Kijk, zie hem daar staan, armen omhoog, ‘de Kleinste onder onze Literaire Grootheden’. Tom Lanoye, ‘meervoudig feestbeest’, is zestig, veertig jaar auteur en dertig jaar samen met de liefde van zijn leven. Redenen genoeg om te vieren.

Dat doet Lanoye met een boek en met een Jubilee-performance die door de Lage Landen toert. Hij glundert, de beweeglijke verteller, zijn ogen staan wat pips vanwege de buikgriep, maar hij blijft die guitige blik hebben. Hij ontvangt met voldane lach een staande ovatie. Ik zag hem optreden in Bilzen (B), waar ooit midden jaren zestig met Jazzbilzen het oerfestival der Lage Landen-popfestivals plaatsvond. Na de voorstelling is Lanoye zichtbaar verheugd dat zijn jazzy performance van het tweede deel zo goed overkwam. Bilzen heeft het nog altijd in zich.

Voor de pauze presenteerde hij zich als een entertainer van het woord, zong hij als Sinatra en las hij voor uit verschillende romans en bundels. De hilarische masturbatiescène op twee kalfsleverlapjes uit Kartonnen Dozen, wordt gevolgd door fragmenten uit Sprakeloos, het boek over zijn moeder, over haar theatrale talenten. En ook over zijn vader, de slager. Op het einde van de pauze als het publiek weer binnendruppelt, zegt hij dat qua taal zijn lievelingsstuk Risjaar Modderfokker Den Derde is en declameert hij er lustig op los.

Met de twee muzikanten van © Bloednoot (contrabassist Nicolas Rombouts en drummer Teun Verbruggen) maakt hij onder het motto ‘Wij repeteren nooit. We spreken alleen iets af’ een ware jazzversie van fragmenten uit Fort Europa (2005, ‘Wij hebben uitgevonden dat iedereen gelijk is, en daarom zijn we superieur’) en uit Revue Ravage, over politici als ondernemers, ‘interessant voor het verkiezingsjaar van België’.

Tom Lanoye is zowel auteur als performer. Hij kan het theater niet laten. Ik leerde zijn werk kennen toen wij op een Belgische school in 1981 een popdichtersavond met als grote ster Bart Chabot organiseerden. Een Vlaamse dichter mocht niet ontbreken. Tom Lanoye kwam toen pas kijken in het literaire wereldje. In vergelijking met zijn Jubilee was de voordracht van zijn gedicht Gent-Wevelgem braaf, zonder toeters en bellen, zonder attributen, zonder decor en licht- en geluidseffecten. Toen telden alleen de woorden en de zegging. Toen al kon je struikelen over zijn nasale Sint-Niklase tongval. Maar al snel nam je dat erbij. Het hoorde gewoon bij hem. En het zou heel vreemd zijn als hij accentloos ‘schoon’ Nederlands zou spreken.

Zijn ode aan de wielrennerij is zijn entree in de Vlaamse en Nederlandse literaire scene,  samen met de verhalenbundel Een slagerszoon met een brilletje, zijn verhaal in de bundel Mooie Jonge Goden (1986, met onder anderen ook Herman Brusselmans en Stefan Hertmans) en zijn TV-optreden bij Sonja Barend. Dat alles vinden we terug in het jubileumboek Lanoye 60. Groepsportret met brilletje met heel veel weetjes en achtergrondinfo, met lezingen en toespraken, columns en portretten, en heel veel foto’s. Het boek met ‘een greep uit de grote grabbelton genaamd Archief Lanoye’ werd opgesteld door Anni van Landegem, al van bijna het begin de vaste redacteur van Lanoye, en door vormgever Dooreman.  ‘Een must have voor iedere fan’ staat er op de achterflap.

