Hoe vertrouwd Erica Smits zich ook voelt in het ritueel rond kassa, garderobe, zaal en applaus, de eerste theaterbezoeken met zoon lieten haar met een nieuwe blik kijken. En die nieuwe blik botste nogal met haar oude blik van theaterprofessional.
We lopen van het theater terug naar het station. Het is een zondagmiddag in januari. In mijn herinnering schijnt er een aangenaam winters zonnetje, maar het is goed mogelijk dat mijn brein die zon erbij verzonnen heeft. A. (8 jaar) en ik hebben net de voorstelling Tent van Theatergroep De Horde gezien. We zijn allebei enthousiast. A. vooral over de grappige scène met de heremietkreeft die vast zat in zijn eigen huisje, omdat hij te lang had gewacht met het zoeken naar een nieuw huis. Ik geniet na van de inventiviteit van de makers en de ontroering die de ontwikkeling van de hoofdpersoon bij me opriep. Terwijl A. over de stoep stuitert als die heremietkreeft, onderdruk ik de neiging om hem Inhoudelijke Vragen te stellen. Ik gun hem zijn blik op de voorstelling. Ik heb de mijne teruggevonden.
Nieuwe blik op theater
Theater is al sinds mijn middelbare school een bepalend onderdeel in mijn leven. Via het schooltoneel en jeugdtheaterschool vond ik de magie van verbeelding. Ik werd verliefd op het spelen, op het proces van maken, op die bijzondere achter-de-schermen-wereld.
Tijdens mijn studie theaterwetenschap werd ik aangetrokken door de kracht van verbeelding in de mime. Ik schreef over theater, zat in de mimejury, werkte mee aan voorstellingen, gaf les aan theaterstudenten. Mijn passie werd mijn vak.
Toen werd ik moeder. Ik maakte van dag tot dag mee hoe een kind zich ontwikkelt. Met alle eerste keren die daarbij horen. Eerste stapjes. Eerste woordjes. Eerste keer vallen van je fietsje. Eerste keer niet vallen van je fietsje. De eerste keer een kind met koorts. De eerste keer met de wandelwagen in de supermarkt. De eerste keer op zoek naar een terras dat niet aan het water ligt, een café dat geschikt is om over de vloer te kruipen of een koffietentje met een speelhoek. Je kunt al jaren in een stad wonen, maar zodra je ouder wordt leer je die plek opnieuw kennen. Je kijkt naar hetzelfde, maar met andere ogen.
Dat bleek voor het bezoeken van theater niet anders te zijn. Hoe vertrouwd ik me ook voel in het ritueel rond kassa, garderobe, zaal en applaus, de eerste theaterbezoeken met onze zoon A. lieten me met een nieuwe blik kijken. Die nieuwe blik botste nogal met mijn oude blik van theaterprofessional.
Jarenlang keek ik naar jeugdtheater vanuit mijn rol als dramaturg of recensent. Die rol zat me als gegoten. Maar nu bezocht ik jeugdtheater als moeder. Die ervaringen, vanuit die nieuwe rol, heeft me op een andere manier laten kijken naar jeugdtheater. In dit artikel doe ik een poging om die botsing te reconstrueren. Want die botsing heeft mijn blik op theater verrijkt.
2019: eerste stappen in het theater
In het kleine zaaltje, helemaal boven in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag, staan voor de tribune lage bankjes en liggen kussens op de grond. Lekker dichtbij zodat de jonge theaterbezoeker het goed kan zien. De meeste kinderen ploffen meteen vooraan op een van de kussens. Ouders settelen zich op hun gemak op de eerste rij van de tribune. Ik zie dat A. twijfelt. Hij is nogal onder de indruk van het hele gebeuren. We nemen plaats op het laatste lage bankje. Zo blokkeer ik niet het zicht voor andere kinderen, maar kan A. kiezen: vooraan bij de andere kinderen of naast me op het bankje. Hij kiest voor het bankje.
