking hadden is echter hetzelfde gebleven. Ten tweede hebben we een deel van het budget overgeheveld naar de productiebijdrage binnen de podiumregeling. Die bestaat eruit dat vijftig podia in het land per jaar 25 duizend euro krijgen om lokaal te kunnen coproduceren. Dat sluit ook aan bij de wens tot regionale spreiding. In de komende vier jaar gaan we de budgetten in die regeling nog iets verhogen.’

Hoe kijk je aan tegen de grote instroom van nieuwe makers? Een aandeel van 42 procent nieuwe organisaties lijkt mij persoonlijk aan de hoge kant voor een periode waarin de politiek vooral zei dat er ‘rust en stabiliteit’ moest worden geboden.
‘Het percentage van 42 procent is vergelijkbaar met dat van vier en acht jaar geleden. We hebben na de bekendmaking van de adviezen reacties gehad van mensen die zeiden dat er te weinig instroom van nieuwe makers was, en van mensen die zeiden dat het veel te veel was. Het is natuurlijk altijd een balans, maar als je het hele landelijke subsidiestelsel overziet, inclusief de zeer stabiele BIS, is er maar heel weinig nieuwe instroom.

Over die ‘rust en stabiliteit’: we kunnen als Fonds geen bestaanszekerheid garanderen. Als een ‘veilige’ praktijk afhangt van ondersteuning van het Fonds – dat wordt hem niet. Bovendien: veiligheid voor wie? Er werken zo veel freelancers in de sector, die hebben ten opzichte van de mensen die via Fonds-subsidie wel een vast inkomen kunnen krijgen, en die opdrachtgever van die freelancers zijn, ook geen zekerheid. Dat is de pijnlijke realiteit.’

Veel van die organisaties worden nu juist door subsidiegevers – waaronder het Fonds – ook aangesproken op het feit dat ze niet voor duurzame werkomstandigheden zorgen. Daar is de Fair Practice Code ook uit ontstaan. Dan is het toch redelijk dat die vraag ook andersom wordt gesteld? De overheid is immers ook een opdrachtgever.
‘Je kan alleen zekerheid garanderen voor een groep makers als je de instroom van nieuwe makers beperkt, en dat vind ik geen goed idee. Nieuwe instromers hebben het in de coronacrisis ook zwaar gehad, soms misschien nog wel zwaarder dan makers die al structurele subsidie ontvingen. Ik had het niet gerechtvaardigd gevonden om de prioriteit aan bestaande Fondsgezelschappen te geven. Dat neemt natuurlijk niet weg dat het verschrikkelijk is dat we zo veel gezelschappen niet hebben kunnen honoreren.’

Hoe worden de selectiecommissies samengesteld? Sinds het opheffen van het onderscheid tussen disciplines zes jaar geleden (ontschotting) zitten experts op het gebied van dans, theater, muziektheater en muziek samen in een commissie. Hoe zorg je er dan voor dat er toch genoeg expertise aanwezig is?
‘In de samenstelling hebben we gelet op diversiteit op basis van regio, gender, culturele achtergrond, leeftijd en op de verdeling van expertise over de individuele disciplines. Daarnaast zijn de regels voor onafhankelijkheid heel streng: er mag bij geen enkel commissielid sprake zijn van schijn van belangenverstrengeling met een van de aanvragers in de desbetreffende categorie. Die combinatie van factoren maakt de spoeling heel dun. Bovendien wordt plaatsnemen in de commissie ook steeds minder aantrekkelijk vanwege de kritiek die je vervolgens op je werk krijgt. Én het is heel veel werk, dus daar heeft ook lang niet iedereen tijd voor in diens praktijk.

Desalniettemin zijn we er wat mij betreft in geslaagd om commissies samen te stellen die aan alle eisen voldoen. We hebben al in 2017 de ontschotting doorgevoerd in de projectsubsidies, en we zien daar ook dat dat goed kan.’

