Ik herinner me een bezoek aan de Amsterdamse Kunstraad. Het collectief Onafhankelijk Toneel had een jaar ongesubsidieerd gewerkt op de Herenmarkt, waar we onderdak hadden gekregen van Jan Kassies. Na dat jaar vroegen we subsidie aan bij de gemeente Amsterdam. De beruchte Parool-recensent Hans van den Bergh vroeg ons wat voor soort toneel we dachten te gaan maken, hoeveel voorstellingen, voor welk soort publiek. Het was een onaangenaam gesprek en onze aanvraag werd afgewezen.

In Rotterdam waren we welkom. Er was net een rapport uitgekomen over een nieuw gemeentelijk theaterbeleid. Het Nieuw Rotterdams Toneel werd opgeheven en met dat geld ontstond ruimte voor een internationale theatergroep, een feministisch gezelschap, politiek toneel, een nieuw repertoiregezelschap en een experimenteel theatergezelschap. Op die laatste functie solliciteerden wij.

We kregen minimaal drie jaar subsidie en de enige voorwaarde was dat we in Rotterdam kwamen wonen. We ondervonden vertrouwen. Dat leverde een stroom aan activiteiten en voorstellingen op, waaronder de legendarische serie De Favorieten. Daarin vond Jan Joris Lamers een stijl uit waaraan vele theatermakers in België en Nederland schatplichtig zijn (denk aan Stan, de Roovers, Het Barre Land, Dood Paard of De Theatertroep). We waren een coöperatie; iedereen was verantwoordelijk voor alle taken, er was geen hiërarchie, al was Jan Joris Lamers,  medeoprichter van het Werktheater en zeven jaar ouder dan wij, een onuitgesproken leider. We waren niet bezig met verzet tegen de bestaande toneelorde, we wilden ruimte om te maken wat ons noodzakelijk leek, geïnspireerd door de politieke actualiteit en door kunststromingen uit heden en verleden die tot nieuw vormen konden leiden. We geloofden in het belang en de zeggingskracht van kunst, niet alleen voor een bevoorrechte elite, maar voor iedereen die ervoor open stond. We hadden publiek in Rotterdam en daarbuiten, we onderscheidden ons door een duidelijke eigen theatervorm en de recensenten en beleidsmakers namen ons serieus. Vladimir Majakowski was voor ons een belangrijke inspiratiebron: beeldend kunstenaar, dichter, politiek bevlogen en onstuimig in de liefde. In het constructivisme vonden we een uitgangspunt voor het openlijk tonen van het mechanisme van toneel, in tegenstelling tot het creëren van een bordkartonnen illusie. We werkten hard omdat dat vanzelfsprekend was, niet omdat we aan bepaalde targets moesten voldoen, we kenden dat woord niet eens.

Na zeven jaar intensief samenwerken besloten we ieder onze eigen weg te gaan. Gerrit Timmers en ik bleven in Rotterdam en zetten Onafhankelijk Toneel voort als een collectief van theatermakers. Jan Joris Lamers en Matthias de Koning richtten Maatschappij Discordia op en vertrokken met de oude verhuiswagen naar Amsterdam, waar ze subsidie kregen.

Anno 2015 weten we hoe het sprookje is geëindigd. Het merendeel van de kleine en middelgrote gezelschappen is weggevaagd, net als de productiehuizen. Het werd ons verboden nog langer een coöperatieve vereniging te zijn. Ook al werkten we nog even hard en bevlogen als in de beginjaren, hadden we ons ontwikkeld tot een veelzijdig multidisciplinair gezelschap, kregen we lovende recensies, speelden we op festivals in binnen- en buitenland, was het aantal bezoekers gestegen en waren de inkomsten verdubbeld, toch heetten wij opeens luie subsidievreters die maar eens een schop onder hun kont nodig hadden. Nou, die schop hebben we gekregen, en velen met ons.

Het enige wat ik de aankomende generatie theatermakers kan meegeven is: geef niet op. Probeer wat geld te verdienen, waarmee dan ook en blijf je concentreren op waar het voor jou om gaat in het theater. Blijf jezelf zo lang mogelijk en zo veel mogelijk ruimte gunnen en zoek in alle hoeken en gaten naar geïnteresseerd publiek. Durf het woord kunst te omarmen zonder je daarvoor te schamen of het te moeten verantwoorden. Woel de aarde om en start opnieuw. Maar eis ook dat een nieuwe generatie beleidsmakers en publiek de luie consument in zichzelf een schop onder de kont geeft en inziet dat kunst net zo belangrijk is als voetbal, lantarenpalen, zwembaden, ziekenhuizen, speeltuinen, groenvoorzieningen, fietspaden, onderwijs, sociale woningbouw, daklozenopvang en alle andere zaken die van waarde zijn in een democratische samenleving.

En nog even voor alle duidelijkheid: ik ben niet met pensioen. Gerrit Timmers en ik werken allebei als vrijwilliger bij het nieuw opgerichte OT Rotterdam.