Trojan Wars van HNTjong is een vijf uur durende theaterervaring voor young adults. Een overrompelende beleving die direct bij binnenkomst begint en tussen de bedrijven door verdergaat in de foyer. Er wordt ook eten geserveerd. In deze omvang is dat voor deze doelgroep in Nederland nog niet gedaan. Hoe bereid je zoiets voor en hoe reis je ermee?

‘Als we zomaar hadden voorgesteld een klassieker van vijf uur voor young adults te programmeren, hadden theaters gezegd: jullie zijn helemaal gek geworden!’, lacht Ulrike Söbbeke, zakelijk leider van HNTjong. Meestal worden voor die doelgroep alleen voorstellingen geprogrammeerd die het kabaal uit de zaal overstijgen, zeker geen Griekse tragedies. En dan betrekken de makers óók nog de foyer bij de voorstelling én serveren ze op drie momenten eten. Een ambitieus en logistiek ingewikkeld plan, waartegen naast thuishaven de Koninklijke Schouwburg Den Haag ook dertien andere theaters ‘ja’ zeiden.

Wie de omschrijving van Trojan Wars leest, denkt dat HNTjong probeert met een locatievoorstelling langs de theaters te reizen. Maar dat geldt alleen voor het gedeelte buiten de zaal, wat ze intern de experience noemen. De voorstelling zelf is bedacht, gemaakt en gemonteerd op de grote zalen van schouwburgen.

Uitgangspunt is de Ilias van Homerus. Het oudste verhaal over de oudste oorlog die we kennen, noemt artistiek leider Noël Fischer het tijdens de interne kick-off voor alle HNT-medewerkers (goed voor een flinke zaal vol). En: een groot epos over mensen die kapot gaan aan oorlog. In hun interpretatie van dit heldendicht, bestaan er geen helden, vertellen zij en schrijver Peer Wittenbols. Hij koos de boeiendste personages, dialogen en monologen uit de Ilias en maakte vervolgens een eigen variant waarin ruimte is voor de stem van de verliezers. Ook wordt naast het Griekse perspectief dat van de slachtoffers belicht. Daarnaast zal de stem van vrouwen luider klinken dan gebruikelijk in Griekse vertellingen, waarin vrouwen vaak passief of slachtoffer zijn.

Levensvatbaar

HNT ontstond in 2017 uit de fusie van het Nationale Toneel, NTjong, de Koninklijke Schouwburg, Theater aan het Spui en Zaal 3. Daar ging in 2013 de fusie van jeugdtheatergezelschap Stella Den Haag en het Nationale Toneel aan vooraf. Het resultaat is een grote organisatie met veel ervaring, mankracht en middelen. En dat is nodig voor een ongewone productie als deze, zeker voor jongerentheater. Volgens Söbbeke hebben zowel NTjong als HNTjong laten zien dat het kan: een grote jongerenvoorstelling in de grote zaal. En met The Nation heeft HNT ervaring opgedaan met marathonvoorstellingen. Dat wekt vertrouwen.

‘Doordat alles intern al heel goed doorgedacht was, konden we ons verhaal helder uitleggen aan het impresariaat en de theaters’, vertelt Söbbeke in haar kantoor. Op de glazen wand is met vrolijke kleuren een – naarmate de première dichterbij komt, steeds voller – tijdschema gekalkt. Het startpunt ligt al twee jaar terug. ‘We hebben toen een projectteam samengesteld dat wekelijks samenkwam. Dat kan als je mensen in vaste dienst hebt. Kleinere gezelschappen werken vaak met freelancers en hebben een korte productietijd.’

Ze wisten dat hun idee veel vraagt van scholen en theaters. Daarom hebben ze veel geïnvesteerd in het enthousiasmeren van deze partners, die ze als een soort coproducenten meenamen in het proces. Pas toen ze overtuigd waren van de levensvatbaarheid van het project en zeker wisten dat hun uitgangspunten door iedereen werden gedragen, zijn ze gaan sparen en hebben ze extra geld geworven.

