Het begrip tijd is de afgelopen weken vloeibaar geraakt. De vaste structuur van dagen en weken brokkelt af. De coronacrisis en de daardoor afgedwongen theatersluiting en het thuisblijven dwingen een eigen, gecondenseerde tijdbeleving af, met onverwachte psychologische effecten. Ik maakte al periodes van rouw mee, diepe lethargie, ongeloof over de heftigheid waarmee wat normaal was verstoord kan raken, en optimisme over de flexibiliteit van mensen en systemen.

Het voelt als een perverse absurditeit om een theatervakblad en –site te maken terwijl de theaters dicht zijn. We zitten nog midden in de crisis en het is voor Theatermaker en Theaterkrant.nl nog zoeken naar welke vormen van verslaglegging, reflectie en debat nu zinvol zijn. Nadenken over de afloop en de langetermijngevolgen voelt als science fiction.

Ik mis theater. Ik mis het samen op denken met intelligente makers en spelers. Ik moet mezelf oefenen om de lessen over empathie en conflict die ik in het theater onderhoud toe te blijven passen. En ik mis de regelmaat, structuur en rituelen die de gang naar voorstellingen aan mijn leven gaf. Sinds ik in 1995 mijn theaterbezoek structureel ben gaan vastleggen ben ik nog nooit zo lang níet naar het theater geweest.

Ik ben verrast door de enorme en veelzijdige activiteit die veel makers, groepen, en theaters online aan de dag leggen, met registraties, streams en nieuwe digitale projecten. Maar helpen doet het niet. Integendeel: ik voel het gemis aan de levendigheid van het theater zelf des te sterker.

De meeste stukken in dit nummer waren al gepland of zelfs al geschreven voor de crisis uitbrak. Ik denk dat dat geen bezwaar is. Artikelen als dat over Lucas Vandervost en zijn doctoraatsonderzoek naar dramatische spanning in toneelspelen; of de beschouwing over de verschillende bedrijfs-logics bij theaterinstellingen; het schitterende interview met Matin van Veldhuizen door Marijke Schermer: ik zie het als adequaat medicijn bij opkomende theaterblues. De briefwisseling Lieve Inclusieve gaat door met het oprakelen van pijnlijke verhalen, dit keer door Ira Kip en Samora Bergtop. En sommige stukken krijgen een nieuwe, actuele lading, zoals het levendige verhaal over de ‘Tooneelistenstaking’ van 1920 door Florian Diepenbrock.

Dat laatste stuk gaat over spelers die tegen hun artistieke roeping in zélf het werk neerleggen, met een hoger doel in het vizier. Ik denk dat nadat de adrenaline van de productiedrang en –dwang is uitgewerkt de theatergemeenschap de gedwongen adempauze goed moet gebruiken. Laten we het beste maken van deze tussentijd en op zoek gaan naar verdieping, ontknelling en open gesprekken. Voorwaarde hiervoor is wel dat de instellingen die daar de mogelijkheid voor hebben de zwaar getroffen zzp’ers in de sector ondersteunen.

Het zal lange tijd duren voordat het theater weer kan terugkeren naar business as usual. Ik hoop van ganser harte dat dit het enige nummer van Theatermaker is dat we publiceren tijdens de theatersluiting. Maar helemaal gerust ben ik er niet op. En wat gaat er gebeuren met de overheidsfinanciering van kunst als we na afloop de economische rekening gaan opmaken? Des te meer reden om nu te gaan bedenken wat we eigenlijk willen dat business as usual is. Het grote werk begint!