In dit Theaterjaarboek onderzoeken we de grenzen van wat we theater noemen. De definities van die het veld daarvoor nu hanteert, hangen voor een belangrijk deel samen met de database die in de loop der jaren door het voormalige Theaterinstituut is opgebouwd. Met welke visie en hoe is dat eigenlijk gebeurd?

Inleiding

De database Producties van het voormalige Theater Instituut Nederland (hierna TIN)is sinds 2013 in beheer van UvA Bijzondere Collecties. De historische database met gegevens over theater- en dansproducties in Nederland van professionele Nederlandse en buitenlandse producenten en gezelschappen omvat de gegevens van vrijwel alle producties van 1940 tot heden. De meer dan honderdduizend producties zijn vrij doorzoekbaar op www.tin.nl en worden dagelijks aangevuld.

Het TIN houdt al vanaf 1952 de gegevens bij van alle professionele theatervoorstellingen die in Nederland worden opgevoerd. Vanaf 1982 worden deze gegevens digitaal verwerkt en vanaf maart 2004 is deze database ook online beschikbaar (Web-Opac). Deze Adlib-database is open acces en een unieke bron voor zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek.

De database is zowel een ontsluiting van de erfgoed- en mediatheekcollectie van het TIN, als voeding voor andere websites zoals de Theaterencyclopedie en Theaterkrant.nl. Vanaf 2007 beschrijft het TIN de database niet alleen als een informatieproduct maar als een topstuk op zich. Gegevens helpen onderzoekers bij het vaststellen van trends in het theater en curricula van individuele podiumkunstenaars. Centraal Bureau voor de Statistiek, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Boekmanstichting maken of maakten gebruik van haar gegevens.

Geschiedenis

De ontstaansgeschiedenis van de database ligt bij de bibliotheek (later mediatheek) van het Toneelmuseum aan de Herengracht 168 in de jaren zestig. Als nieuw documentatiecentrum over het theaterveld werden daar informatie, persberichten, brochures et cetera van het actuele en de afgelopen seizoenen bewaard en ontsloten.

De jaarlijkse uitgave van het Theaterjaarboek, een gebundeld en geïndexeerd overzicht van alle producties op de Nederlandse podia werd de motor achter het verzamelen van de gegevens. In de loop der jaren ontwikkelde zich een Theaterjaarboekformulier, bedoeld voor producenten, zodat zij hun gegevens overzichtelijk konden invullen en overdragen. Maandelijks gingen er honderden brieven uit met het verzoek om gegevens en materiaal aan te leveren.

Vanaf 1981 werden deze seizoensgegevens niet meer toegevoegd aan de handgeschreven kaartenbakfiches maar ingevoerd in een speciaal hiervoor door Carolyn Wever, Michiel Buchel en David Computer Systemen ontwikkelde database: de Theater Databank. In deze eerste automatiseringsslag wordt nog opgetrokken met het Shaffy Theater; het kassasysteem van dit Amsterdamse theater moet immers ook gevoed worden met dezelfde voorstellingsinformatie. De zoektocht naar synergie met de kassasystemen blijft in de jaarverslagen en plannen terugkomen, maar is tot op heden niet gevonden.

Voorstellingsgegevens van de verschillende afdelingen binnen het Instituut worden samengevoegd en volgens een gedeelde trefwoordensystematiek ontsloten. Dat betekent een enorme efficiëntieslag bij het produceren van het Theaterjaarboek: in 1986 kan de informatie via diskettes aan de zetter worden aangeleverd. Bovendien werden de gegevens toegankelijk gemaakt voor de gebruikers van de Mediatheek door middel van een uitdraai op kettingpapier. Later werd deze data omgezet in een voor het TIN aangepaste versie van het bibliotheekcatalogus-programma Adlib. Vanaf 1987 wordt ook de data van de latere fusiepartners het Nederlands Instituut voor de Dans en het Nederlands Mime Centrum opgenomen. Op basis van materiaal uit de collectie worden ook retrospectief voorstellingen toegevoegd.

De hoeveelheid producties is in de loop der jaren enorm toegenomen (zie illustratie), tot 2009 top jaar bijna tweeduizend voorstellingen per jaar.

(Tekst gaat verder onder de grafiek)

Beschrijving gegevens

In de database worden gegevens van podiumkunstenproducties in alle vormen opgenomen: toneel, dans, poppenspel, cabaret, muziektheater, jeugdtheater, mime, opera, goochelen, circus en kermis. Voorwaarden zijn dat een productie gemaakt is door/met medewerking van professionele makers en vertolkers en in Nederland is gespeeld.