Opstand
Lanoye ontpopt zich als iemand die van het leven kan genieten, zacht en liefdevol over de geneugten kan schrijven, maar die ook kritiek heeft op de maatschappij waarbinnen dat leven moet geschieden. Al dat politiek gekonkelfoes, al die machtsgeilheid, al die haat van mensen tegen mensen die een beetje anders zijn, al dat misbruik van mensen, hier in onze contreien en elders in de wereld, al die ellende op deze aardbol en de verkloting van deze planeet. Albert Camus zou hem tot schoolvoorbeeld van de opstandige, existentieel levende mens hebben kunnen uitroepen. Hij die zich verzet, leeft, stelt Camus. Tom Lanoye is zo iemand. In woorden en daden. Het eerste Belgische homohuwelijk was tussen zijn vriend René en hem, het cordon sanitaire tegen het Vlaams Belang kwam mede door zijn geschriften tot stand, hij fulmineert tegen Bart De Wever, de NVA burgemeester van zijn stad Antwerpen. Na de gemeenteraadsverkiezingen van afgelopen oktober spoorde Lanoye in een open brief de Groenen aan om toch met NVA samen Antwerpen, ’t Stad, te besturen.

Lanoye is een opstandig mens in zijn columns, in zijn romans, verhalen, in zijn beschouwingen, zijn analyses, lezingen, in voordrachten, brieven, mails, in zijn gedichten (hij was de eerste stadsdichter van Antwerpen), portretten, en natuurlijk in zijn theaterteksten. Veel fragmenten staan er in het jubileumboek.

Elk hoofdstuk, van intro over zes delen naar outro, begint met een opdracht uit Ten Oorlog, van Richaar deuzième tot Risjaar Modderfokker Den Derde. Van ‘Zo speel ik veel personen in mijn eentje’ tot ‘Voilà. En meer moet dat niet zijn, n’est-ce pas?’ Het boek toont de man met de vele stemmen, de auteur die graag acteert en daardoor goed aanvoelt hoe een theatertekst moet geschreven worden. De zinnen moeten bekken en klinken. Veel van zijn toneelstukken zijn op verzoek van gezelschappen en regisseurs geschreven. Luk Perceval, Guy Cassiers, Johan Simons, Ivo van Hove, Theater Zuidpool. Lanoye wist wie mee zou spelen en dat zorgde ervoor dat hij naar de mond van een acteur of actrice kon schrijven. Niet dat dat de taak van de spelers vergemakkelijkte. De woordenbrij die Lanoye produceerde, was niet licht. Legendarisch is de uitroep van Els Dottermans in de laatste fasen naar Ten Oorlog (1997): ‘Lanoye, speelt uwen brol zelf!’ (speel je rommel zelf).

Lanoye heeft twee dozijn theaterstukken geschreven. Ik tel er officieel 22, maar daar mag je dan nog de paar bewerkingen van zijn eigen verhalen en romans voor zijn eigen optredens bijtellen. Ook Ten oorlog is meer dan één stuk: het zijn eigenlijk zes bewerkingen van Shakespeares koningsdrama’s. Maar ze vormen wel één geheel.

Het is natuurlijk nog een pak minder dan zijn illuster voorbeeld: Hugo Claus, de grootmeester waar elke Vlaamse schrijver naar opkijkt. Claus schreef zeventig stukken. Dat zal Lanoye niet halen denk ik. Lanoye doet nog zo veel meer dan theaterstukken schrijven. Hij is een ongedurige werkmier die de ene lezing na de andere redevoering geeft, die in romans, portretten, gedichten, columns en essays zijn licht op de wereld en de liefde laat schijnen, en die zich helemaal kan uitleven in zijn eigen theateroptredens.

Het begon wat aarzelend, met Canadese muren dat hij samen met vriend Herman Brusselmans schreef. Lanoyes grote doorbraak als theaterauteur is Ten Oorlog. Drie jaar werkte hij aan de marathonproductie. De tijdsevolutie van de opvolging van de koningen wordt niet in decors verbeeld, maar in taal. Het begint met klassiek verheven verzen en evolueert naar een eigentijdse turbotaal, een vreemde en bevreemdende mengeling van Vlaams, Engels, allerlei streektalen, met afgekapte zinnen en woorden in Risjaar Modderfokker Den Derde. Dat is zoals gezegd, Lanoyes ‘taallievelingsstuk’. Hierin laat hij zich totaal gaan, trekt hij alle taalregisters open en laat hij horen hoe taalvirtuoos hij wel is. Taalvirtuoos is hij ook in zijn andere stukken. Lanoye koketteert niet met een taalestheticisme, zijn taal heeft inhoud. Veel stukken gaan over macht en machtsmisbruik (Mefisto for ever, Wolfskers, Atropa, Fort Europa, Bloed en Rozen). Er volgen bewerkingen van twee stukken van Tsjechov tot één (De Russen) en  van Shakespeare, zoals Hamlet vs Hamlet en Koningin Lear. Het zijn bewerkingen met een eigen twist. Hamlet is een androgyne figuur op zoek naar zijn of haar gender, en krijgt daardoor een andere uitstraling. Abke Haring is weliswaar niet de eerste vrouwelijke Hamlet (Sarah Bernhardt speelde die rol al in 1899), maar vermoedelijk wel, in de tweede speelreeks,  de eerste zwangere Hamlet.

