Alma Fischer, een angstig en onzeker meisje, wordt aangenomen op de Theaterschool en verhuist naar Amsterdam. Daar dompelt ze zich onder in het wereldje van de opleiding, dat al snel alle aspecten van haar leven gaat beheersen. In Wie ik aan het zijn was van Anne van Veen blikt Alma terug op dit eerste schooljaar, waarin ze een verhouding begint met haar docent Peer Daels, een getrouwde Vlaming van in de vijftig.

Ruim voordat de debuutroman van Anne van Veen verscheen was er al veel om te doen: de Volkskrant zinspeelde afgelopen zomer in het beruchte artikel over de ‘Theaterschoolaffaire’ op mogelijke onthullingen van Van Veen. In de krant werden Jappe Claes en Ruut Weissman, beiden (voorheen) werkzaam op de Theaterschool in Amsterdam, beschuldigd van relaties met studentes. Claes, getrouwd, vader en zo’n dertig jaar ouder dan zijn leerlingen, ontkende de aantijgingen op één na – zijn relatie met Anne van Veen (1983), destijds zijn studente aan de Amsterdame Toneelschool en Kleinkunstacademie (ATKA).

Van Veen studeerde in 2006 af en debuteerde een jaar later met het liedjesprogramma Anne. Ze bracht twee albums uit, Bij mij en Tegengif, en treedt op in Nederland en Vlaanderen. Wie ik aan het zijn was is de autobiografische roman die zij schreef over haar affaire met Claes.

In de eerste weken van haar studie biedt Peer Alma als nerveuze actrice-in-wording zekerheden waar zij zich graag aan vastklampt. ‘Voor één nanoseconde was ik in contact met het meisje dat hij in mij zag en even zo snel verdween het weer’, zegt ze in het begin van de roman. Ze raakt verslaafd aan zijn aandacht, kennis en onaantastbaarheid. Hun gezamenlijke geheim plaatst haar boven haar klasgenoten. Ook hij raakt verslaafd aan haar; ‘zijn levensverzekering’, noemt hij haar.

Gaandeweg wordt hun verhouding steeds problematischer. Ze moeten meer en meer hun best doen om de affaire geheim te houden – het kan hem immers zijn carrière kosten. Alma raakt steeds afhankelijker van Peers aandacht en erkenning, haar schoolresultaten leiden eronder en ze zondert zich af van haar klasgenoten en familie. Peer belt haar ’s nachts in paniek op omdat hij denkt dat haar vader het heeft ontdekt. Ze maken zich schuldig aan een relatie die door de buitenwereld nooit geaccepteerd zal worden, dat beseffen ze zich maar al te goed.

Van Veen beschrijft een fascinerende relatie: Alma vindt Peer afstotelijk, maar voelt zich toch immens tot hem aangetrokken. Om zijn uiterlijk is het haar niet te doen: ‘Peer was lelijk, maar dat was een truc. Peer was niet van hier, ook al leek het van wel. Peer sprak ondermaans laag en ’s avonds nog lager. Hij fluimde op straat. Hij haalde zijn neus op. Hij kloof op gefrituurde garnalen alsof het spareribs waren. Maar het was allemaal bedacht. Een slimme maskerade. Peer was de onsterfelijke minnaar.’

Ze is nog maagd als hij haar verleidt en ze schrikt van zijn ‘witte vissige lijf’, maar ook is ze verrast door de impact die zij met haar lichaam en bewegingen op hem heeft. Haar genot lijkt meer te schuilen in de macht die de seks haar geeft dan in echte geilheid. Je kunt je afvragen of dat verkeerd is. Moet seks altijd voor beiden even bevredigend zijn, of is macht ook een moreel acceptabele drijfveer indien beide partijen daarmee instemmen? Wellicht. Toch stoort het dat Alma geen enkele zelfreflectie toont: ze overweegt nergens of het verkeerd is dat Peer haar volledig in zijn macht heeft en of hij als haar meerdere niet beter zou moeten weten.

Wie ik aan het zijn was leest als een spannend dagboek met een constant dreigende ondertoon. Van Veen schrijft heldere zinnen: kort, als gedachtespinsels of flarden van gesprekken. Ze trekt de lezer hiermee volledig Alma’s gedachtewereld in. De ernst van ontwikkelingen die buiten Alma plaatsvinden (haar omgang met geld, haar schoolprestaties, de relatie met haar klasgenoten) maakt Van Veen pas later zichtbaar, wat het boek spanning geeft. Op onverwachte momenten geeft ze kleine brokjes informatie die inslaan als een bom. Zo is er het personage Fay, een vierdejaars studente door wie Alma al vanaf haar audities gefascineerd is. Fay lijkt telkens meer te weten dan anderen en vormt een spannende tegenkleur. Ze is er opeens als Alma en Peer door een donker steegje lopen, of ze komt net uit Peers werkkamer als Alma voor de deur staat.

Het personage Fay is een mooie literaire vondst in een roman waarin Van Veen weinig moeite doet om de gelijkenissen tussen Peer en Claes en andere autobiografische elementen te verbloemen. Het verhaal is fictief, maar tegelijkertijd is het ook de eerste keer dat een van Claes’ studentes haar stem laat horen. Wie ik aan het zijn was geeft zo tegenkleur aan het ongenuanceerde antwoord op de schuldvraag uit de media.