Tryater bestaat vijftig jaar en speelt Grûn, speciaal voor de gelegenheid in de pas verbouwde schouwburg De Lawei in Drachten. Artistiek leider en regisseur Ira Judkovskaja en actrice Nynke Heeg vertellen over spelen in kleine zalen, het Friese publiek en de manier waarop zij theater het liefst zien.

Door Sara van der Kooi, foto Saris & Den Engelsman

‘We gaan het toch niet over theatermaken in de regio hebben?’ Regisseur Ira Judkovskaja reageert fel als ik haar vraag hoe ze als theatermaker in Friesland denkt over artistieke risico’s. Het is de dag na de première van Grûn (Fries voor grond), de vier uur durende voorstelling ter ere van het vijftigjarig jubileum van het gezelschap die ze niet alleen regisseerde maar waarvoor ze ook de tekst schreef. Door de wol geverfd Tryater-actrice Nynke Heeg schuift, voorafgaand aan de grime en kap, ook aan om haar ervaringen met theatermaken in haar heitelân te delen en vooroordelen weg te nemen.

Judkovskaja: ‘Tryater werkt al vijftig jaar buiten de geijkte theaterzalen. Laatst was ik bij een debat over werken “in de regio”. Wat is een regio? Voor mij als Rus is heel Nederland een regio. Anders gezegd: ik vind het denken over “de regio” heel discriminerend, een voorbeeld van hokjesdenken. Mensen uit de Randstad zijn vaak verbaasd dat ons gebouw geen oude schuur is met boeren op klompen, of dat het premièrepubliek hier in Drachten ook mooi gekleed gaat. Erg toch? Veel mensen hebben niet door dat het denken in stad versus regio uit de jaren negentig stamt en niet meer klopt in 2015.

‘Natuurlijk, er zijn verschillen. Het grootste verschil is het publiek. Een zaal vol theatermakers heeft een totaal ander reflectiekader; die mensen hebben al zoveel verschillende vormen gezien. Hier speelt iets anders. Bij ons brede publiek ben ik vaak bezig ze te overtuigen niet te denken aan hoe het vroeger was. Mensen hebben ooit een voorstelling van Tryater gezien en denken dat het dus zo hoort. Nee, zo hoort het niet. Er is niets wat hoort. Het gesprek met je publiek is in die zin dus anders. Ons publiek bestaat ook voor een groot deel uit betrokken amateurspelers. Steeds weer moeten we uitleggen dat amateurspelers niet minder zijn, maar wel heel anders denken. Tryater is niet bezig met amusement maar met theaterkunst. En wat is dat? Dat gesprek is eigenlijk non-stop gaande.’

Judkovskaja draagt het ene na het andere voorbeeld aan over het belang van het juiste referentiekader. ‘Een tijdje geleden zat ik bij een voorstelling van de internationaal bekende theatermaker Krimov bij het Golden Mask Festival in Moskou. Het was een voorstelling die echt schreeuwde: de luiken gaan dicht en we gaan terug naar de tijd van de Sovjet-Unie. Maar ik zat daar met een stel Nederlanders en die vonden het gewoon een rare grappige voorstelling, omdat ze de verwijzingen niet snapten. En dat gebeurt je natuurlijk overal, op een eigen manier. Ook in Friesland. Die context van communiceren, hoe je je omgeving bevraagt, daarin zitten de artistieke risico’s die je moet opzoeken: wat durf je aan te kaarten? Het gaat er niet om of je wel of niet in een theatergebouw speelt.’

Heeg: ‘Volgens mij draagt elk stuk dat je maakt een risico in zich. Waar je het presenteert maakt niet zoveel uit. Een theatermaker wil zichzelf altijd uitdagen. Het is voor ons zo normaal om in kleine zaaltjes te spelen en naar de mensen toe te gaan, dat doen wij gewoon.’

Vormt theatermaken in dorpshuizen voor jullie dan geen uitdaging meer?

Heeg: ‘Jawel want je moet je publiek wel behouden, ook het publiek in de dorpshuizen heeft een steeds drukker programma en steeds minder geld. Dus dat blijft een uitdaging. Het is bovendien bijzonder hoe bevlogen en gepassioneerd ons publiek is – theater leeft hier enorm. En mensen schromen ook niet om na afloop te komen vertellen hoe zij vinden dat het moet. Ik denk dat het in deze tijden van anoniem geschreeuw op internet steeds belangrijker wordt dat er momenten zijn waarop alle lagen van de bevolking echt bij elkaar komen. Die momenten kunnen wij bieden. Ik heb echt het gevoel dat wij met theater kunnen bijdragen aan wederzijds begrip en gemeenschapsvorming.’

Hoe werkt het als je vrijwel alleen in dorpshuizen speelt, dan moet je toch wel concessies doen?

Judkovskaja lacht: ‘Nou je moet vooral heel goede technici hebben, en die hebben we.’

Heeg: ‘Ook al spelen we op kleinere plekken, we houden onszelf niet klein. Ira kiest ervoor om alle grote onderwerpen gewoon aan te gaan. Dat we op letterlijk kleinere plekken spelen wil weleens betekenen dat een lamp wat lager hangt, maar aan het verhaal dat we vertellen doen we geen concessies.’

