Er is genoeg publiek voor theatervoorstellingen. Het ontbreekt theaters alleen aan kwalitatief hoogwaardig aanbod voor een groot publiek, zegt een aantal theaters, aangevoerd door het Amsterdamse DeLaMar Theater. Daarom gaan de podia dat aanbod gezamenlijk zelf produceren, vertelt DeLaMar-directeur Edwin van Balken.

Door Robbert van Heuven

Wat is precies het probleem?

‘Om bij ons theater te beginnen: het DeLaMar Theater werd in 2010 geopend om een podium te bieden aan verschillende soorten bespelers die kwalitatief hoogstaand theater brengen voor een groot publiek. Maar het aanbod bleek te gering om twee zalen 365 dagen per jaar te vullen. Daarom zijn we zelf gaan produceren. Het maken van theater zonder subsidie is echter bijzonder risicovol. Ik hoef geen winst te maken, maar dan nog is het lastig genoeg publiek te trekken om uit de kosten te komen.

Andere theaters zien dat tekort aan kwalitatief publieksaanbod ook. Gesubsidieerde gezelschappen spelen vaak maar korte series en moeten voldoen aan specifieke subsidie-eisen. Vrije producenten moeten winst maken en produceren daarom risicoloos. Bovendien is het aantal aanbieders van vrije producties op een hand te tellen. Daarom zitten theaters met gaten in hun agenda.

Als we het theateraanbod op niveau willen houden, dan schuilt de toekomst in samenwerking met andere partners: theaters, vrije producenten en gesubsidieerde gezelschappen. Met die insteek ben ik naar acht collega-theaters toegegaan, waaronder Luxor in Rotterdam en Chassé in Breda, om te vragen: zien jullie ook ruimte in je programmering om meer kwaliteitstheater voor een groot publiek te tonen? Die ruimte zagen zij.’

Wat houdt jullie plan in?

De deelnemende theaters brengen samen een bedrag bijeen als voorfinanciering. Ze formuleren gezamenlijk een opdracht voor een producent, die een bescheiden productiefinanciering ontvangt. Hij maakt vervolgens de productie die in de theaters te zien zal zijn. Maar hij krijgt ook de mogelijkheid om met de theaters te delen in de winst die de productie hopelijk opbrengt.’

Aan wat voor soort producties moeten we denken?

‘Op dit moment zijn we nog in gesprek met een producent. Maar je moet denken aan grootschalig muziektheater met een grote cast, zoals bijvoorbeeld In de ban van Broadway. Het gaat om voorstellingen die producenten in hun eentje niet meer kunnen maken. Het is moedig dat er nog vrije producenten eigen geld in theatervoorstellingen steken. Maar het resultaat is wel dat alles bij wijze van spreken in een busje moet passen. Dat is begrijpelijk, maar of je daarmee een breed en nieuw publiek voor theater enthousiasmeert is de vraag. Samenwerking schept nieuwe kansen om theater interessant te houden voor een breed publiek.

De voorstellingen die wij willen produceren zouden een brugfunctie kunnen vervullen tussen verschillende publieksgroepen. Grof gezegd: tussen het publiek van The Bodyguard en Distel van Orkater bestaat geen overlap. Maar grootschalig en goed gemaakt muziektheater zou wel een deel van beide publieksgroepen moeten kunnen bereiken. Bij In de ban van Broadway zat ook ervaren en minder ervaren publiek door elkaar in de zaal. Ik vind dat geweldig. Uiteindelijk willen theaters en producenten, zowel gesubsidieerde als commerciële, allemaal hetzelfde: publiek bereiken.’

Het betekent ook dat theaters producenten worden. Zal dat in de toekomst gebruikelijk zijn?

‘Ik vind het moeilijk om in een glazen bol te kijken. Theaters moeten vooral blijven programmeren en voor dat programma kaartjes verkopen, maar inderdaad betekent het dat we ons deels ook op hetzelfde vlak gaan begeven als producerende podia. Als de huidige gesubsidieerde en ongesubsidieerde producenten onder financiële druk staan, dan zullen er meer initiatieven ontstaan om het veld te versterken. Het wordt dan interessant om de krachten te bundelen en ideeën te combineren. Ik zeg niet dat ons initiatief op dat gebied zaligmakend is. We moeten zien of het publiek het leuk vindt. Maar het is een poging om de verschillende partijen bij elkaar te krijgen. We kunnen veel van elkaar leren. Vrije producenten kunnen van gesubsidieerde gezelschappen leren hoe je ideeën verder ontwikkelt, gezelschappen kunnen van theaters en vrije producenten leren hoe je een publiek opbouwt. Ik kan me niet voorstellen dat die ontwikkeling de komende jaren niet doorzet.’