Politieke humor heeft de naam moralistisch, kritisch en links te zijn. Cabaretiers zijn de dominees van de linkse kerk. Satire legt de autoriteiten het vuur na aan de schenen. Tegen die visie valt wel het nodige in te brengen.

Politiek vormt al sinds mensenheugenis een dankbaar onderwerp om grappen over te maken. Aristophanes, de godfather van het Europese komische theater, wijdde het leeuwendeel van zijn stukken eraan. Enkele eeuwen later ontstond in Rome het genre van de satire, waarbinnen politiek een al even populair thema vormde. Tot op de dag van vandaag zijn de sporen van deze klassieke erfenis herkenbaar in onder meer cartoons, cabaret en satirische shows op televisie.

Tegelijkertijd is de relatie tussen humor en politiek gecompliceerd. Veel cartoonisten en comedians schrikken terug voor al te nadrukkelijke politieke stellingnames. Ze spelen het liefst de rol van neutrale buitenstaander. Ook herhalen ze graag dat het laten lachen van het publiek altijd boven het brengen van een politieke boodschap gaat. Zelfs Arjen Lubach, toch niet vies van een beetje politiek activisme, ziet zichzelf in de eerste plaats als ‘een clown met een kuif en een mening’, aldus een recent interview in de Volkskrant. Hiernaast is de strekking van een grap eigenlijk per definitie ambigu, want immers ‘niet serieus bedoeld’. Dit maakt het terugbrengen van humor tot een eenduidige politieke visie vaak problematisch.

Intussen zijn er allerlei aannames die – veelal impliciet – ons denken over politieke humor bepalen. Zo wordt in de Nederlandse amusementssector ‘politiek zijn’ vaak gekoppeld aan moralisme, een kritische houding en een linkse agenda. Maar hoe terecht is dat?

Angst voor moraal

Cabarethistoricus Wim Ibo noemde zijn standaardwerk over het Nederlands cabaret En nu de moraal… Nog altijd heeft cabaret de reputatie moraliserend te zijn: het cliché van het opgeheven vingertje waarmee Youp van ’t Hek en ‘Preek’ de Jonge hun publiek de oren wassen. Zodoende wordt al gauw gedacht dat, wanneer een cabaretier een politieke kwestie aansnijdt, hij daarbij een belerende intentie heeft. Hij vertelt ons wat goed is en wat fout, met oprechte verontwaardiging als zijn voornaamste drijfveer. Cabaretiers als Bert Visscher en Jochem Myjer zetten zich daar dan weer juist tegen af, door politieke thema’s met opzet te mijden. Zij willen niet moraliseren, maar amuseren.

De waarheid is dat ook in het geëngageerde cabaret moralisme meer gevreesd dan bemind wordt. Het laten lachen van het publiek blijft de eerste voorwaarde waaraan een komiek moet voldoen. Een cabaretvoorstelling of humoristisch televisieprogramma zonder expliciete moraal is denkbaar, terwijl de grappen hoe dan ook onmisbaar zijn. Wanneer een cabaretier op het podium of op tv een politiek thema behandelt, zal hij de morele dimensie daarvan dan ook eerder minimaliseren dan benadrukken. Zijn natuurlijke rol is die van de clown, niet die van de dominee.

De #MeToo-discussie vormt in dit verband een mooi praktijkvoorbeeld. Die discussie beheerste het afgelopen jaar zodanig het publieke debat dat je er als comedian eigenlijk niet omheen kon. Maar de grappen die erover gemaakt werden in het theater, waren nou niet bepaald moraliserend.

Eric van Sauers merkte in De Lief en Leed Tour op dat als hij geweten had dat hij ook met behulp van seks aan zijn diploma op de Kleinkunstacademie had kunnen komen, hem dat toch een hoop collegegeld gescheeld had. Ook Richard Groenendijk betreurde in Om alles nu juist het feit dat hij géén slachtoffer was geworden van op seks beluste castingdirectors. Hij had het maar wat graag meegemaakt: #Iwish.

Dit soort relativerende grappen vormt een trend wanneer het gaat om de behandeling van maatschappelijk hete hangijzers in cabaret en satire. Liever dan moreel stelling te nemen in een actueel debat, haalt een cabaretier de angel eruit. Ook in de zwartepietendiscussie zien we dit gebeuren. Die werd enige jaren terug door het cabaretduo Sandifort & Vrijdag neergezet als een conflict waarin twee schreeuwende, dwaze partijen tegenover elkaar staan. Hiermee gingen ze volledig voorbij aan de ten diepste ideologische kwestie die hier op het spel staat.