Educatieteam

Bij het betrekken van de externe partijen is de uitgebreide educatieafdeling een belangrijke troef. Waar een gezelschap gewoonlijk een foto en een tekst stuurt, helpt hun educatief programma de theaters en een deel van het publiek te bereiken. Zo krijgen leerlingen een workshop voordat ze naar de voorstelling gaan, waarin ze aan het denken worden gezet over hoe het leven van gewone burgers door oorlog wordt beïnvloed. Daar zijn stagiairs van het mbo bij betrokken die later ook meedoen bij de experience, zodat leerlingen een bekend gezicht zien als ze het theater binnenkomen. Theaters hebben van HNT de zachte garantie gekregen dat ze (per theater) tweehonderd leerlingen uit het voortgezet onderwijs binnenkrijgen. Begin januari zijn er meer dan vierduizend aanmeldingen binnen. Dat legt een fijne bodem onder de kaartverkoop.

De educatieafdeling zorgt ook dat er in iedere stad zo’n vijftien tot 25 leerlingen meedoen aan de voorstelling. Fischer wilde vanaf het begin veel spelers aantrekken om soldaten, doden en gewone burgers te verbeelden. Jongeren voegen veel energie en engagement toe aan het project. Naast de negen acteurs doen er ook tien net afgestuurde mbo-acteurs mee. Voor hen is een speciaal programma opgezet, dat is bedoeld om grote zaalvoorstellingen toegankelijk te maken.

Korte lijntjes

Kortom: er is veel energie gestoken in het persoonlijk contact met alle betrokkenen. Voor de programmeurs, marketing- en educatiemedewerkers is er lang van tevoren een startbijeenkomst georganiseerd. Daarnaast zijn er in theaters door het land minikick-offs gegeven voor docenten en andere contacten van de theaters. ‘Noël Fischer was daar meestal bij. Als artistiek leider en regisseur draagt ze het project’, zegt Söbbeke. Er ging ook meteen een technicus mee om de voorstelling door te spreken met de techniekafdeling. Zo konden ze potentiële problemen voor zijn. Op sommige locaties speelt er bijvoorbeeld tegelijkertijd iets in de kleine zaal. Hoe zorg je dan dat je dat publiek zonder problemen de zaal inleidt?

Uit hun ervaringen met eerdere marathonvoorstellingen heeft HNT geleerd dat de lijntjes met de theaters kort moeten zijn. Er is een duidelijk aanspreekpunt voor de overkoepelende voorstelling en één voor de experience. De voorstelling begint namelijk meteen bij binnenkomst in een soort festivalsetting. De foyer, intern ook ‘het voorhuis’ genoemd, verandert tussen de drie bedrijven door van sfeer en ervaring. Het festivalgevoel zal na het eerste deel van de voorstelling omslaan, zoals ook het stuk omslaat van een feest naar een oorlog. Opeens worden bezoekers verdeeld in twee kampen en bepaalt de kleur van hun festivalbandje tot welk kamp ze behoren. ‘Dat haalt het verhaal van de Trojaanse oorlog ook naar het hier en nu’, zegt Söbbeke. ‘We hebben er als maatschappij mee te maken: door de media komt de oorlog heel dichtbij en in de grote steden wonen mensen uit Syrië, de Balkan of Afrika die oorlogen hebben meegemaakt. Nu het dit jaar 75 jaar vrijheid is, vragen we ook ons af: wat betekent oorlog nou voor ons? Zitten we in een interbellum, dreigt er een volgende oorlog?’ De door de educatieafdeling ontwikkelde experience daagt bezoekers uit vragen te stellen over hoe het is om in een oorlog terecht te komen en hoe het voelt als je dingen niet meer kunt doen of mag voelen. Hoe ga je daarmee om: pas je je aan of ga je in verzet?

