Fanne Boland bezocht HUIS van Suze Milius (House Crying Yellow Tears), gemaakt bij Productiehuis Rotterdam. Hier volgt haar persoonlijke verslag. (Alert voor wie het nog gaat zien: deze bespreking bevat spoilers).


Met de huissleutel in mijn hand loop ik naar het opgegeven adres. Het gezellige gezinshuis ligt er stil bij als ik binnenkom. Alleen de dieren wachten mij op. Twee onrustige vogeltjes in een kooitje. Een kat kijkt mij door het kattenluikje in de keukendeur verwijtend aan. Zijn eten staat klaar aan mijn voeten en de ongewenste aanwezigheid van een vreemde overwint zijn trek. Hij blijft in de tuin zitten. Ik kijk rond en schrik me rot: door kleine sporen in het huis ontdek ik dat het ‘mijn’ huis is.

Huizen maken hoe dan ook geluid: getik, gekraak, iets wat aanslaat. Die ‘stilte’ hoor je vrijwel alleen als je in je eigen huis bent. Bij een ander thuis is die ander er doorgaans ook en overstemmen de gesprekken. Een vroege jeugdherinnering. Ik ben ergens in de woonkamer. De tijd is traag. Ik hoor op z’n hoogst mijn vader rommelen in de keuken, maar verder dringt alleen een compositie van lopende leidingen, een tikkende klok en een soms tegen het raam knallende bromvlieg tot mij door. Een ervaring van thuis-zijn.

Met die intieme ervaring begint HUIS van regisseur Suze Milius, die ik zag in Rotterdam op 24 april 2016. Een privé-gevoel, thuis-zijn, maar dan in het huis van een ander. De binnenkomst van een jonge jongen maakt me duidelijk dat ik de ouderrol moet vervullen. Een gezin komt gaandeweg thuis en betrekt mij als vanzelfsprekend gezinslid in hun dagelijkse handelingen. Eten maken, tafeldekken, gesprekje voeren. Halverwege zit ik op het bed van ‘mijn’ zoon (leeftijden schatten van kinderen is erg moeilijk, maar waarschijnlijk eind basisschool, begin middelbare school) terwijl hij me confronterende vragen stelt. Oei. Moet ik nu seksuele voorlichting gaan geven? Ik maak me ervan af met een laffe wedervraag. Voor ik het weet eist het volgende huiselijke tafereel de aandacht op.

Ik was totaal onvoorbereid op deze hoofdrol, maar toch wist ik wat me te doen stond omdat ik de situaties herkende. Thuiskomen kent iedereen. Het moment waarop je normaal alleen maar ‘bent’, stond nu in het centrum van de aandacht. Het moment van de huisdeur openen, de dag bespreken, de huishoudelijke praktijk draaiende houden. We ‘speelden’ een normale dag. We speelden onze rol vol overgave, maar zonder volledige transformatie. In de ogen van de spelers (een echt gezin?) zag ik de afspraak, het spel.

Soms schuilt in eenvoud een enorme complexiteit. HUIS voelt simpel: de handelingen zijn zo ‘gewoon’ dat ze nietszeggend lijken. Maar in die dagelijkse handelingen komt je mensbeeld tot uiting. De voorstelling confronteerde me met de grote overeenkomsten en verschillen tussen mijn daadwerkelijke privéleven en deze theatervariant ervan. Geheimen bewaren in een gezin herken ik niet. Vaste zitplaatsen aan de eettafel hadden wij nooit. In een van de gesprekjes lag de nadruk op dat wat je goed had gedaan of kon verbeteren. Het voelde voor mij als dogmatisch. Ik herinner mij het gezinsleven als samenleven, zonder rolverdeling tussen hen die handelen en hen die normeren. Zijn pubers echt een cliché van cake, cola en klagende telefoongesprekken? Ik bied alsnog mijn excuses aan mijn ouders aan.

 

HUIS is een huiskamerdrama waarin je zelf de hoofdrol speelt. Maar ‘drama’ heeft hier een andere betekenis dan bij bijvoorbeeld Ibsens Hedda Gabler. Het is geen huiskamerdrama waarin de uitzondering – het grote drama des levens – centraal staat. Drama heeft hier letterlijk betrekking op de menselijke handelingen die in onze huizen plaatsvinden. De overbekende handelingen voerde ik uit in een vreemd huis met vreemde mensen als mijn gezin. Dat maakte dat ik zowel toeschouwer als personage in deze voorstelling was. Aan het einde bracht een eenvoudige ingreep teweeg dat ik uit het leven in het huis stapte, weer terug mijn eigen leven in. Een beetje in de war. De enige mens die ik ongeveer ken, ben ik zelf. Maar wat ben ik meer dan een opeenstapeling van voorspelbare dagelijkse handelingen? Of schuilt daarin juist datgene wat mij onderscheidt van de andere zelven?