Vorig seizoen was in Utrecht The Family te zien, het vierluik waarmee Lodewijk de Boer 45 jaar geleden de toneelwereld overrompelde. The Family was de sensatie van seizoen 1972-1973: lange rijen voor de kassa in de Brakke Grond, wanhopige toeschouwers op zoek naar kaartjes aan de telefoon en een lawine aan artikelen en recensies in de landelijke en provinciale dagbladen. De versie van Theater Utrecht was de vierde in 45 jaar. Behoort The Family daarmee nu definitief tot het Nederlandse repertoire? 

Wat is repertoire eigenlijk? Op die vraag is een handvol antwoorden mogelijk. Afhankelijk van het naslagwerk dat je raadpleegt, reiken de definities van ‘de werken die een artiest of toneelgezelschap kan uitvoeren’ en ‘de stukken die gedurende een seizoen bij een gezelschap op het programma staan’ tot ‘stukken die regelmatig worden opgevoerd omdat er steeds weer belangstelling voor blijkt te bestaan’. In mijn Franse theaterlexicon wordt bij die laatste definitie expliciet een link gelegd met patrimoine: ‘erfgoed’.

‘Stukken die regelmatig worden opgevoerd omdat er steeds weer belangstelling voor blijkt te bestaan’ kent ook Nederland in overvloed. Vanaf de Tweede Wereldoorlog hebben Shakespeare, Brecht, Tsjechov, Molière en Ibsen wat dit betreft de troepen aangevoerd. Wat opvalt – en wat iedereen ook wel weet – is dat er in dit soort lijstjes steeds maar heel weinig Nederlandse namen en titels voorkomen. Dat was in vorige eeuwen wel anders: stukken als De dood van de graaven Egmond en Hoorne (1685) van Thomas Asselijn en Belegering ende het ontset der stadt Leyden (1645) van Reynerius Bontius hielden decennia- of zelfs eeuwenlang repertoire, met voorop Vondels Gijsbrecht die 330 jaar lang rond oud en nieuw in de Amsterdamse Stadsschouwburg te zien was. Deze stukken werden op die manier onderdeel van het culturele erfgoed. Maar niet allemaal en niet voor altijd: het spectaculaire Belegering ende ontset der stadt Leyden werd in de negentiende eeuw doelbewust buiten de canon gehouden omdat het onvoldoende literaire kwaliteit bezat. Daarmee verdween het ook van het repertoire. Teksten van taalvirtuozen als Vondel, Hooft en Bredero kregen wel het stempel van goedkeuring en hielden dat tot ver in de vorige eeuw.

25 repertoirewaardige Nederlandse stukken
In het kader van het project In reprise is in 2014 door een dertigtal experts een lijst van honderd Nederlandse stukken vastgesteld die – wat hen betreft – voor regelmatige heropvoering in aanmerking zouden komen. Uit die lijst van honderd is vervolgens een Top 25 gededuceerd. Daarmee werd een poging gedaan om een kern van Nederlands repertoire (in de betekenis van ‘erfgoed’) vast te stellen. Maar je creëert natuurlijk geen repertoire door er een stempel op te zetten. In de eerste plaats moeten die stukken gewoon worden gespeeld.

Als je vanuit dat perspectief naar die Top 25 kijkt, lijkt de situatie zo slecht nog niet. De meeste van de daarin opgenomen stukken zijn deze eeuw wel een keertje te zien geweest. Toch bedriegt de schijn: vaak gaat het om kleinschalige producties of toneelschoolvoorstellingen, die maar voor een korte periode te zien zijn geweest en een beperkt bereik hadden. En dat de score op het oog zo gunstig uitpakt, is voor een belangrijk deel ook te danken aan Het Toneel Speelt (dat zes stukken voor zijn rekening nam) en Hugo Claus (wiens Een bruid in de morgen en Vrijdag samen goed waren voor vijf producties). Dat laatste cijfer komt in ieder geval enigszins in de buurt van de scores van de erkende klassiekers als De kersentuin, Hedda Gabler, Wachten op Godot en Midzomernachtsdroom. Ik durf de stelling dan ook wel aan dat momenteel alleen die twee stukken van Claus tot het Nederlandse theatrale DNA behoren.

