Acht jaar na de opheffing van het TIN en bijna honderd jaar na het formele begin wordt de Theatercollectie vanaf 2021 eindelijk weer ondersteund door het Rijk. De huidige conservator Hans van Keulen beschrijft de omzwervingen, uitbreidingen en inkrimpingen van de collectie.

Op 17 mei 1924, halverwege een ongetwijfeld lange algemene vergadering van het Nederlandsch Toneelverbond in Rotterdam, vraagt de heer Jac. Rinse het woord. Rinse heeft als lid van het verbond al vaker gepleit voor de oprichting van een toneelmuseum, maar deze keer kan hij zijn pleidooi kracht bijzetten met een unieke kans.

Enkele dagen tevoren was namelijk de heer A.Th. Hartkamp overleden, een van de grootste verzamelaars van Nederland. Zijn enorme verzameling kranten en weekbladen had al tot de oprichting van het Persmuseum geleid en sinds 1901 was er ook al een Vondelmuseum op basis van zijn collectie. Maar, zo hield Rinse zijn gehoor voor, de verzameling met betrekking tot toneel – bestaande uit vele honderden prenten, foto’s en platen, tientallen albums met alles over toneelkostuums, 1720 toneelstukken, talloze affiches en programmaboekjes, honderden boeken en een onbekend aantal curiosa – zou een fantastisch begin zijn voor een ‘bewaarplaats voor de geschiedenis van het Nederlandsche tooneel’.

Als deze collectie geveild zou worden zou ze verspreid raken. Dat mocht het verbond niet op zijn geweten hebben. Voor het geval de aanwezigen het vergeten waren, memoreerde Rinse nog even kort waar het in 1870 opgerichte Toneelverbond voor stond: de verheffing van het Nederlands toneel uit het moeras van middelmatigheid, goedkoop amusement en winstbejag der schouwburgexploitanten, die maar een doel voor ogen hadden: ‘Hoe krijg ik mijn zaal en dus mijn kas vol?’

Het Toneelverbond had deze doelstellingen proberen te bereiken door het oprichten van een toneelschool, het uitgeven van een tijdschrift en het propageren van het toneel in de meest brede zin des woords, in de hoop dat schouwburgdirecteuren het als hun verheven taak zouden gaan zien het publiek te beschaven door het kiezen van een verantwoord repertoire, in plaats van het aanbieden van goedkope spektakelstukken.

Nu stond, aldus Rinse, het verbond voor een nieuwe uitdaging: het redden van de collectie Hartkamp en deze onderbrengen in een museum.

Deze keer had Rinse succes. De vergadering benoemde een commissie en er werd een nieuwe vereniging opgericht die al snel de collectie kon aankopen voor ‘slechts’ vierduizend gulden.

Die vergadering markeerde het formele begin van het Toneelmuseum, en legde meteen een aantal kenmerken bloot. Belangrijkste: verzamelen was belangrijker dan presenteren. De collectie werd aangekocht voordat duidelijk was waar en hoe het Toneelmuseum van start kon gaan. Ook was vanaf het begin duidelijk dat het verzamelen van theatererfgoed dienstbaar was aan een verheffingsmissie voor het toneel. En het domein van de collectie was duidelijk toneel; aan amusement of cabaret, laat staan dans, werd toen zeker niet gedacht.

Enkele maanden later presenteerde het Toneelmuseum zich aan de buitenwereld. In de toneelschool aan de Marnixstraat in Amsterdam werd een tentoonstelling georganiseerd rond de collectie Hartkamp, die inmiddels was aangevuld met andere collecties.

Kelders en zolders
Ondanks deze goede en voortvarende start kwam een permanent museum niet van de grond. Chronisch geldgebrek maakte het onmogelijk betaalde krachten in dienst te nemen om de collectie toegankelijk te maken. Bovendien slaagde het bestuur er niet in adequate huisvesting te vinden om de collectie op te slaan, laat staan tentoon te stellen. Het liefst had de vereniging de collectie ondergebracht in de Stadsschouwburg op het Leidseplein in de hoop met kleine, steeds wisselende exposities de aandacht van de schouwburgbezoekers te trekken. Het plan ging niet door, zodat de verzameling ‘tijdelijk’ – uiteindelijk negen jaar lang – ondergebracht werd op de zolders van de toneelschool.

