We eten taart. We delen een herinnering. We zitten in een cirkel. We doen mee met een spelshow. De interactie die de makers van sociaal-artistieke werk opzoeken met hun publiek, is een inhoudelijke dramaturgische keuze. Je bent geen buitenstaander meer, geen anonieme toeschouwer in een zwart gat, je verbindt je.

En dan.

Je hebt meegelopen bij een buurthuis, een inloophuis of opvangplek. Je kookte mee, je werkte mee. Je praatte veel en luisterde nog meer. Je hebt kilometers afgelegd en liters koffie gedronken. En steeds deelden mensen hun verhalen met jou, over leven, liefde, dood, kinderen, afscheid, vluchten, eenzaamheid.

En dan?

Dan maak je theater. Je vertaalt dat hele sociale proces van weken en maanden, naar een artistiek eindresultaat van pakweg vijf kwartier. Je bepaalt een kern, schrijft een tekst, ontwerpt een vorm. Je laat dierbaar materiaal los, je neemt vrijheid als dat beter is voor de vertelling. Je nodigt onervaren en/of professionele spelers uit op de vloer. Je plaatst het publiek voor, op of rondom die vloer.

In de afgelopen maanden bezocht ik ruim tien voorstellingen in het sociaal-artistieke werkveld, door het hele land. Met de bedoeling om juist dat artistieke eindproduct te verkennen. Wat wordt er gemáákt? Met wie en waar? Welke dramaturgische strategieën worden er toegepast in de vertaling van het sociale naar het artistieke? Om dat persoonlijke verhaal op te tillen naar een gedeeld verhaal?

In 2022-2023 kreeg ik als docent bij Fontys Academy of the Arts ruimte om een verkennend onderzoek te doen naar sociaal-artistiek theater. Verkennend, omdat ik vooral de tijd nam om mijn ogen en oren goed de kost te geven. Ik zag voorstellingen, ik sprak makers en stelde een reader voor studenten samen. In mijn gesprekken met de makers van toen stonden we vooral stil bij hoe een project begon en hoe ze de vertaalslag naar theater maakten. Ik schreef over het sociale proces, het artistieke proces en over het artistieke eindresultaat.

Dat onderzoek eindigde, zoals een onderzoek betaamt, met nieuwe vragen en open eindjes. Een van die open eindjes had de vorm van een gekrabbeld lijstje in een volgeschreven schriftje:

Narratieve strategieën

– de casus
– de diamant
– het beeld
– de ontmoeting

Want in de brede reikwijdte aan vormen, onderwerpen, plekken en spelers die ik zag, meende ik een aantal dramaturgische strategieën te herkennen. In het docentenonderzoek was geen ruimte meer om die gedachte verder uit te werken. Voor dit nummer van Theaterkrant Magazine mag dat kladje terug op m’n bureau.

1. De Casus

Je hebt een grote berg aan informatie en een schat aan verhalen. Tientallen mensen hebben hun kennis en ervaring met je gedeeld in je onderzoek naar een bepaald onderzoek. Hoe kom je van het ‘documentaire’ domein van feitelijke en persoonlijke informatie, naar het theatrale domein waar het ook je taak is om het publiek te boeien? Om een verhaal te vertellen en geen rapportage voor te lezen of een college te geven? In een aantal voorstellingen is dan ook gekozen voor de casus: één anekdote, gedestilleerd uit en gebaseerd op het onderzoek, dat exemplarisch is voor het vraagstuk.

Zo is in Denkend aan Holland van Wat We Doen het verhaal van hoofdpersoon Semmier Kariem (George Tobal) de rode draad. Hij vertelt over zijn komst naar Nederland, het krijgen van een verblijfsvergunning en appartement, over het betrekken van een nieuwe woning en over het zoeken naar verbinding, naar vrienden eigenlijk. Het is enerzijds een heel specifiek verhaal van één fictief personage. Maar het proces van dat personage, en daarmee de narratieve structuur van de voorstelling, is gebaseerd op allerlei gesprekken met betrokkenen in dit vraagstuk. De anekdote van Semmier staat daarmee symbool voor een herkenbaar en universeel menselijk gegeven: het landen in een nieuwe gemeenschap, een poging om aansluiting te vinden en de eenzaamheid als gemene deler voor deze groep.