Casus: The Family
Laten we er nog eens een andere titel uit die Top 25 bijnemen: The Family van Lodewijk de Boer. Na de uiterst succesvolle oerversie uit seizoen 1972-1973 bleef het in Nederland bijna twintig jaar stil. Toen pas durfde Antoine Uitdehaag het aan om de reeks opnieuw te ensceneren voor het Ro Theater. Tamelijk kort daarop (1997) bracht het mimegezelschap Suver Nuver een ingedikte bewerking, waarbij de vier delen als een mix van beweging, muziek, Fries en Nederlands in vijf kwartier werden weggespeeld. En dan recentelijk, weer twintig jaar verder, de Utrechtse versie. Vier versies in 45 jaar (een Duitse gastvoorstelling en twee toneelschoolproducties daargelaten): is dat voldoende om van ‘repertoire’ te spreken? Ik denk het eerlijk gezegd niet. En dan niet alleen omdat de echte repertoirestukken veel vaker worden opgevoerd, maar ook omdat er geen discours rond het stuk bestaat. Repertoire impliceert toch ook een algemene bekendheid, dat iedereen die het theater een beetje volgt het stuk kent en kan plaatsen, dat de titel in elk geval iets doet resoneren. Als Marcus Azzini wordt geïnterviewd over zijn enscenering van Een meeuw, spreekt hij over Tsjechov als over een goede bekende. Hij stelt vast dat hij – nu hij ouder is en meer ervaring heeft – ineens ziet wat Een meeuw ook kan betekenen. Maar wie kent Lodewijk de Boer? En wie heeft een uitgesproken mening over wat The Family betekent of zou kunnen betekenen en heeft daarover geschreven?

‘Gigantiese mitrailleursalvo’s’

In de Theatercollectie van Stichting TIN bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam wordt een nooit gepubliceerde studie van de Vlaamse theaterwetenschapper Luk van den Dries bewaard, waarin hij – in 1979, zeven jaar na dato dus – The Family tegen het licht houdt. Die interessante studie is gelardeerd met rake observaties. Van den Dries benoemt een aantal factoren die het stuk tot zo’n enorm succes hebben gemaakt. De eerste is de verwantschap met het volkstoneel en de stukken van Heijermans, inclusief de herkenbare, plat-Amsterdams sprekende typen. Maar dan wel een variant die is overgoten met een Artaudiaans sausje, vanwege de expliciete en dominante aanwezigheid van seks en geweld. Als tweede wijst Van den Dries op het feit dat The Family het format van de traditionele toneelavond doorbrak. Elke aflevering eindigde met een cliffhanger: een door een voice-over gestelde vraag over hoe dit zou aflopen. Zo werd ‘honger’ naar de volgende aflevering gecreëerd. Die voice-over was een directe referentie aan het in Nederland tussen 1967 en 1973 uitgezonden Peyton Place. Die veel bekeken Amerikaanse televisiesoap – een soort Twin Peaks avant la lettre – speelde zich af in een ‘dorp der zonde’, waar achter een smetteloze buitenkant en buiten het zicht van de camera’s hartstocht en misdaad broeiden. Zo bekeken zou je The Family – opnieuw dankzij die expliciete seks- en geweldscènes – als een omkering van die televisiesoap kunnen zien. De derde succesfactor waren die elementen waarin De Boer zijn verwantschap met het absurdisme verraadde. Van den Dries stelt dat juist in die absurde elementen de essentie van het werk besloten ligt. Wat hem betreft gaat het niet zomaar om een felrealistische schets, maar wordt het stuk geschraagd door een existentieel frame. Drie personages, zonder duidelijk verleden, die lijken op te duiken uit het niets, forceren een deur die vanbinnen (?) met een hangslot is afgesloten en verschansen zich in een afbraakpand. Vervolgens dringt de buitenwereld zich steeds nadrukkelijker op. In de vorm van zand, dat zich op raadselachtige wijze naar binnen weet te werken, in de vorm van kranten, een televisie, en dan natuurlijk in de gedaante van een man die achtereenvolgens met Cabotin, ‘een man’ en Blammer wordt aangeduid (niet toevallig in 1972-1973 allemaal door dezelfde acteur gespeeld). Dat maakt The Family ook tot een tegenhanger van Wachten op Godot. Waar Estragon en Vladimir wachten op iemand die uiteindelijk niet komt, moeten de twee broers en hun zusje enorm hun best doen om zich de buitenstaander van het lijf te houden. Ze verzetten zich steeds hardhandiger en verbetener, maar uiteindelijk is er geen houden meer aan en worden ze vermorzeld door ‘gigantiese mitrailleursalvo’s die uit alle hoeken van de zaal lijken te komen’. Wat ze ook onderscheidt van hun illustere voorgangers is hun enorme vitaliteit. Daar waar Estragon en Vladimir zich zuchtend en steunend door de dag heen worstelen, gaat het er in The Family uiterst energiek en vitaal aan toe: seks, drank, knok- en verkleedpartijen. Maar de leegte die erachter schuilgaat is dezelfde.

