Deze maand verschijnen er twee boeken die ingaan op de vraag hoe je theater als een vorm van denken kan opvatten. Beide komen uit in de serie ‘Thinking Through Theatre’, een nieuw initiatief waarin werk van zowel bekende als beginnende wetenschappers wordt opgenomen. Redacteur Maaike Bleeker en schrijver Liesbeth Groot Nibbelink geven in deze Theatermaker een introductie.

De serie Thinking Through Theatre
Het ‘denken’ van het theater kun je op verschillende manieren begrijpen. De boeken in de serie zijn vormen van denken over theater, het doordenken over wat theater is. Maar het ‘denken’ in de titel van de serie verwijst ook naar iets dat gebeurt in de praktijk van het theater: theater maken als een vorm van denken door middel van de praktijk. Theater neemt daarbij ook de toeschouwers mee in vormen van denken. Maaike Bleeker: ‘Het gaat om het denken dat door theater in beweging gezet wordt en waar je door theater toe uitgedaagd wordt. Dit soort denken doe je niet alleen in je hoofd, en in je eentje los van de wereld, maar dat gebeurt in interactie met de wereld om je heen. Actuele ontwikkelingen in cognitieve wetenschappen en in filosofische stromingen als New Materialism laten zien wat eerder al door filosofen en theoretici als Maurice Merleau-Ponty en Deleuze and Guattari is opgemerkt, namelijk dat denken een doen is dat onlosmakelijk verbonden is met handelen, met ons lichaam en met onze omgeving.’ Theater zou je als een demonstratie kunnen zien van denken dat vorm krijgt in het doen en in materiële praktijken. De boeken in deze serie gaan over zulk denken in, door en over theater.

Thinking Through Theatre and Performance
De aanleiding voor Thinking Through Theatre and Performance was een vraag van uitgeverij Bloomsbury aan Maaike Bleeker, Heike Roms, Joe Kelleher en Adrian Kear om een nieuw boek te maken voor het onderwijs in theater en performance. De redacteuren hebben vervolgens met elkaar nagedacht over wat voor boek zij zelf graag zouden lezen en gebruiken met hun studenten. Daar is deze opzet uit voortgekomen. Het boek begint vanuit vragen die je je kunt stellen over theater en die relevant zijn voor zowel het denken over theater dat door anderen is gemaakt, als voor het zelf maken en bestuderen van theater. Hierbij kun je denken aan vragen als: ‘Why study drama?, ‘How does theatre think through things?’, ‘How can performance disrupt institutional spaces?, ‘How and why are performances documented?, ‘Does staging historical trauma reenact it?’

Die vragen zijn aanleiding om ideeën en theorieën te introduceren die kunnen helpen om een antwoord op die vragen te geven. Bleeker: ‘We wilden niet een boek maken dat zegt “zo zit het met theater” of “deze theorie geeft het juiste antwoord”, maar een boek dat begint vanuit wat je je allemaal zou kunnen afvragen over theater. En dat laat zien wat voor ideeën en theorieën er bestaan die je kunnen helpen om je eigen antwoorden te formuleren. Er zijn natuurlijk nog veel meer vragen die je over theater kunt stellen dan wij gedaan hebben. We hopen dat het boek inspiratie kan zijn om je van alles af te vragen en materiaal kan aanreiken om je eigen antwoorden op die vragen te formuleren.’

Vanuit die insteek draait het dus niet zozeer om het analyseren van voorstellingen of praktijken, hoewel dat zeker wel aan de orde komt. Het boek doet in plaats daarvan een voorstel voor een manier van onderzoek doen en schrijven waarbij je je actief verhoudt tot datgene wat je onderzoekt en de manier waarop je er over schrijft. Het gaat niet om het toepassen van theorie op theater of het laten zien dat theater demonstreert wat de theorie beweert, maar om een werkwijze waarbij je je als onderzoeker of schrijver open stelt voor wat een voorstelling zelf aanreikt en dat in dialoog brengt met theorie en filosofie. Dit staat ook in verband met de keuze om het boek op te zetten vanuit vragen. In elk hoofdstuk staan één of meerdere voorbeelden centraal en laat de auteur van dat hoofdstuk zien hoe die voorbeelden je kunnen inspireren om na te denken over antwoorden op de vragen die je je over theater kunt stellen en hoe je verbanden kunt leggen tussen wat de voorstellingen doen en uiteenlopende theoretische en filosofische inzichten.