Verloren Jeugd van Rotterdams Wijktheater is gebaseerd op vele gesprekken met kinderen die slachtoffer zijn geworden van de toeslagenaffaire. Deze ervaringsdeskundigen deelden hun verhaal, maar wilden zelf niet meespelen in de voorstelling. Vanuit hun verhalen werd een raamwerk geconstrueerd rondom een fictieve casus van twee zussen en één broer en hoe de toeslagenaffaire dat gezin uit elkaar trekt.

In Uitgewoond van Parels voor de Zwijnen gaan feit en fictie een gelaagde wisselwerking aan. De voorstelling speelde in verschillende buurthuizen in Amsterdam, waar het publiek hartelijk wordt ontvangen door Magda en Berend (Nanette Edens en Evert van der Meulen). Nu zij gaan verhuizen naar Frankrijk, komt hun huis aan de Nieuwendammerdijk vrij. Een dergelijk huis leeg laten staan, dat krijgen ze natuurlijk niet over hun hart, zeker niet in deze krappe woningmarkt. Idealistisch als ze zijn, gunnen ze dit huis aan een fijne huurder. Maar hoe kies je wie er in het huis mag wonen? Magda en Berend besluiten het op een vrolijke manier aan te pakken: ze organiseren een superleuk spel met vier deelnemers. Wie het spel wint, mag in het huis wonen.

De deelnemers zijn Marijke (een vrouw of leeftijd die na het overlijden van haar man in de financiële problemen is gekomen en niet meer in hun huis kan blijven), Natasja (die noodgedwongen bij haar man is weggegaan en al tijden op straat leeft) Mohammed (op straat terecht gekomen en van  Berend al een plek gekregen in het tuinhuis) en Stien (werkt fulltime, woont bij haar moeder voor wie ze ook mantelzorger is, geen zicht op een plek voor zichzelf). Voor ieder van hen zou het huis van Magda en Berend een weg uit de problemen zijn. Deze fictieve anekdote, deels gespeeld door professioneel opgeleide acteurs, is  een kapstok voor de waargebeurde verhalen van de drie ervaringsdeskundigen Marijke, Natasja en Mohammed.

Voorstellingen als Denkend aan Holland, Verloren Jeugd en Uitgewoond bewegen zich op het grensvlak van feit en fictie. Documentaire research via interviews met tal van betrokkenen is vertaald naar een fictief raamwerk, waarbij de anekdote een motor is voor de vertelling en een houvast voor het publiek. Het brengt een groot vraagstuk naar een meer persoonlijk en invoelbaar niveau: wat doet het met een mens als…

Voor als je doodgaat (2024) van Hanna Timmers en Het NUT vormgeving Gerbrand Bos elektronica Tom Brinkkemper foto Sjoerd Derine

2. Kaleidoscoop

Bij Uitgewoond gebeurt er vervolgens nog iets anders. Halverwege de spelshow staat de dochter van Magda en Berend op uit het publiek en zet het hele initiatief op z’n kop. Vanaf dat moment verschuift de focus van de voorstelling naar de verschillende belangen die spelen in het vraagstuk en de weeffouten in het systeem waar we allemaal de dupe van zijn. De hypocrisie van Magda en Berend wordt blootgelegd, maar ook die van de dochter.

Dat maakt van Uitgewoond een vertelling die de toeschouwer op verschillende niveaus aanspreekt. Via het hart en via het hoofd. Je leeft mee met de persoonlijke ervaringen van ervaringsdeskundigen Marijke, Natasja en Mohammed. Tegelijkertijd ontstaat er een gelaagd geheel door de discussies tussen de verschillende personages waardoor de complexiteit van het onderwerp goed over het voetlicht komt.

Rianne Meboer ging voor Doolhof in je hoofd met verschillende mensen in gesprek over personen met onbegrepen gedrag, van ervaringsdeskundige tot burgemeester. Deze research heeft ze vertaald naar een intieme, interactieve performance, waarbij de eerste helft voornamelijk bestaat uit een aantal monologen. Die wordt gespeeld door een ervaringsdeskundige; zijn tekst en spel nemen ons mee in zijn blik op de wereld. Wat hij zei en voelde in de periode dat hij eigenlijk verdronk. De monologen die volgen worden gespeeld door actrice Renée de Graaff. Ze schakelt van bedachtzame burgemeester naar pragmatische politieagent, betrokken hulpverlener, twijfelende buurvrouw en liefdevolle dochter. Elk personage heeft een eigen kleur in tekst en in spel. Zo worden we meegenomen in verschillende overwegingen en perspectieven. Het maakt dat je eigen blik als toeschouwer op ‘de verwarde persoon’ steeds een extra laag krijgt.

