Wie in het buitenland de Nederlandse podiumkunstensituatie moet uitleggen, komt er niet onderuit te beginnen bij de unieke scheiding tussen zalen en groepen. Producenten hebben in de regel geen eigen theaters en reizen met hun voorstellingen langs ontvangende huizen. Het systeem dat daaraan ten grondslag ligt, is nu al ruim een decennium aan het schuiven.

Jan Zoet wees een paar jaar geleden op de ‘ideologische kloof’, die daarbij zichtbaar wordt: producenten worden gesubsidieerd door het rijk om artistiek uitdagende voorstellingen te maken, maar de afname van die voorstellingen bij de schouwburgen stokt, onder druk van teruglopende programmeringssubsidies bij gemeenten die vooral een zaal zonder financiële kopzorgen willen.

Wat niet stokt, is de bouw van nieuwe zalen. De theaterbouw-boom die in de jaren negentig begon is nog steeds niet helemaal voorbij. Jaarlijks openen grote nieuwe of vernieuwde zalen, zoals De Stoep in Spijkenisse, Atlas in Emmen en De Nieuwe Kolk in Assen. Waarom is dat zo, vroegen we ons af op de redactie. Wat is de waarde van die enorme berg theatervastgoed?

Probleem is dat het antwoord op die vraag te banaal bleek om een nummer mee te vullen: het blijkt echt waar dat gemeenten een nieuwe schouwburg willen omdat de buren er ook een hebben of omdat een wethouder zich wil profileren, een beetje versierd met (Richard Florida-)argumenten over een verbeterd vestigingsklimaat. En het is echt zo, dat de belangrijkste parameter voor wat voor soort theater gebouwd wordt, het beschikbare budget is – en dus níet het soort programmering waaraan behoefte is in de stad, níet de aansluiting bij het lokale culturele leven, níet de regionale context.

De vraag van dit nummer is dus veeleer: waarom worden die theaters gebouwd zoals ze gebouwd worden? En wat voor gevolgen heeft dat voor de theaterkunst?

Die gevolgen zijn breed: om de toekomstige exploitatie te vergemakkelijken, worden zalen zo groot mogelijk – de extra inkomsten die die paar rijen meer opleveren bij de paar uitverkochte voorstellingen per jaar, rechtvaardigen het feit dat het publiek de rest van de tijd met tocht in de nek zit. En omdat de theatertechnici van zo’n schouwburg overvraagd zijn, krijgt een groep die iets speciaals wil vaak nul op het rekest – in die zalen kan alles, maar mag niets.

En wat te denken van het vreemde architectonische schisma dat de buitenkant van zo’n nieuwe schouwburg een iconisch landmark moet zijn voor de stad, terwijl de binnenkant erop gebouwd is het publiek de zelfde ervaring te geven als vijftig of honderd kilometer verderop? Of van het ontstaan van een heel nieuw commercieel aanbod van onbekende cabaretiers, concerttournees van coverbands, lezingenseries, kookshows en kleinschalige (lees: goedkope) musicals.

Opvallend in dit nummer, is dat veel van de schrijvers en geïnterviewden niet per se tegen meer nieuwbouw zijn. ‘Er zijn niet te veel theaters, er zijn te veel dezélfde theaters’, zegt Cees Langeveld. Dat geeft steden met theaterbouwplannen een opdracht, zo kort voor de gemeenteraadsverkiezingen: een kleiner en gespecialiseerder theater kan je stad véél meer opleveren dan een megabak waar de volgende Stage-musical tóch niet langs gaat komen.

‘De toegevoegde waarde die de subsidies moet legitimeren, ligt ergens tussen de twee uitersten van artistiek hoogstaand toneel en het hosten van tandartscongressen’, schrijft Joost Ramaer in zijn inleiding bij dit themadossier. Want uiteindelijk ligt de exploitatie van al dat theatervastgoed toch bij directies, die gelukkig nog vaak genoeg creatief en bevlogen zijn. We portretteren er vier, die ieder op hun eigen manier hebben geleerd een gebouw uit te baten ten behoeve van de kunst.