Van deze producties worden de volgende data opgenomen: een unieke productiecode , de (oorspronkelijke) titel, werktitels en koepeltitels van de productie, producent(en)/gezelschap(pen), premièredatum, -zaal of –locatie, credits (de personen en organisaties die voor en achter de schermen artistiek betrokken zijn bij de totstandkoming van de productie), functies, rollen, festivalgegevens en aanwezig materiaal of koppelingen naar databasebeschrijvingen daarvan.

In de omschrijvingen van het genre of de discipline van de productie wordt de kwalificatie van de makers gevolgd. De data zijn harde feiten en worden zonder interpretatie en neutraal ingevoerd. De ontsluiting (op onderwerp, disciplines, trefwoorden en genres) is tot een paar trefwoorden beperkt en er wordt gewerkt met vaste, gecontroleerde trefwoorden, locaties en namen. De criteria en definities zijn niet statisch en zijn in de afgelopen decennia een paar keer bijgesteld, meebewegend met de ontwikkelingen in het theaterveld. Zo is onder invloed van het grotere belang van het zomerseizoen de start van een nieuwe seizoen verplaatst van 1 september naar 1 augustus; waardoor bijvoorbeeld de vele premières op Theaterfestival Boulevard bij het nieuwe seizoen horen.

Op dit moment zijn de criteria voor opname:

– De productie wordt uitgebracht door een door OCW-gesubsidieerd of door het Fonds Podiumkunsten ondersteund gezelschap/producent.

Of: De meerderheid van de uitvoerenden is professioneel geschoold en afgestudeerd aan een van de rijkserkende uitvoerende theater-, musical-, mime- of dansopleidingen.

Of: Het uitvoeren van theater of dans is het hoofdberoep van de meerderheid van de uitvoerenden.

Of: De productie wordt in het komende kwartaal meer dan twintig keer uitgevoerd (speellijst) als openbaar toegankelijke voorstelling.

Of: De productie is te zien op meer dan twee grote gesubsidieerde festivals en/of Het Nederlands Theaterfestival.

Of: De productie is een afstudeerproductie geproduceerd door een van de rijkserkende theater-, musical-, mime- of dansopleidingen.

Producties waarbij hoofdzakelijk wordt gezongen en slechts een klein deel van het getoonde bestaat uit acteren of dansen (bijvoorbeeld theaterconcerten, flamencovoorstellingen, meezingconcerten etc.) of voorstellingen waarin niet wordt geacteerd (zoals vertelvoorstellingen of voordrachten) zijn uitgesloten.

Maar community arts-projecten of amateurvoorstellingen kunnen wel worden opgenomen als ze bijvoorbeeld een hoog aantal speelbeurten kennen, geprogrammeerd worden op toonaangevende festivals, ondersteund worden door overheidsfondsen, of als de medewerkers weliswaar vrijwillig, maar wel gediplomeerd zijn.

Beschrijving invoersystematiek en controle protocollen

De data van de actuele producties worden tot 2008 actief verworven met voornoemd Theaterjaarboekformulier. Vanaf 2008 verandert het Jaarboek van redactionele opzet en wordt van een papieren vertaling van de database afgezien.

Aan de hand van programmaboekjes, mailings, speellijsten, theateragenda’s en later websites worden gegevens ingevoerd door een team onder leiding van Bianca de Waal. Als met de loop der tijd de online-beschikbaarheid van data toeneemt, gaat de eerste signalering in de eerste plaats via de websites van de producenten in plaats van de papieren seizoenbrochures. Het papieren spoor en (vroeger vanzelfsprekend) onderliggende materiaal verdwijnt bij veel voorstellingen.

Met de overgang naar de nieuwe standaard versie van Adlib (2008) worden invoerinstructies, handleidingen en tabellen verder gestandaardiseerd en aangescherpt. De hele personen- en zalen-database wordt gecontroleerd, pseudoniemen en verschillende schrijfwijzen samengevoegd.

Per 2013 wordt het TIN opgeheven in de hevige cultuurbezuinigingen. Er is geen structurele mankracht meer voor data-invoer. Nadat in 2013 een proef met online aanvoer door de gezelschappen is afgeblazen, wordt er in 2016 een stabiele samenwerkingspartner gevonden in Theaterkrant.nl. Eva van der Weerd voert de gegevens uit de premièredatabase van Theaterkrant.nl in in Adlib, waarna die gegevens door informatiespecialist Gonneke Janssen bij Bijzondere Collecties worden gecontroleerd.