Vanaf 1933 leidde de collectie een zwervend bestaan in Amsterdam. Ze werd ondergebracht in het Stedelijk Museum; tijdens de oorlog week ze uit naar de lekkende zolders van het museum Willet Holthuysen op de Herengracht; daarna verhuisde ze naar de voormalige koninklijke stallen aan het Singel, die als depot dienden voor de Universiteitsbibliotheek; en daarna ging ze naar een zolder aan Amstel 1. Kortom: veertig jaar was de collectie dolend en nauwelijks zichtbaar.

De ommezwaai kwam in 1957. In dat jaar organiseerde het Fodor Museum (op de plek waar tegenwoordig het Foam huist) de tentoonstelling Amsterdam Theaterstad, die een goede pers kreeg en druk bezocht werd. Bovendien verscheen een alfabetisch en systematisch gerangschikte catalogus met een volledig overzicht van de collectie. Dat was mogelijk door de inspanning van de verzamelaar en eerste (onbetaald) conservator J.M. Coffeng, die uit eigen zak studenten betaalde om de collectie te beschrijven.

Door de lobby en vernieuwde aandacht kwamen er nieuwe schenkingen binnen en was de Gemeente Amsterdam bereid te zoeken naar een oplossing voor het huisvestingsprobleem. Op 28 april 1960 opende het Toneelmuseum op  Herengracht 168 zijn deuren voor het publiek, in het bijzijn van vele acteurs en toneelliefhebbers.

Van toneel naar theater
Veilig genesteld in het monumentale grachtenpand kreeg het Toneelmuseum in de loop der jaren gezelschap van tal van instellingen die iets met de theaterwereld te maken hadden. In 1966 ruimde het museum in het souterrain een plaatsje in voor het Theater Klank en Beeld, dat kort daarvoor was opgericht om werk te maken van het vastleggen van theatervoorstellingen op beeld- er geluidsband.

In 1971 deed de gelegenheid zich voor om van de Vereniging Hendrick de Keyser het voorste gedeelte van nummer 170 – het iconische Huis Bartolotti – te huren. Voortaan konden de boeken en ander materiaal geraadpleegd worden in de twee riante stijlkamers op de begane grond. De eerste verdieping werd ingericht tot documentatieafdeling en toneelstukkenbibliotheek, de tweede tot magazijnruimte.

In 1974 kon het museum wederom uitbreiden door het huren van nummer 166, zodat het Theater Klank en Beeld zijn benarde positie in de kelders kon verlaten. Omdat er nog ruimte over was, verhuisde de Stichting Nederlands Centrum van het Internationaal Theater Instituut (ITI) van Den Haag naar Amsterdam.

Zoals later vaker zou gebeuren bleek de collectie een zwaartekracht uit te oefenen op andere ondersteunende theatertaken. De fusie in 1978 tussen de Vereniging Het Toneelmuseum, Theater Klank en Beeld en het ITI was een logische conclusie van deze ontwikkeling. De jaren van het Nederlands Theater Instituut (NThI) waren de gloriejaren voor het museum en de collectie. Onder leiding van de vorig jaar overleden directeur Eric Alexander groeide en bloeide de collectie door belangrijke aankopen in binnen- en buitenland. Er kwamen discipline-specialisten zodat elke stroming in het theater goed vertegenwoordigd was. Met de komst van Steve Austen (1981) werden succesvolle internationale manifestaties geëntameerd die ook hun weerslag hadden op de collectie.

Een tweede fusie vond plaats in 1992, toen het NthI samen ging met het Nederlands Instituut voor de Dans, het Nederlands Mimecentrum en het Nederlands Poppenspel Instituut tot het Theater Instituut Nederland (TIN).

Het TIN had een brede missie – informatie verstrekken, onderzoek doen, debat initiëren, deskundigheid bevorderen, etc. – maar de collectie leek definitief ondergeschikt te worden aan de sectortaken. Dragan Klaic, sinds 1991 de nieuwe directeur, vond internationale oriëntatie duidelijk veel belangrijker dan het beheren en presenteren van de collectie.