Er komt, bij het zien van dit soort voorstellingen, steeds een zinnetje in me op.  ‘Hij nuanceert met zijn verstand – de waarheid tot een diamant – die steeds van kleur verandert, als je anders kijkt’. Het komt uit een liedje waarin Harrie Jekkers zijn dertigjarige ik, die vol twijfels zit, bezingt. Voorstellingen als Uitgewoond en Doolhof in je hoofd werken voor mij als een diamant. Alsof ik door een kaleidoscoop naar een onderwerp heb gekeken. De afzonderlijke kleurtjes van de verschillende perspectieven vormen samen een nieuw, gelaagd beeld.

In Voor als je dood bent van Hanna Timmers bij het NUT zitten we met ongeveer twintig mensen aan vier zijden van het speelvlak. In het midden staat de installatie die vormgever Gerbrand Bos maakte op basis van alle gesprekken die Timmers voerde over afscheid nemen en sterven. Die installatie heeft iets weg van een poppenhuis. Er zijn verschillende kamers en deurtjes, laatjes en vakjes. Al die kamers en al die laatjes zijn een zorgvuldig vormgegeven vertaalslag van het relaas van een geïnterviewde.

In de ruimte rondom die installatie neemt Timmers ons mee langs al die verhalen rond de dood. Want hoe doe je dat eigenlijk, sterven, afscheid nemen? Het is een montage-achtige vertelling met Timmers als verteller. In haar openheid en nieuwsgierigheid neemt ze ons schijnbaar moeiteloos mee van verhaal naar verhaal. Van de ‘rechtvaardige’ dood door ouderdom of ziekte naar de ‘onrechtvaardige’ dood van een zoon of een jonge vader. Met het zinnetje ‘Pappa, pak je de maan voor me’ zitten we allemaal met een brok in onze keel.

En dan… is er taart. Hanna Timmers tovert, zo lijkt het, een mokkataart tevoorschijn van achter een gordijn en vraagt een van de toeschouwers deze zo aan te snijden dat we allemaal een stukje hebben. Er klinkt gegniffel aan het publiek. Een taart aansnijden is altijd een hachelijke onderneming. De aangesproken toeschouwer stort zich zorgvuldig op haar taart en we nemen allemaal ons stuk dankbaar in ontvangst. We eten samen even in stilte.

Uit de veelheid van verhalen destilleert Timmers 88 praktische handvatten bij sterven. Zorg voor een krukje naast het sterfbed. Breng soep, maar bel niet aan. Schrijf op wat jij belangrijk vindt voor je afscheid én laat een dierbare weten waar dat wat-als-boekje ligt. Het is een optelsom van afzonderlijke verhalen die tezamen een groter verhaal vertellen over medemenselijkheid in het sterven en dat deze twintig mensen op deze avond even dichterbij elkaar brengt.

In de eerste strategie, waarbij voorstellingen worden opgebouwd rondom De Casus, wordt een groter maatschappelijk verhaal gevat in een biografische lijn, zoals dat van Semmier en Jeffrey, of in een anekdotische kapstok zoals Verloren Jeugden Uitgewoond. Een groot vraagstuk wordt teruggebracht naar een ‘kleiner’ verhaal, een verhaal dat wél te bevatten is, van mens tot mens.

Bij De Kaleidoscoop is sprake van een omgekeerde beweging: verschillende ‘kleine’ verhalen worden samengebracht in een mozaïek-vertelling. Ze vormen samen een optelsom waarbij ze het persoonlijke overstijgen en samen een universeel, menselijk verhaal vertellen, over afscheid, ziekte, maatschappij. Alsof er steeds een nieuwe laag wordt aangebracht. Of een nieuw kleurtje in de kaleidoscoop.

Kron*Kel (2025) van Theatergroep Hersenkronkels en het Rotterdams Wijktheater concept en regie Terry Brochard foto Florian Braakman

3. Het Beeld

Kron*kel van de Rotterdamse theatergroep Hersenkronkels in regie van Terry Brochard is een voorstelling over de kunst van het leven met kronkels in je hoofd. De groep bestaat uit elf spelers  die ieder een vorm van niet-aangeboren hersenletsel hebben. Bijvoorbeeld door een ongeluk of door een aandoening. In ieder geval doen de hersenen bij deze elf mensen niet meer wat ze zouden moeten doen.