Première of productiedatabase?

In de database worden alleen medewerkers van de first cast opgenomen, dat wil zeggen de medewerkers die op de première spelen. Vervangers, understudies, swings en second cast worden niet bijgehouden of opgenomen.

Hoewel de database ook door het TIN zelf vaak de premièredatabase wordt genoemd, is die titel is niet onproblematisch. Gezelschappen hielden vroeger zowel een Haagse, Rotterdamse en Amsterdamse première, andere makers gaan nooit in première om zo te benadrukken dat hun voorstelling work in progress is. Producties krijgen dan de eerst bekende datum als premièredatum toegewezen of de eerste van die maand of van het seizoen. Op die manier lijkt de zomerdag 1 augustus vertekend Nederlands favoriete premièredag. De database geeft in de eerste plaats informatie over de theaterproducties, de artistieke titels, en premièregegevens zijn daar een eigenschap van.

Bij opera en ballet wordt lang repertoire gehouden. Zo brengt het Nationale Ballet stukken die reeds bij de oprichting in 1961 (en bij de voorgangers daarvoor) op het repertoire stonden. Hoewel er soms sprake is van een compleet nieuwe instudering wordt lang niet altijd aan een herziene versie een première gewijd, hoewel de oorspronkelijke choreografen en regisseurs zelf (soms ingrijpende) veranderingen aanbrengen. De ontwikkeling van deze voorstellingen is wel via verzamelde documentatie te achterhalen, maar komt niet direct uit de premièrestatistieken naar voren.

TCS

Deze database is de basis van waaruit selecties gemaakt worden voor de Theatercollectie Selectie (TCS). Met de enorme toename van het aanbod werd het onmogelijk over al deze producties materiaal te verzamelen en bewaren. Het gevolg was dat in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw vooral video’s, foto’s, affiches, kostuums, maquettes en programmaboekjes in de collectie werden opgenomen van producties van de gezelschappen of ontwerpers die het meest trouw waren in het opsturen van materiaal, waardoor de collectie minder representatief werd.

Sinds 2003 wordt daarom door een deskundige adviescommissie aan het eind van het seizoen een selectie gemaakt van zo’n honderd representatieve producties. Tien tot vijftien leden die vanuit hun functie veel voorstellingen zien en wetenschappers van de UvA met theaterinhoudelijke kennis maken een evenredige keuze van producties naar discipline, bezien over het gehele aanbod van dat betreffende seizoen. Wordt er bijvoorbeeld in een seizoen relatief veel dans geproduceerd, dan wordt er meer dans geselecteerd. De gekozen producties hoeven niet noodzakelijk ‘de beste’ voorstelling te zijn, het kan ook een productie zijn die een belangrijke maatschappelijk thema had, of een voorstelling met een lange repertoiregeschiedenis (bijvoorbeeld een Gijsbrecht van Aemstel). De selectie wordt jaarlijks aangevuld met producties waaraan belangrijke prijzen zijn toegekend.

Alleen de makers van geselecteerde producties worden benaderd met het verzoek materiaal aan de collectie af te staan. Eens in de vijf jaar worden de Collectie Selecties doorgenomen om belangrijke scenografieën te selecteren waarvan kostuums, maquette en ontwerpen worden verzameld. Eens in de tien jaar worden de selecties tegen het licht gehouden op blinde vlekken en gemiste trends.

Deze wijze van verzamelen werd door de visitatiecommissie sectorinstituten in 2011 aangemerkt als best practice. Maar sinds de sluiting van het TIN in 2012 heeft de collectie geen mankracht meer om doorlopend systematisch te verzamelen en te ontsluiten; wel wordt ieder jaar de TCS vastgesteld. Tijdens het Nederlands Theater Festival 2018 organiseerden Werkgroep NIT en Nieuwe Grond een Ontmoetingspunt Nederlands Theatergeheugen waar materiaal van tientallen voorstellingen is afgegeven. Deze affiches, flyers, foto’s en registraties zijn opgenomen in de verzameling theatererfgoed van de Bijzondere Collecties, Universiteit van Amsterdam om zo bewaard, beschreven en ontsloten te worden voor toekomstige generaties kunstenaars, onderzoekers, journalisten, studenten en belangstellenden.