Die collectie werd echter wel te groot voor de inmiddels vijf panden aan de Herengracht en verhuisde grotendeels naar twee modern geoutilleerde depots in Amsterdam Zuid-Oost.

Bezuinigen
In 1998 kreeg het TIN een zeer kritisch advies van de Raad voor Cultuur. ‘De totaalindruk van de Raad is dat het TIN niet goed functioneert en niet goed wordt geleid.’ Rick van de Ploeg, staatsecretaris van Cultuur, besliste dat de subsidie voor het Instituut moest worden teruggebracht van 6,8 naar 5 miljoen gulden per jaar. Het argument van Raad en staatssecretaris was dat de zogenaamde sectoractiviteiten – debatten organiseren, buitenlands beleid en de adviesfunctie voor professionals – niet goed genoeg werden uitgevoerd en in veel gevallen overbodig waren. Het TIN zou zich moeten concentreren op ‘de schatkamer’ – het beheren en ontsluiten van de collectie. Klaic vluchtte naar voren en besloot juist om het Toneelmuseum te sluiten. In het museum waren op dat moment de tentoonstellingen Een huis vol stemmen (de eerste multimedia tentoonstelling, door Orkater) en Koopman in illusies (over Joop van den Ende) te zien, die in totaal 40 duizend bezoekers trokken. Het Theatermuseum moest open blijven, vond Van der Ploeg. ‘Het kan niet zo zijn dat de schat goed bewaard wordt, maar onbenut blijft als bron van tentoonstellingen in het eigen, met dat doel verbouwde huis.’ Klaic werd gedwongen om af te treden en de nieuwe directeur Kees Vuyk deelde de organisatie op in twee afdelingen, waarin de verhouding tussen sectorinstituut en collectie beter werd gewaarborgd.

Opnieuw verweesd

Als in 2008 de ambitieuze Henk Scholten directeur wordt, lanceert hij snel een groots plan voor een museum voor de podiumkunsten in een iconisch gebouw – naar analogie van het dan in aanbouw zijnde filmmuseum Eye. Een eerste beweging is de verkoop van de panden aan de Herengracht, de verhuizing van het instituut naar de Sarphatistraat, waar wel een bibliotheek komt, maar geen tentoonstellingsruimte. Tentoonstellingen worden voortaan georganiseerd in samenwerking met andere musea, zoals Niet omkijken, Orpheus! (2009), over vijftig jaar muziektheater, in Museum de Fundatie in Zwolle.

Maar de plannen van Scholten worden doorkruist door de PVV. Staatssecretaris van cultuur Halbe Zijlstra in het kabinet Rutte I bezuinigt 200 miljoen op cultuur. Om de producerende instellingen enigszins te ontzien, worden in ieder geval de meeste sectorinstituten opgeheven. Het Theater Instituut Nederland sluit definitief op 1 januari 2013. De sectortaken – eerder de drijvende kracht achter de fusies en institutionalisering – worden nu overbodig verklaard en de collectie is het kind dat met het badwater wordt weggegooid. De collectie is ‘verweesd’. De oude stichting TiN is nog eigenaar, maar heeft geen middelen om hem te beheren. Redding wordt gevonden bij de Universiteit van Amsterdam, die zich ontfermt over de collectie en over drie medewerkers. De collecties – die lang verspreid hebben gelegen over Herengracht, Sarphatistraat en depots in Amsterdam Zuid-Oost, verhuizen naar een depot van de Universiteitsbibliotheek bij het AMC. Voor het eerst in negentig jaar zijn alle collecties weer bij elkaar. Dit wordt via een omweg betaald door het TIN zelf: de opbrengst van de verkoop van de Herengrachtpanden stond gereserveerd voor investering in Scholtens podiumkunstenmuseum, maar wordt geconfisqueerd door het Ministerie van OCW en in tien jaar aan de UvA uitbetaald om de collectie te behouden.

In deze jaren moeten er vanwege de zeer beperkte menskracht strenge prioriteiten gesteld worden. Service aan gebruikers en het verzamelen van theaterdata en collectie blijven fier overeind. Na een intense lobby krijgt de collectie in 2019 en 2020 tijdelijke middelen van het Ministerie om de collectie te beheren en de toezegging dat er vanaf 2021 ruimte gemaakt wordt in de Basisinfrastructuur.