In TimTim van Simone de Jong spelen Niels Kuiters en Toon Kuijpers twee timmermannen die een groot houten voorwerp steeds weer transformeren. Het leek me een theatraal verantwoorde versie van Buurman & Buurman. Succes verzekerd. Dacht ik.
De voorstelling begint. Tim en Tim klussen onafgebroken aan het houten blok. Ze schuiven en draaien, ze klimmen en klauteren. Ze openen luikjes, bevestigen gordijntjes en drinken uit een fragiel theekopje. Een anekdote is er niet echt. De voorstelling bestaat uit een aaneenschakeling van beelden en handelingen rondom dat continu transformerende huis. Misschien hoeft dat ook niet voor deze jonge doelgroep. Maar de dramaturg in mij vindt het daardoor wel nog ‘kabbelen’. Ja, dat was misschien het woord geweest dat ik in een recensie had gebruikt. Naast woorden als ‘vernuftig’ en ‘beeldend’ en ‘poëtisch’.
Maar ik ben hier niet als dramaturg. Ik ben hier als moeder. Ik kijk naar de voorstelling, maar eigenlijk kijk ik vooral naar A., in een poging te doorgronden wat hij vindt. De voorstelling biedt volop slapstick wat hem meestal doet schateren. Nu zie ik vooral een ingespannen gezicht.
Dan valt de nacht in. Een van de timmermannen is in slaap gevallen. Het licht dempt en wordt blauwig, de muziek wordt sfeervoller, maar ook spannender en lager van toon. Terwijl het grote blok kantelt, neemt het het slapende lichaam van Tim mee. De theaterprofessional in mij vindt het een prachtige droomsequentie met acrobatische choreografie.
Maar A is bang. Hij kruipt tegen me aan, stopt zijn hoofd onder mijn oksel. Ik wil weg, zegt hij. En in een poging hem gerust te stellen, buig ik opzij, pak zijn gebalde vuistje en fluister: Het is niet echt, hè. Dit hebben ze zo geoefend. Het is maar theater.
Ik schrik van mezelf. Ik heb jarenlang theater kijken en maken achter de rug. Ik heb die hele periode de mond vol gehad van het belang van verbeelding. Ik heb me verbaasd over, nee geërgerd aan, ouders die een scene gingen uitleggen aan hun kind. O, dat jongetje is verdrietig. Ouders die wezen op wat het kind moest zien.Kijk daar, een vogeltje. En ik dacht dan: Laat dat kind gewoon kijken. Het is theater, geen poppenkast.
En nu heb het gevoel dat ik die ervaring als professional in het theater in één moment teniet heb gedaan. Het is niet echt. Het is maar theater. Met twee zinnen prik ik de verbeelding door, die ik zelf steeds zo hoog in het vaandel had staan. Maar ja, dat was de theaterprofessional die geen idee had van hoe ouders en kinderen theater écht beleven. Nog niet.
2020: huilend de zaal uit
Er volgen (uiteraard) meer voorstellingen. Partner R. neemt A. mee naar Pakketje Met (4+) van Theater Sonnevanck. Recensent Henri Drost noemt het een dolkomische voorstelling die iedereen vanaf vier jaar aan het denken en lachen krijgt. Pakketje met krijgt zelfs het embleem ‘Keuze van de criticus’. Bij A. pakt het toch net iets anders uit. Het gegeven dat één van de bezorgers het pakket tóch open maakt, terwijl de andere bezorger nog zo had gezegd dat dat niet mocht, resulteert bij A. in lichte paniek. Hij vindt het zó spannend dat hij huilt dat hij weg wil.