Rolverdeling

Dat alles eigenlijk vrij soepel verloopt, komt doordat ze de productie hebben opgeknipt in deelgebieden met bijbehorende verantwoordelijken. Söbbeke: ‘Dat is gewoon heel belangrijk: mensen aanwijzen die dat kunnen en durven dragen. Dan moet je goede afspraken maken over de kaders waarin zij kunnen opereren, welke vrijheid zij daarin hebben en bij wie de artistieke en financiële eindverantwoordelijkheid over bepaalde delen ligt.’

Door die duidelijke rolverdeling kan iedereen zich concentreren op waar hij of zij goed in is. Zoals scenografen Thomas Rupert en Roos Veenkamp. Trojan Wars reist met twee trailers en een bakwagen, negentien acteurs en een bouw- en een breekploeg het land door. Het klinkt tamelijk complex, maar het duo is eigenlijk vooral blij dat ze hun tanden weer eens in een grote productie kunnen zetten. Anders dan in Duitsland, waar Rupert vaak werkt, is dat in Nederland steeds meer een uitzondering.

Op het moment dat zij het ontwerp inleverden, zo’n jaar geleden, was de tekst nog in de maak. Een paar elementen waren al wel bekend: dat het een lange voorstelling zou zijn die uit drie delen zou bestaan, de grove invulling van die delen en het grote aantal spelers. Al snel besloten ze dat ze die spelers wilden inzetten voor het toneelbeeld. ‘Die mensengroep is ook beeld’, benadrukt Rupert. Ze wilden vanuit een centrum werken, een groot rond podium met daarachter grote ronde wanden. ‘Waar normaal de changementen in het decor vanuit de kap of de coulissen komen, laten wij de mensen op het toneel de changementen doen door een deel van het decor te laten draaien en zo het beeld te veranderen.’ ‘In het derde deel, dat in de onderwereld speelt, kunnen de spelers ook fysiek een schaduwspel maken’, vertelt Veenkamp. ‘We wilden geen projecties: als je zoveel spelers hebt, dan moet je die inzetten.’  ‘Het mooie van schaduwspel is dat je kunt spelen met groot en klein door dichter of verder bij de lamp te komen’, vult Rupert aan.

Mensenhand

Opvallend is dat het duo vooral heeft gekozen voor mechanische in plaats van hightech oplossingen Dat heeft niets met de logistiek te maken, dat soort zaken komt volgens Rupert later. ‘Onze belangrijkste taak is het creëren van een omgeving waarin je het verhaal gaat vertellen. Natuurlijk komen daar allerlei zaken als logistiek, trailerruimte en techniek bij kijken, maar het gaat erom die ruimte te creëren. Omdat we zoveel ervaring hebben, weten we wel zo ongeveer wat wel en niet kan, ook budgettair. Eerst wil je je concept hebben, de details volgen later.’ Dat concept is om in het toneelbeeld te laten zien dat door mensenhand dingen langzaam veranderen. ‘Wij mensen vernietigen deze aardbol, wij veroorzaken die oorlogen. We hopen dat dat tot het publiek doordringt. Natuurlijk gebruiken we ook theatertechniek, maar het is juist zo mooi dat die massa mensen op het toneel met de choreografie de beeldveranderingen kunnen maken.’ Zeker ook omdat ze vier à vijf uur toneel moeten invullen. ‘Het moet wel een beetje spannend blijven.’

‘Iedereen verwacht natuurlijk dat er op een bepaald moment een houten paard opkomt. Dát wilden we dus niet’, lacht Veenkamp. Zo kwamen ze uit op een enorme opblaasbare paardenkop. ‘Inflatables zie je veel op grote housefeesten en festivals, maar het is ook een kwinkslag naar het paard van Troje.’