Voor Frieda Pittoors maakte Lanoye van Lear een koningin. In Mamma Medea naar Euripides gaat Lanoye op zoek naar het waarom van de kindermoord en vindt dat in het verleden van Medea, in haar worsteling tussen ‘eigen’ en ‘vreemd’. Vlaams en Nederlands staan hier tegenover elkaar. (In het jubileumboek staat een e-mail die hij stuurde naar Els Dottermans. Lanoye was bang dat ze weer zo ongerust zou worden als bij Ten Oorlog. Hij is er zich van bewust dat bij hem heel veel op het laatste moment gebeurt, maar hij belooft dat het allemaal zal goed komen.) Hij geeft aan klassiekers steeds verrassende wendingen die zijn stukken tot meer dan gewone bewerkingen laten uitgroeien.

Het zijn typische Lanoyes. Lanoye is vaak wijdlopig in zijn teksten, barok. Het lijkt alsof hij als schrijvende slagerszoon in de ban is van het zinnetje ‘Mag het iets meer zijn?’. In de laatste stukken vind ik hem directer en subtieler. De monoloog GAZ die hij schreef voor Viviane De Muynck is compacter. Zij speelt de moeder van een omgekomen Syriëstrijder. Aangrijpend, bijzonder. Een stuk dat tot nadenken stemt en dat voor mij in deze tijden niet genoeg gebracht kan worden. Ingetogen is hij ook in De fel omstreden kroon…, naar Christopher Marlowe, tijdgenoot van Shakespeare. Lanoye schrapt dertig van de 38 personages. Opvallend is hoe hij aan koningin Isabella meer diepgang heeft. Zij gaat een verbaal liefdesduel aan met de minnaar van haar man.

Tom Lanoye is kortom een gedreven wereldverbeteraar én taalestheet in zijn theaterteksten. Inhoud en vorm zijn bij hem één. Een wervelende wereld vol machtsmachinaties verwoordt hij turbulent.In het jubileumboek staan de theaterstukken allemaal vermeld, met de regisseurs, scenografen, dramaturgen en de volledige casts.

Veel stukken van Lanoye hebben op internationale festivals gestaan. Ik heb bij het Vlaams Fonds der Letteren nagevraagd hoe vaak Lanoyes werk vertaald is geweest. Een tiental stukken zijn in het Duits (onder andere Schlachten!) en Frans vertaald, in het Spaans en het Catalaans, in het Italiaans en Fort Europa ook nog in het Pools en Russisch.

En nu komt er een nieuw theaterstuk aan. Het was na al die theaterstukken te verwachten dat het een stuk zou worden over het theater zelf. Over spelen, acteren, over de plek van toneel binnen de kunsten, binnen het neoliberaal systeem, over de al dan niet maatschappelijke relevantie, de acteursprofessie an sich, het gesubsidieerd theater tegenover het commerciële circuit. In Wie is bang zullen Els Dottermans en Han Kerckhoffs een acteurskoppel vertolken dat de balans opmaakt van hun liefde voor elkaar en voor het vak. Ze waren grote sterren en zetten de stap van gesubsidieerd theater naar de vrije sector. Ze krijgen met de beroemde klassieker over een ruziënd alcoholisch koppel een groot succes. Terugkeren naar gesubsidieerd theater lukt niet. Daar zijn ze niet meer welkom. Ze zijn verplicht, ook met steun van de staat, het successtuk verder te spelen, met steeds nieuwe jonge mensen als tegenspelers. Dat moeten dan wel acteurs zijn van buitenlandse afkomst, liefst van kleur. Grote vraag: is toneelspelen in tijden van Netflix überhaupt nog relevant? Première eind augustus.’

Foto: Dries Luyten