Maar zie je geen verschil tussen projectsubsidies en meerjarensubsidies? Je zou zeggen dat bij meerjarensubsidies is veel meer kennis van een specifiek veld nodig is, omdat je daar veel meer de structuur van een heel veld ‘bouwt’. Als een projectsubsidie niet wordt gehonoreerd is dat namelijk geen existentiële bedreiging voor een organisatie, als een meerjarensubsidie wegvalt wél.
‘We zien dat er in toenemende mate interdisciplinair wordt gewerkt en een ‘geschotte’ benadering is daar niet meer het beste antwoord op. Het samenspel tussen expertises geeft in de commissie een samenhangend beeld van de podiumkunstensector.
Ik snap evenwel wat je bedoelt met kennis van een specifiek veld als je een structuur wilt bouwen. Binnen deze regeling echter, en dat noemde ik al even bij het antwoord op de vraag over de uitkomsten, kunnen we niet in functies of een structuur denken. We bekijken iedere aanvraag op de eigen merites. Enkel bij het criterium betekenis bezien we hoe aanvragers opereren in relatie tot anderen in het veld.’

Zou het niet de voorkeur genieten om een adviescommissie voor een periode van vier jaar aan te stellen, zodat ze in die periode kennis kunnen opdoen of bijspijkeren over zowel de Fondsgezelschappen als potentiële nieuwe aanvragers?
‘Dat is bijna onmogelijk vanwege de regels rond belangenverstrengeling. Dan zou je aan het begin van de periode al een inschatting moeten maken van welke makers er over vier jaar een aanvraag indienen, en op basis daarvan een commissie samenstellen. Dat brengt een groot risico met zich mee dat commissieleden dan aan het eind van de rit alsnog moeten afhaken.’

Kan er nu door de adviescommissies extra expertise worden ingewonnen? Zo doen ze dat in Vlaanderen bij voorbeeld bij ontschotte subsidieprocedures: er staat een extra pool van experts stand-by om de commissie bij vragen bij te staan.
‘Theoretisch zijn er verschillende modellen mogelijk. In alle gevallen moet er binnen het beoordelingsproces transparantie zijn over wie wanneer welke rol speelt en moeten aanvragers op eenzelfde manier worden beoordeeld, en dat is een grotere uitdaging bij een systeem waar mensen op afroep bij betrokken worden.’

Het Nederlandse podiumkunstensysteem heeft, anders dan in landen als Duitsland of Frankrijk, lang gedraaid op een veelheid aan kleinere organisaties die door kunstenaars zelf worden gerund. Is daar nog een toekomst voor?
‘Ik zie dat wel verschuiven. Inmiddels zijn er ook bij ons in Categorie 3, en ook al in Categorie 2, organisaties die meer het karakter van een instelling krijgen, en dus bestaansrecht hebben die niet puur gebaseerd is op de artistiek leider. Categorie 1 bestaat wél nog bijna uitsluitend uit artist-led organisaties.’

En is de huidige subsidiesystematiek nog wel op die kleine organisaties toegespitst? De regeldruk in Categorie 1 is ook al aanzienlijk. Dwingen we die organisaties niet steeds meer om een instelling te worden, en gaat er daarmee niet iets essentieels verloren?
‘Ik zie daar inderdaad een uitdaging. Ik vraag me af of al deze aanvragers nog wel in dezelfde regeling thuishoren. De afgelopen periode was de eerste periode waarin het huidige systeem, de onderverdeling in die drie categorieën, van kracht was, maar vanwege corona hebben we de uitwerking ervan niet goed kunnen vaststellen. Daarnaast konden we in de huidige ronde eenvoudigweg geen grote veranderingen doorvoeren, omdat dat van de politieke opdracht niet mocht. Maar we gaan de komende jaren goed kijken naar of het anders moet.’