Bij het daaropvolgende theaterbezoek gaat het echt mis. Ik ga met A. naar een voorstelling waarvan ik me de titel niet eens meer herinner. We hebben ‘m namelijk uiteindelijk niet gezien. Ik herinner me van die voorstelling dat A. voor aanvang al huilde dat hij weg wilde. Ik herinner me dat ik met hem in m’n armen rechtsomkeert maakte, de trap op, de zaaldeuren uit. De vriendelijke medewerker die zegt dat we ook achteraan mogen zitten, kijk ik niet aan. Ik mompel zo vriendelijk mogelijk: ‘Nee hoor, hoeft niet, we gaan naar huis’. Ik herinner me dat ik vecht tegen mijn tranen. Geraakt door het grote verdriet van mijn kind, maar vooral door mijn eigen onmacht. Waarom lukt het me niet om hem hier door heen te loodsen? En waarom moet ik weer huilen terwijl ik dit schrijf?
2020-2021: zoeken naar verbeelding die past
Ik beschouw mezelf niet als helikoptermoeder of curlingouder. Ik vind dat je kinderen moet leren omgaan met de hobbels en obstakels in plaats van ze te vermijden. Maar als onze tweede zoon, geboren in 2019, toe is aan zijn eerste theaterbezoek na de lockdowns, ga ik voor de veilige optie: Nijntje de musical.
Mijn theaterhart heeft het moeilijk. Ik kijk met bewondering naar de vormgeving met de consequent doorgevoerde Dick Bruna-stijl en de inventiviteit van de decorwisselingen. Er wordt uitstekend gezongen en de spelers krijgen met hun uitvergrote spel alle kinderen in de zaal met gemak mee. Ook die van mij. Het is allemaal heel knap en zorgvuldig gedaan. Maar de herkenbaarheid voert hier dusdanig de boventoon dat alle fantasie is verdampt. Dus dat is ook niet de richting die bij ons past.
Er volgt een reeks aan theaterbezoeken met wisselend succes. De intieme vertelling Ziza wil geen ninja zijn maakt indruk, vooral op mij door het ontroerende verhaal van een jongetje dat zijn eigen pad kiest. Gezocht konijn en Bully Bully van MAAS Theater en Dans slaan aan, Robin Hood van Sonnevanck en Phion is dan weer wat overweldigend. Stuntkont van 155 en MAAS is een regelrechte hit, niet in de laatste plaats door de scheetkussen-dansvloer na afloop. De Keos van Kees valt mij een beetje tegen door de wat rommelige dramaturgie, maar tot mijn verbazing mengt A. zich in het nagesprek en deelt waar hij wel eens boos van wordt. We genieten als gezin van De grote ik heb hier geen zin in show, waarbij A. vooral aangaat op die malle volwassenen die nog geen banaan in een prullenbak kunnen gooien en Y. gebiologeerd naar muzikant Keimpe de Jong blijft kijken. En wij genieten dan juist weer van het komisch vakmanschap van de spelers en de heerlijke ontregelende absurditeit die Jetse Batelaan in het jeugdtheater weet te brengen. En ja, ook van die banaan.
A. groeit. En wij groeien in onze rol als (theater)ouder. We kiezen nauwkeuriger. Niet per se risicoloos, maar wel rekening houdend met wie hij is en wat hij nodig heeft. We kijken met een nieuwe blik naar het jeugdtheateraanbod, zoals we ook opnieuw gingen kijken naar onze stad, onze supermarkt en onze stamkroeg.
2024: de woorden gevonden
Voor ik met Y. naar Murmur van Grensgeval en Aifoon ga, laat ik de trailer zien. Die oogt al veelbelovend. Beide jongens zijn onder de indruk van de performer die ondersteboven aan de tissu hangt en allerlei acrobatische stunts uitvoert. We komen een vrij donkere ruimte binnen en mogen op bankjes in een kring gaan zitten. We krijgen een rugtasje op. Ik voel en zie dat Y. het nu al best spannend vindt. De ruimte, de mensen, de stilte. Er hangt ook inderdaad een wat beladen sfeer.