Eén van die hoofdstukken gaat over scenografie en is geschreven door Liesbeth Groot Nibbelink. Het hoofdstuk reflecteert specifiek op de vraag wat scenografisch denken is, wat direct verband houdt met de vraag wat het betekent om iets te ensceneren, om hoe je theater maakt. Groot Nibbelink: ‘Scenografie, het schrijven van de scene, stelt heel direct vragen over wat ensceneren is. Wat komt daar allemaal bij kijken, welke keuzes worden gemaakt, welke ruimtes kies je, hoe bepaal je wat er in die ruimtes kan gebeuren, hoe kunnen objecten een situatie definiëren, wat is de functie van materialen die je daarbij inzet en hoe stuurt de enscenering het kijken? Die vragen zijn direct gekoppeld aan materiële keuzes, daarom beschouw ik scenografisch denken als een vorm van materieel denken.’ Dat materiële denken gaat over hoe alle waarneembare aspecten van een enscenering – zoals ruimte, lichamen, objecten, materialen, geur of licht –  met elkaar samenwerken, hoe ze betekenis en ervaring creëren, hoe ze de handelingen en bewegingen van performers sturen en uitnodigen tot specifieke vormen van waarnemen. Deze aspecten worden besproken aan de hand van L’Effet de Serge van Philippe Quesne, een heel geestige voorstelling waarin de hoofdpersoon, Serge, experimenteert met special effects. We zien hem aan het werk in zijn woonkamer, die hij gebruikt als atelier en als theatertje, en via zijn kleine spektakeltjes laat Serge ons zien wat ensceneren is.

Nomadic Theatre: Mobilizing Theory and Practice on the European Stage
Nomadic Theatre bespreekt voorstellingen en installaties die zijn opgezet als wandeling, parcours of performatieve situatie, en die spelen met de grenzen en het gebruik van traditionele theaterruimtes. Om die beweeglijke processen te bestuderen en te beschrijven staat in dit boek een specifiek, nieuw samengesteld concept centraal, namelijk ‘nomadisch theater’. Het idee van het nomadische is ontleend aan de filosofie van Gilles Deleuze en Félix Guattari. Een kernconcept in hun ‘nomadologie’ is het begrip deterritorialisatie, wat kortweg staat voor het verstoren of ontregelen van territorium. Deleuze en Guattari zetten het begrip in bij allerhande filosofische vraagstukken, maar het is ook heel geschikt om deze nieuwe vormen van theater te begrijpen. Bleeker: ‘Wat wij als redacteuren van de Thinking Through Theatre-serie heel mooi vinden aan jouw boek Nomadic Theatre, en ook heel passend voor de serie, is dat je verbanden laat zien tussen hedendaagse filosofische en theoretische ontwikkelingen en nieuwe vormen van theater. En hoe je die kunt zien als verschillende uitdrukkingen van vergelijkbare vormen van denken.’

Het boek ontleent niet alleen inspiratie aan filosofie, er zijn veel meer theoretische disciplines die relevant zijn voor hedendaags theater, zoals cartografie, architectuur of game-theorie. In het boek wordt bijvoorbeeld beschreven hoe je Sporenonderzoek, een vroeg werk van Dries Verhoeven, als een vorm van performatieve cartografie kan opvatten. Groot Nibbelink: ‘Ik onderzoek hoe elementen als kaart, schaal, of coördinaten in dit werk gestalte krijgen, maar ik laat ook zien hoe in die voorstelling een heel specifieke opvatting over cartografie besloten ligt, namelijk één waarbij het “navigerende lichaam” onderdeel is van de gecreëerde kaart, een benadering die je zowel kunt koppelen aan GPS-technologie als aan middeleeuwse kaarten, interessant genoeg.’

Bij elke voorstelling wordt zo een specifiek theoretisch ‘klimaat’ gecreëerd, waarbij steeds een andere discipline centraal staat. In lijn met de filosofie van de serie gaat het er hierbij niet om de theorie toe te passen op de voorstelling, maar om het ensceneren van een dialoog tussen de voorstelling en dat theoretische klimaat. Het is een methode van ‘denken door de praktijk,’ ook ontleend aan Deleuze en Guattari, die heel vaak concrete voorbeelden gebruiken om te laten zien dat er in die praktijk een specifiek soort denken, logica of attitude  besloten ligt.

In de titel van het boek staan termen als ‘nomadic’ en ‘mobilizing’, begrippen die beide verwijzen naar beweging. Het boek gaat over veel verschillende soorten beweging, uiteenlopend van concrete, fysieke verplaatsingen tot meer abstracte, conceptuele bewegingen. Vaak is letterlijk sprake van beweging, in de besproken voorstellingen, waar wordt gewerkt met mobiele toeschouwers die zich verplaatsen door de stad of een installatie, en wordt gespeeld met de beweeglijkheid van ruimtes en de plaats van de performers. Het gaat ook over een specifiek soort interdisciplinaire voorstellingsanalyse, waarbij de onderzoeker steeds heen en weer beweegt tussen theorie en praktijk, zoals het cartografie-voorbeeld, en laat zien hoe een voorstelling inspireert tot bepaalde connecties, en hoe die connecties op hun beurt weer een nieuw licht werpen op de voorstelling. Het nomadische gaat daarnaast over beweeglijkheid zélf, een beweeglijkheid die dankzij haar vloeibare, niet-statische karakter ontsnapt aan dat wat gefixeerd is, en zo conventies, hokjes en grenzen doorbreekt. De voorstellingen in dit boek wijken ook vaak af van theaterconventies – althans, dat lijkt zo – en daarmee zetten ze eveneens het denken over theater in beweging.