Er is dus ruimte voor een volstrekt andere regeling over vier jaar?
‘We moeten eerst de opdracht vanuit de politiek afwachten – daar zijn we toch van afhankelijk. Maar binnen die opdracht kijken we wat er nodig en wenselijk is. Wijzigingen zijn dus zeker mogelijk.’

Wat zijn voor jou speerpunten in hoe een volgende regeling eruit moet zien?
‘In de komende beleidsperiode zouden we de aandacht voor onderzoek en ontwikkeling willen versterken. Een voorbeeld daarvan was het Fast Forward-programma, dat over ontwikkeling in de internationale context ging. We willen meer ruimte voor dergelijke ontwikkelbeurzen, zodat makers niet alleen van productie naar productie hoeven te gaan maar ook in hun eigen praktijk kunnen investeren. Een minder productiegericht bestel helpt ook tegen het feit dat er jaarlijks meer producties worden gemaakt dan de speelplekken in Nederland ruimte kunnen bieden.

Ook op dat vlak willen we kijken of we niet nog meer voor de vraagkant moeten doen, in plaats van alleen te werken aan de aanbodkant. Makers lopen er nu vaak tegenaan dat theaters te lage uitkoopsommen bieden, en dat het dus geld kost om een voorstelling te spelen in plaats van dat het geld oplevert. We hebben al een podiumregeling waarbinnen we theaters financieren om fatsoenlijke uitkoopsommen te kunnen betalen. Voor een duurzaam bestel is een goede balans tussen aanbod en afname van belang en dat vergt ook opnieuw nadenken over de rol van het rijk en andere overheden.’

 

Bestaande instellingen in de knel bij het FPK

Het aantal aanvragers voor meerjarige subsidie bij het FPK is de afgelopen drie rondes sterk gestegen, van 160 voor de periode 2017-2020 tot 273 voor de huidige periode. Ondanks groeiende middelen (het Fonds kreeg 2 keer extra geld om de zaaglijn-instellingen te redden) is er in de huidige periode voor minder organisaties ruimte. Dat komt door de keuze om het bedrag per organisatie te verhogen, in het kader van Fair Practice. Hierdoor is het aantal afvallers dit jaar zeer hoog.

De ruimte voor vernieuwing bij het fonds blijft min of meer constant: tussen de 40 en de 50 procent van het aantal organisaties in de meerjarige regeling is ‘nieuw’ – dat wil zeggen: ze kregen in de periode ervóór geen meerjarige subsidie. Daar zitten jonge makers bij, maar ook ervaren makers die onder een andere naam of in een nieuwe samenstelling werken. Denk bijvoorbeeld aan Bureau Vergezicht van Anoek Nuyens, Rebekka de Wit en Erik Whien of Rightaboutnow.Inc van Marjorie Boston en Maarten van Hinte.

Vernieuwing bínnen organisaties (nieuwe artistieke leiding) wordt in deze cijfers buiten beschouwing gelaten.

Minder toekenningen met een gelijkblijvend aandeel nieuwe organisaties betekent dus dat een groot aantal bestaande instellingen werd afgewezen.

Van de instellingen die gesubsidieerd werden in de periode 2017-2020 en die een aanvraag deden voor de periode 2021-2024 werden er 11 afgewezen – 10 procent van het aantal instellingen in de periode ervoor. In de laatste aanvraagronde waren dat er veel meer: 62 van de 149 organisaties die in de periode 2021-2024 werden gesubsidieerd keren per 2025 niet terug in de regeling – 42 procent. Dit staat los van de ‘natuurlijke uitstroom’: bestaande organisaties die geen nieuwe aanvraag doen (11 in de afgelopen ronde), of die naar de BIS verhuizen (2).

Dossiers

Theaterkrant Magazine maart 2025

Plaats reactie

Reacties moeten voldoen aan onze huisregels.

Uw e-mail adres zal niet gepubliceerd worden. Alle velden zijn verplicht.