In de vormgeving is de black box van de vlakkevloerzaal de basis. Op de vloer staan een aantal witte blokken in verschillende hoogtes. Ze dienen als zitplek maar ook als zuil om voorwerpen op te zetten. Het doet denken aan een museumzaal. De voorstelling zelf is een montage van beelden, beweging en teksten. In de teksten delen de verschillende spelers iets van hun eigen verhaal. Ook hier vormt De Kaleidoscoop een basis om de persoonlijke verhalen samen te brengen.

In de opbouw volgt de voorstelling het proces dat de spelers zelf hebben doorgemaakt van het rouwen om de persoon die je was naar het omarmen van je nieuwe ik. Kron*kel eindigt met een vreugde en liefde voor het leven die ontroerend is.

In de beelden en de beweging heeft maker Brochard  een abstrahering toegepast die de teksten van de spelers op een prettige manier aanvult. Er zijn maskers en handpoppen gemaakt die een poëtische en vervreemdende verbeelding zijn van het gevoel jezelf niet te herkennen door de kronkels in het hoofd.

Een dergelijke theatraliteit is ook toegepast in Straatvacht, een onderzoekspresentatie van Gerbrand Bos bij Frascati in samenwerking met De Regenboog Groep. Met een aantal spelers in een thuisloze situatie maakte hij een performance waarbij kleding in de vormgeving een beeldende en inhoudelijke laag vormde. Inhoudelijk want kleding biedt bescherming en beschutting als je op straat leeft, het maakt of je je wel of niet mens voelt door te kiezen wat je draagt, dat je je eigenheid erin kunt laten zien. Een manier om jezelf te zijn of juist om jezelf te verstoppen. En het is soms alles wat je hebt.

Op de vloer staat dan ook een kledingrek, maar ook een aantal stoelen. Over die stoelen hangen jassen en in die jassen zijn raampjes verwerkt met lichtjes erachter. Het beeld roept allerlei associaties op. Het deed mij denken aan de grachtenpanden en hoe het moet voelen om daar ’s avonds langs te lopen en overal de lichten te zien branden.

In voorstellingen als Straatvacht en kron*kel staan ervaringsdeskundigen op de vloer, ze delen (een deel van) hun levensverhaal. De maker zorgt voor een narratieve strategie zoals De Kaleidoscoop of De Casus, waar die verhalen een goede inbedding vinden. De spelers staan als verteller sterk in hun schoenen, houden regie en eigenaarschap over hun eigen verhaal. Je mag zo dichtbij hun kwetsbaarheid en hun kracht komen en dat verbindt ons op een diep-menselijk niveau met elkaar.

Maar dat kan alleen als een dergelijke voorstelling het ‘therapeutische’ of ‘sentimentele’ kan overstijgen. Daarbij speelt Het Beeld een belangrijke rol. Zowel bij Straatvacht als bij kron*kel voegen de abstracte en poëtische beelden een waardevolle laag toe aan de schrijnende persoonlijke vertelling. Zowel voor de spelers als voor de toeschouwers. Voor de spelers geeft Het Beeld de ruimte om hun persoonlijke verhaal vorm te geven. Daardoor ontstaat er juist wat afstand tot het kwetsbare. Het geeft de makers tools om het ‘therapeutische’ in een vorm te vertalen die werkt voor het publiek, en het geeft de spelers tools om regie te houden hun eigen verhaal. Voor de toeschouwers maakt Het Beeld de binnenwereld van deze spelers op een meer associatieve manier invoelbaar. Het geeft ruimte aan verbeelding, associaties en poëzie en daarmee ruimte aan de universele menselijke waarde die juist onder die persoonlijke verhalen ligt. De kwetsbaarheid maakt dat ik dichtbij het mag komen en geraakt kan worden door het specifieke verhaal, de theatraliteit maakt dat ik kan uitzoomen en geraakt kan worden door het grotere menselijke: liefde, eenzaamheid, levenslust, verlies.