Het werk van kunstenaar William Kentridge was een inspiratiebron voor het schimmenspel in het derde deel. Rupert zou ook graag de sfeer van Apocalypse Now willen oproepen. ‘Die film is zo bizar, grotesk en geweldig qua kleur en schaduw. Van Marlon Brando zie je eigenlijk alleen maar het silhouet.’ Zo sluipen er allerlei invloeden het decorontwerp binnen, zoals Banksy in de zelf gemaakte muurschilderingen. Het politieke commentaar in street art vinden ze ontzettend mooi en actueel. ‘Bovendien sluit dat aan op de belevingswereld van jongeren, niet onbelangrijk.’

Experience

Het ontwerp voor de foyers kwam pas later. Veenkamp heeft dat zonder Rupert gemaakt. Het publiek komt binnen in een festivalsetting, maar na het eerste deel verandert dat en de vormgeving van de foyer verandert mee. ‘Als je binnenkomt staan er bijvoorbeeld twee gigantische engelenvleugels. Die zijn geïnspireerd op een project van de Amerikaanse kunstenares Kelsey Montague. Onder de #whatliftsyou posten jongeren over de hele wereld foto’s op Instagram waarbij ze voor die vleugels poseren. Na de pauze staat daar dan bijvoorbeeld een kindsoldaat bij.’

Haar ontwerp moet wel in veertien verschillende zalen met totaal verschillende foyers passen. Hoe doe je dat? ‘Het productieteam heeft in alle theaters 360 graden-foto’s gemaakt die ik kon gebruiken’, vertelt ze. ‘Ze hebben alle afmetingen opgenomen, zodat ik bijvoorbeeld wist door welke deuren de decorstukken moeten passen of hoe hoog de ruimte is.’

Omdat iedere foyer anders is, kon ze niet werken met decorstukken die tegen wanden leunen. Die moeten zelfstandig kunnen staan. Anders dan in de zaal kunnen mensen de objecten van verschillende kanten bekijken. Zo wordt het ontwerpproces door allerlei factoren beinvloed: scherpe punten waaraan bezoekers zich kunnen bezeren moeten bijvoorbeeld worden voorkomen. Ook in de foyers spelen zich op drie speciaal ontworpen ronde podia verschillende scènes af, die ook door Wittenbols zijn geschreven. Om het eten te serveren, zijn er speciale uitserveerpunten ontworpen in dezelfde beeldtaal als het decor.

Begroting

Ondertussen loopt de organisatie achter de schermen tegen allerlei uitdagingen aan. Op sommige locaties zijn er niet genoeg kleedkamers of is er geen ruimte waar zeventig man kan eten. Dan wordt er gekeken of de laad- en losruimte uitkomst biedt en anders wordt er gezocht naar een externe ruimte.

De bereidheid van de theaters om mee te denken was enorm groot, aldus Söbbeke. ‘Niemand zei: dit kan echt niet bij ons, verzin maar wat anders.’ Theaters lopen geen financieel risico met het boeken van de voorstelling. Het tijdstip, van vijf tot tien uur ‘s avonds, vonden theaters wel gewaagd. Voor regulier publiek is het immers onder werktijd en voor scholieren buiten schooltijd. Maar later dan tien uur uur was voor NTong geen optie. Het serveren van eten is met dat tijdstip logisch, ook om te voorkomen dat scholieren de zaal uit sneaken voor een snack. Aanvankelijk wilden ze een patatje oorlog serveren, dat ligt voor de hand. Maar dat bleek logistiek niet haalbaar. Söbbeke: ‘Ook daarin werken we samen met een partner met veel ervaring: Amaro Creative Industries, bekend van de Parade en Lowlands. Die zei: stop, terug. Je kan niet voor zoveel mensen tegelijk patat klaar hebben. En heb je gedacht aan de uitgiftepunten zodat mensen niet in de rij hoeven te staan? Ze hebben naar de drie delen gekeken en nagedacht wat daar bij zou passen en wat jongeren lekker kunnen vinden. Het is ontzettend fijn om zulke goede partners te hebben waarop je kunt vertrouwen.’

foto Bas de Brouwer