Data- en verzamelbeleid
Zoals uit deze geschiedenis blijkt, is het allemaal begonnen met het op de markt komen van een particuliere theater (toneel)verzameling. Het heeft lang geduurd eer deze collectie ontsloten werd en in de eerste jaren van het Toneelmuseum werden er ook voornamelijk objecten (tekeningen, affiches en schilderijen) verzameld van het Toneel met een grote T. Door de fusie met het Instituut voor de Dans, Klank en Beeld en het oprichten van een Kleinkunstafdeling werd er breder verzameld en kwamen ook archieven, bladmuziek en poppen de collectie binnen. Er werd vooral per deelcollectie of per discipline verzameld.

Met de start van de Theaterjaarboeken (1952) werden de data van Nederlandse premières verzameld. Met de introductie van de ICT (1982) konden deze data gekoppeld worden aan de collectie en vervolgens op het internet worden getoond (2004).

Dit is een zeer belangrijke stap geweest in het verzamel- en collectiebeleid van het instituut. Niet alleen werden voorstellingen gekoppeld aan materialen, ook theatermakers werden op deze wijze zichtbaar door de hele collectie.

Er worden nog steeds dagelijks voorstellingen toegevoegd aan de ruim 100 duizend voorstellingen en daarmee is deze database zelf ook een belangrijke collectie geworden waarvan de data door diverse onderzoekers gebruikt worden.

De collectie heeft als doel om kunstenaars, onderzoekers en belangstellenden van de toekomst een beeld te geven van het huidige theater. De collectie is echter – zoals die van vele musea in Nederland – onevenwichtig. Het TIN liet zich in het verleden soms te veel leiden door de schenkingen die binnenkwamen zonder vooraf vast te stellen of het aangeboden materiaal in het belang van de collectie was. Daarnaast is er door tijds- en personeelsgebrek te weinig pro-actief verzameld en was het verzamelen afhankelijk van het inzicht van de individuele medewerker.

Het TIN had bovendien ‘last’ van de steeds wisselende inzichten wat het moest doen. Na Eric Alexander, de eerste directeur van het Toneelmuseum, heeft het TIN nooit meer een ‘museum’-directeur gehad. Pas eind van de vorige eeuw werd het collectiemanagement professioneler. De eerste acquisitienota van het TIN verscheen in 1993 en het eerste collectieplan in 2003. Hierin wordt beleid geformuleerd voor het immer groeiende aanbod aan voorstellingen. Van alle voorstellingen worden de gegevens opgenomen in de productiedatabase, maar verzamelen van materiaal over al die producties is onmogelijk. In het collectieplan werd de Theater Collectie Selectie geïntroduceerd; een externe commissie van deskundigen bepaalt de 100 meest representatieve voorstellingen van het afgelopen seizoen en daar werden en worden actief een affiche, een video en een set foto’s van verzameld – een werkwijze die door verschillende instanties als good practice wordt beoordeeld. Toch blijft het heel lastig om dat materiaal te verwerven van de makers en gezelschappen.

Dagelijks moeten de medewerkers besluiten wat, hoe en waarom we data en collectie verwerven, beschrijven en bewaren. En dit op zodanige wijze dat onze opvolgers over honderd jaar kunnen zeggen dat de theater collectie een representatief en evenwichtig beeld geeft van alle facetten van het Nederlands theater.

De collectie heeft een moeilijke tijd achter de rug, maar net als in de jaren vijftig ligt met veel inzet van gepassioneerde medewerkers en een klein beetje hulp van de overheid een nieuwe bloeiperiode in het verschiet. Anders dan toen zoeken we het succes van de collectie niet in het betrekken van nieuwe panden of in het fuseren tot grote instituten. Eerder gaan we terug naar Rinse, Hartman en Coffeng en streven we naar het wekken van belangstelling en inspiratie bij studenten, wetenschappers, journalisten en theatermakers. In hún gebruik, onderzoek en interpretatie van de collectie ligt de toekomst.