4. De Ontmoeting 

We eten taart. We doen mee met een spelshow. We delen een herinnering. We zitten in een cirkel. Meer dan eens werd ik als toeschouwer betrokken in de voorstelling, ik maakte actief onderdeel uit door vragen te beantwoorden, in gesprek te gaan met de persoon naast me of zelfs als moeder van een personage een brief voor te lezen. In de sociaal-artistieke voorstellingen die ik bezocht werd het sociale van het onderzoek en maakproces doorgetrokken in het artistieke eindresultaat. Alleen al door de publieksopstelling: ik zat vaker rondom een speelvlak dan op een reguliere tribune.

De interactie die de makers van deze voorstellingen opzoeken met het publiek is een inhoudelijke dramaturgische keuze. Door ons in Uitgewoond te verbinden aan een van de deelnemers, zijn we onderdeel van de spelshow, maar daarmee verbinden we ons ook aan het systeem: in dit geval het systeem van Magda en Berend. De interventie van de dochter stelt dat systeem vervolgens ter discussie. Uitgewoond is Kaleidoscoop én Casus tegelijk en maakt ons bovendien medeverantwoordelijk. Hoe help ik mijn deelnemer verder? Op hoeveel vierkante meter woon ik eigenlijk? En kan ik echt geen kamer vrijmaken voor een woningzoekende?

Dat Doolhof in je hoofd van Rianne Meboer zo binnen zou komen, hadden de dames naast me niet helemaal voorzien. De ene werkt bij de gemeente en heeft vanuit die rol dagelijks met het onderwerp te maken. Ze is met een vriendin. Die blijkt jarenlang mantelzorger te zijn geweest voor iemand die manisch-depressief is. Terwijl ze een zakdoekje pakt, vertelt ze dat ze meer een ‘gewone’ voorstelling had verwacht. Zo één waar je in het donker zit en kijkt naar acteurs.

Doolhof in je hoofd is inderdaad geen theatervoorstelling in de klassieke zin van het woord. We zitten in een cirkel van twee rijen stoelen. Een cirkel die wordt omvat door doeken, alsof we even met elkaar een kleine, afgesloten wereld vormen. Het licht blijft aan. We zien elkaar. Rianne Meboer noemt haar voorstelling Doolhof in je hoofd dan ook geen voorstelling maar een theatraal gesprek. De voorstelling is wat haar betreft een startpunt om het begrip voor en de hulp aan mensen met onbegrepen gedrag te verbeteren. En dat moeten we samen doen.

De monologen worden afgewisseld met een aantal participatieve momenten, zoals schrijfmomenten en vragen aan het publiek. De voorstelling verschuift gaandeweg organisch van het theatrale zenden naar uitwisseling. Meboer laat het publiek de stoelen omdraaien en schuiven, zodat we in kleine groepjes met elkaar in gesprek gaan. De monologen hebben ons inzicht gegeven in de complexiteit van het vraagstuk. De gesprekken laten ons gezamenlijk reflecteren op wat er anders zou moeten en kunnen.

Het creëren van (ruimte voor) ontmoetingen is bij deze voorstellingen een wezenlijk onderdeel van de dramaturgie. Je bent geen buitenstaander meer, je maakt deel uit van een collectieve ervaring. Ik ben geen anonieme toeschouwer in een zwart gat, maar ik verbind me.

In De Casus verbind ik me aan de persoonlijke verhalen die een groot onderwerp invoelbaar maken. In De Kaleidoscoop laat ik mijn blik verrijken met perspectieven waar ik eerder niet bij stil stond. Door Het Beeld ontstaat er ruimte voor mijn verbeelding. De Ontmoeting doet een beroep op je verantwoordelijkheid en aanwezigheid als medemens.

En natuurlijk lopen al die strategieën door elkaar. Sterker nog, in bovengenoemde voorstellingen is sprake van meerdere strategieën die elkaar versterken. En natuurlijk zijn er die nog níet aan bod zijn gekomen. Er ligt opnieuw een gekrabbeld lijstje in een volgeschreven schriftje op mijn bureau met daarop De Route, De Schoenen, De Maker en Het Werkbezoek. Er valt dus nog volop te ontdekken in de rijke dramaturgie van sociaal-artistiek theater.

Foto bovenaan: Uitgewoond (2024) van Parels voor de Zwijnen concept en regie Saskia Huybrechtse vormgeving Esther Eveline Sloots foto Marlise Steeman

Dossiers

Theaterkrant Magazine juni 2026

Plaats reactie

Reacties moeten voldoen aan onze huisregels.

Uw e-mail adres zal niet gepubliceerd worden. Alle velden zijn verplicht.