Judkovskaja relativeert: ‘Je moet natuurlijk niet een decor van tien meter in een ruimte van vijf meter willen stoppen, daar moet je technisch goed over nadenken. En er zijn praktische beperkingen. Wanneer je met een voorstelling langs de standaard kleine zalen reist, kom je met twee man techniek en krijg je nog een technicus van het huis. In een dorpshuis zijn geen technici. Dus dan nemen wij zelf vijf technici mee. Deze vorm van theatermaken is daardoor duurder. Wij komen met een of twee trailers en maken een dorpshuis tot tijdelijk theater. En in een dorp van vijfhonderd bewoners hebben we er vervolgens wel tweehonderd in de zaal zitten. Hartstikke goed, maar je kunt dus niet elke avond voor vijfhonderd mensen spelen, simpelweg omdat die er niet wonen. Waardoor je inkomsten per voorstelling weer lager zijn. Het is kortom meer maatwerk en het is duurder.’

Hoe ervaar je dan nu het werken in De Lawei? Nu hoef je geen rekening te houden met reizen naar kleinere zalen.

Judkovskaja: ‘Tja dat is ook wel eens lekker. Je moet alsnog goed weten en uitleggen wat je wil, omdat je in de best lopende periode van het theaterseizoen de zaal een paar weken blokkeert. Niet alleen met voorstellingen maar ook met een week montage waarin de schouwburg geen inkomsten heeft. Gelukkig staat de Lawei daarvoor open. Prettig is ook dat het een comfortabel gebouw is, dat is ook wel eens aangenaam voor de acteurs. En natuurlijk hebben we nu optimale zichtlijnen en licht, daardoor kunnen de ontwerpers echt los gaan. De schouwburg is mijn eerste liefde. Zo’n gebouw dat ontworpen is voor het publiek om met elkaar en in alle rust een theatervoorstelling te mogen beleven. Dat heeft voor mij een bijna religieus aspect, wat overigens, ontdekte ik veel later, locatietheater ook heel sterk heeft.’

Wat was je uitdaging, je drijfveer om de jubileumvoorstelling Grûn te maken?

Judkovskaja: ‘Een jaar of vier geleden begon ik met interviews voor Grûn, vanuit de gedachte: mensen hebben het vaak over De Fries. Maar wat is dat? En hoe heeft dat beeld zich de afgelopen generaties ontwikkeld? Je komt dan ook bij veel religieuze vraagstukken uit, die fascineren mij. Het interviewen begon vanuit nieuwsgierigheid, ik was niet van plan het stuk ook zelf te gaan schrijven. Wat het werken bij Tryater zo leuk maakt, is dat ons netwerk heel gevarieerd is. We zijn denk ik het enige BIS-gezelschap dat zoveel voor mbo-opgeleide mensen speelt. Die komen meestal niet naar de schouwburg. Maar ik zit ook met politici en vrijwilligersorganisaties uit de dorpen aan tafel. Mensen uit al die lagen heb ik gevraagd mij hun verhalen te vertellen. Die zag ik eerst als onderzoeksmateriaal, maar bij de zoektocht naar een schrijver kwam ik erop uit dat ik het toch het beste zelf kon schrijven omdat ik de gesprekken zelf had gevoerd en de vragen zelf had bedacht.’

Heeg: ‘Toen ik een klein meisje was, dacht ik als Friese boerendochter dat ik geen actrice kon worden. Een tijdlang dacht ik dat ik mijn boerenachtergrond moest wegstoppen, maar dat wilde ik niet. Nu zie ik hoe het naast elkaar en tegelijkertijd kan bestaan: ik ben actrice én boerendochter én Fries. Bij kinderen die nu opgroeien op het platteland leven dat soort gedachten veel minder. De grote stad is dichterbij dan ooit, er is weinig verschil meer tussen verschillende delen van het land. Wat ik zo leuk vind aan het stuk dat Ira gemaakt heeft, is dat het gaat over gewone mensen, afkomstig uit twee boerenfamilies, die ook met dit soort thema’s worstelen.’

Judkovskaja knikt: ‘De wereld is veel kleiner geworden.’

Heeg: ‘Ja, en voor mijn gevoel is dat snel gegaan. Het is nu echt anders dan in de jaren negentig.’

Judkovskaja: ‘Al die talentenprogramma’s op televisie dragen daar ook aan bij. Ik ken bijvoorbeeld ook veel jonge mensen die in New York een opleiding willen gaan doen. Internet heeft de wereld zoveel kleiner en toegankelijker gemaakt.’

Opvallend aan het programmaboekje van Grûn is dat de acteursportretten erin zo ontzettend onopgesmukt zijn. Geen glossy publiciteitsfoto’s.

Heeg: ‘Dat is ook wat Ira wil in haar voorstellingen, de acteurs gewoon te laten “zijn”.’

Judkovskaja: ‘Ik roep heel vaak tijdens het regisseren: “Niet spelen!” Maar dat heeft meer te maken met mijn stijl. Ik geloof niet in personages, ik kijk naar wie er op toneel staat. Een acteur staat er toch altijd als zichzelf en pakt de mechanismen van een personage om mee te spelen. Alleen als het nodig is voeg je iets toe. Er is nu bijvoorbeeld een verstandelijk beperkt personage, ja, daar voeg je als acteur wel iets aan toe, een gedragsmechanisme. Maar daardoor wordt het ook heel ontroerend. Verder blijft hij zichzelf, hij gaat niet gek lopen of praten. Je legt er zo min mogelijk op, geen maniertjes.’

Heeg: ‘Je mag het als kijker zelf invullen en daardoor wordt het ook geloofwaardig, denk ik.’

Judkovskaja: ‘Ik zoek naar emotioneel expressionisme, wil dat een acteur deelt wat een onderwerp met hem doet. Dat is nooit eendimensionaal, nooit zwart-wit. Ik ben altijd op zoek naar hoe je de complexiteit en veelheid van het leven voelbaar kunt maken. Daarom moet je op het toneel meerdere verhalen naast elkaar vertellen.’