Als de voorstelling begint, komt de performer de cirkel in. Ze loopt rond, maakt contact en geeft een klein boxje aan een van de kinderen. Y. kruipt meteen op mijn schoot. Als het om publieksparticipatie gaat, lijkt hij blijkbaar op zijn ouders. Niet ik, niet ik, niet ik. En ja hoor, de performer reikt ook Y. een boxje aan. Hij schudt heftig nee en kruipt nog dieper onder mijn armen. Ik wil naar huis, klinkt het naast me. Nee, we gaan niet naar huis, fluister ik, het komt goed, we zijn samen.
Er komen steeds meer geluiden bij. Uit de boxjes die de kinderen vasthouden, uit onze rugzakjes, uit de grote boxen in het midden. Gaandeweg worden we omringd door geluiden en beweegt de performer meer een meer door de ruimte. Met de tissu draait en zweeft ze in het rond. Het is werkelijk betoverend om te zien hoe iemand zo gewichtloos kan lijken.
Naast me voel ik nog steeds de spanning bij Y. Ik buig opzij en fluister: ik hoor een vogel, jij ook? Zijn aandacht verschuift. Hij tunet in op de geluiden en knikt. Niet veel later buigt hij mijn kant op en fluistert: ik hoor een vliegtuig. Vervolgens herkennen we samen de geluiden van de zee, van de stad, van dieren.
En ineens besef ik dat het me is gelukt. In plaats van de illusie te doorbreken met de woorden het is niet echt, het is maar theater, heb ik een handvat gevonden om door de spanning heen te gaan. Het lukt me om theatrale code van deze performance en de muzikaliteit van dit specifieke kind bij elkaar te brengen.
2025: een nieuwe nieuwe blik
Ik heb in de afgelopen theatrale tropenjaren zo ontzettend veel geleerd over theater van mijn kinderen. Bijvoorbeeld hoe zintuigelijk een bezoek aan het theater zelf al is. Simpelweg omdat het gebouw onbekend is en groot, omdat je omringd bent door mensen en geluid. En dan moet de voorstelling nog beginnen. Bijvoorbeeld hoe complex die verbeelding in het brein van een kind is en dat dat spanningsveld tussen feit en fantasie een zegen en een vloek tegelijk is. Bijvoorbeeld dat ik te makkelijk heb gedacht over ouders die hun kind door een voorstelling gidsen.
Desondanks geloof ik nog steeds in de kracht en het belang van verbeelding. Ik geloof ook nog steeds in het belang van het agenderen van grote thema’s, ook in jeugdtheater, juist in jeugdtheater. Maar ik snap nu ook, van dichtbij en van binnenuit, dat je als ouder moet mee bewegen met het kind dat je gegeven is. Als theatermaker maak je een voorstelling voor een zaal vol kinderen, als moeder verhoud ik me tot dit specifieke kind.
Door mijn rol als moeder realiseerde ik me ook hoezeer het dagelijkse leven van kinderen al vervlochten is met leren, met vallen en opstaan, met grenzen verkennen, met het oprekken van je comfort zone. Door steeds hoger op het klimrek te klimmen, door rekentafels heen te worstelen of door een ruzie met een vriendje op te lossen. Ik heb daardoor ook een grotere waardering gekregen voor theater als ontspanning. Als plek waar je even neer mag ploffen, kunt genieten van een goed verhaal en gewoon even lekker kan lachen.
Dus terwijl we teruglopen, van theater terug naar het station in dat vermeende winterse zonnetje, valt alles op z’n plek. Het zijn dit soort goedgemaakte jeugdvoorstellingen die op meerdere niveaus aanspreken en je de ruimte geven om te kijken met je eigen blik. Of je nou van cognitief-filosofisch namijmeren houdt. Of je geniet van het artistieke vakmanschap. Of gewoon het liefst de kreeft naspeelt. Hoe dan ook, we waren samen.
Beeld Eline Veldhuisen