Grappenmakers nemen op zulke momenten de positie in van het ‘redelijke midden’. Maar zo’n middenpositie betekent meestal vooral een herbevestiging van de politieke en morele status-quo, het in stand houden van de heersende opvattingen over een thema. Dit wordt handig verbloemd door een beroep te doen op realisme en gezond verstand: de komiek die zogenaamd als enige de feiten ziet zoals ze zijn. Zo plaatsen comedians en hun publiek zich op veilige afstand van de vermeende heethoofden die het daadwerkelijke debat aan het voeren zijn. Uiteindelijk is dat óók een morele positie, maar wel een heel andere dan die we gewend zijn met politieke humor te associëren.

Op safe spelen

De associatie van politieke humor met kritiek is misschien nog wel sterker dan die met moraal. De Amerikaanse communicatiewetenschapper Jeffrey Jones, die veel onderzoek deed naar The Daily Show en aanverwante politieke satire in de Verenigde Staten, spreekt met nauwelijks verholen enthousiasme over het kritische potentieel van dergelijke tv-shows. Hij ziet ze als ‘a powerful means for challenging and questioning the sources of power’. We zouden iets soortgelijks over Zondag met Lubach kunnen beweren, dat een belangrijke rol speelde bij het uitroepen van een referendum over de ‘sleepwet’ en dat meer in het algemeen de Nederlandse politiek kritisch volgt.

Toch is ook de relatie tussen politieke humor en kritiek ingewikkeld. Dat komt in de eerste plaats door de meerduidige betekenis van het begrip kritiek zelf. Kritiek kan simpelweg staan voor een negatieve beoordeling van iets of iemand, maar ook meer concreet voor het verkondigen van een ongewenste waarheid – iemand die kritisch ‘durft’ te zijn – of nog specifieker voor het bevragen van de heersende macht of de communis opinio. Als men humor kritisch noemt, wordt meestal aan een van die laatste twee betekenissen gedacht.

Dat een cabaretier zijn publiek kwaad moet maken, het tegen de haren in moet durven strijken, is een al bijna even groot cliché als dat cabaret moralistisch is. Maar alweer een aantal jaar terug liet Micha Wertheim in zijn voorstelling Voor de zoveelste keer op vernuftige wijze zien dat dit vooral een pose is. Hij deconstrueerde zijn ‘oprechte’ woede over Facebook door uit zijn eigen conference te stappen en er commentaar op te leveren: ‘Werkt altijd, als je op ‘t podium een beetje boos wil doen, dan moet je gewoon iets nieuws nemen, waarvan je weet dat twee derde van het publiek het nog niet doet en een derde van het publiek het vol overgave doet, en dan ga je gewoon zeggen: “Dat is stom, dat is stom, dat is stom!”’ Verderop in zijn programma maakte Wertheim duidelijk dat dit soort schoppen tegen nieuwigheden uiteindelijk eerder reactionair dan kritisch is. Zijn voorbeeld toont ook aan dat (politieke) humor heel rebels kan lijken, terwijl het intussen behoorlijk conformistisch is.

Dit laatste blijkt ook wanneer we politieke humor in verband proberen te brengen met kritiek in de zin van een aanval op heersende meningen of autoriteiten. Wie wat preciezer kijkt naar de politieke opinies die comedians debiteren, merkt dat die doorgaans nogal braafjes zijn. #MeToo en de zwartepietendiscussie kunnen hier opnieuw als voorbeeld dienen. In Youp van ’t Heks laatste oudejaarsconference was #MeToo vooral een enerzijds-anderzijds-verhaal. Ook als het gaat om Zwarte Piet kiezen cabaretiers liever het grijze midden dan dat ze zich duidelijk uitspreken. En als ze dat bij hoge uitzondering wel doen, zoals Arjen Lubach, zijn ze zich hyperbewust van de gevoeligheid van de kwestie. Alles om maar geen controverse te veroorzaken. Van dit soort humor heeft ‘de heersende macht’ vooralsnog weinig te vrezen.

Ironiseren

Er bestaat in Nederland ook een lange traditie om politieke humor te framen als links. Van Lurelei en Don Quishocking in de jaren zestig en zeventig, via Koot en Bie en Kopspijkers, tot aan Zondag met Lubach en De Kwis valt een doorgaande lijn te trekken van als links beschouwd politiek amusement in het theater en de media. Wederom is dit een beeld dat nuance behoeft.

Om te beginnen is humor per definitie ambigu. Dit leidt ertoe dat bij veel van de politieke uitspraken die cabaretiers doen de vraag in de lucht hangt wat ze nou werkelijk bedoelen: parodiëren ze een rechtse mening of zijn ze het er eigenlijk gewoon mee eens? Bij iemand als Theo Maassen is dit een terugkerend punt van discussie. Maar ook als de bedoeling van een politieke grap vrij evident is, biedt het gebruik van ironie de toeschouwer alsnog de mogelijkheid om er zijn eigen draai aan te geven en oorspronkelijk als ‘links’ bedoelde humor ‘rechts’ te interpreteren. Dit zien we bijvoorbeeld bij het ironische lied ‘We worden bedreigd door de moslims’ van De Vliegende Panters, dat op YouTube van diverse racistische commentaren is voorzien, in de trant van: ‘Ze hebben gelijk.’

Hiernaast hebben cabaretiers al sinds de jaren zestig de neiging om juist de linkse protestcultuur te ironiseren. Het befaamde lied ‘Arme ouwe’ van Cabaret Lurelei uit 1966 doet dit feitelijk al. Aan het woord is een Provo, die eigenlijk niet zo’n zin in demonstreren heeft en die zich tegen het anti-monarchale sentiment van zijn kompanen keert, want waarom zou die arme ouwe Juliana toch zo nodig van haar troon gestoten moeten worden? Ook in veel liedjes en conferences van het Kabaret Ivo de Wijs uit de jaren zeventig is een ironisering van links protest te herkennen, bijvoorbeeld in ‘Demonstreren’ en ‘Discriminatie’.

Ten slotte is er een vaak vergeten, maar zeker de laatste jaren erg aanwezige, stroom van rechtse politieke humor in Nederland. Die stroom is sinds de eeuwwisseling vooral online te vinden, met de al ruim vijftien jaar actieve website GeenStijl als vlaggenschip. Op dit blog worden met veel sarcasme en Reviaanse ironie linkse heilige huisjes omver getrapt. Ook de cabaretier Hans Teeuwen is sinds een aantal jaar in dit kamp te plaatsen. Hij baarde afgelopen december opzien met een filmpje waarin hij, gekleed als een orthodoxe jood en met een wit geschminkt gezicht, met een vet Surinaams accent een lied zong over ‘Witte Dick, de vriend van Sinterklaas’, daarmee zijn geheel eigen – rechtse – bijdrage aan de zwartepietendiscussie leverend.

Engagement 2.0?

In het licht van het voorgaande lijkt het mateloos populaire Zondag met Lubach een trendbreuk te vormen. Want Lubach moraliseert wél: hij maakt duidelijk wat in zijn ogen goed is en wat fout. Zijn behandeling van de ‘sleepwet’ vormde ook een duidelijk voorbeeld van het kritisch bevragen van de heersende macht, in de vorm van het kabinet-Rutte III, het Nederlandse parlement en de AIVD. En hoewel hij zichzelf liever progressief noemt dan links, is zijn programma over het geheel genomen een stuk linkser dan veel cabaretiers die de reputatie hebben dat te zijn.

Toch is het opvallend dat Lubach er tegelijkertijd alles aan doet om juist niet als linkse, kritische moralist te boek te staan. Zo benadrukt hij graag dat zijn redactie mensen met diverse politieke gezindten herbergt en dat hij zichzelf vooral als een clown ziet. Wat dit ons leert is dat wie in Nederland politieke humor wil bedrijven vooralsnog vooral moet ontkennen dat hij dat doet, tenzij het rechtse humor betreft. Want interessant genoeg heeft een blog als GeenStijl nu juist totaal geen moeite om stelling te nemen in politieke debatten en humor als wapen te gebruiken. Wat dit zegt over de staat van het Nederlandse politieke landschap anno nu, is voer voor een geheel andere discussie.

De ideeën die in dit artikel gepresenteerd worden zijn in sterke mate geïnspireerd op het onderzoek van theaterwetenschapper Dick Zijp, die momenteel aan de Universiteit Utrecht werkt aan een proefschrift over de politieke dimensies van het Nederlands cabaret sinds de jaren zestig.

Illustratie: Gemma Pauwels