De Boer deed in interviews tamelijk relativerend over zijn inbreng. Wat hem betreft was The Family een collectieve onderneming: ‘We hebben samen een soort plattegrond uitgezet, waarna ik aan het schrijven ben geslagen. Als ik weer een stuk klaar had, las ik het de groep [acteurs] voor. Wanneer ze dingen veranderd wilden hebben en ze hadden gelijk dan deed ik dat. Ik ben geen Pinter die achter de schrijftafel kant- en klare meesterwerken vervaardigt. Ik maak een tekst en moet die met acteurs door middel van een toneelvoorstelling perfectioneren.’ Ondanks De Boers relativering maakt de studie van Luk van den Dries duidelijk dat The Family niet zomaar een bij elkaar geïmproviseerd gelegenheidswerkje is. The Family is op allerlei manieren verknoopt met het theater zoals dat rond 1970 functioneerde en is ingebed in allerlei internationale theaterstromingen (absurdisme, Artaud, surrealisme). Van den Dries voegt daarmee betekenis aan het stuk toe en verhoogt zo het soortelijk gewicht ervan.

Verloederde werkelijkheid

Een andere manier waarop een stuk aan soortelijk gewicht wint, is via zijn ensceneringsgeschiedenis: elke volgende enscenering legt nieuwe aspecten van het stuk bloot. De versie van Antoine Uitdehaag bij het Ro Theater bleef tamelijk dicht bij het origineel. Wat vooral opvalt in de recensies, is dat aan zijn enscenering werd afgemeten hoezeer de samenleving in die bijna twintig jaar was veranderd. In een fraaie beschouwing in Vrij Nederland stelde Gerben Hellinga vast dat The Family in 1972-1973 een fantasie was die de projectie van het publiek overtrof. Anno 1991 moest de voorstelling echter opboksen tegen een verloederde werkelijkheid die veel heftiger was dan die in het stuk. Alle vet aangezette gewelds- en seksscènes, inclusief de incestkwestie, die het publiek in de jaren zeventig nog hadden geamuseerd, waren een precaire zaak geworden. Konden we hier nog wel om lachen?

De versie van Suver Nuver – integraal te bekijken via de Theaterencyclopedie – legde een andere dimensie bloot. Hier hebben Doc, Kil en Gina iets naïefs en kinderlijks: ze zijn hardhandig maar ook direct en eerlijk. Het zou zomaar kunnen dat regisseur Moniek Merkx destijds het interview van Ischa Meijer met Lodewijk de Boer als uitgangspunt heeft genomen. In dat interview schetst De Boer de fantasievolle, maar ook gewelddadige toneelstukjes die hij en zijn broertjes en zusje op zolder van het ouderlijk huis ensceneerden. The Family als een wreed maar ook teder kinderspel. Wat daar naadloos bij aansloot waren de scholierenpunkband, die de intermezzo’s tussen de vier delen oorverdovend hard vulde, en de geluidsman die achter op het podium de voorstelling live begeleidde. Alle rake klappen en al het sneuvelend meubilair werden door hem duidelijk zichtbaar van geluidseffecten voorzien. De enscenering kreeg daardoor ook iets slapstickachtigs. Dat neemt niet weg dat opnieuw werd vastgesteld hoezeer het getoonde geweld onderdeel was geworden van de Nederlandse samenleving.

Tarantino

Casper Vandeputte, regisseur van de recente Utrechtse Family, benadrukte in een gesprek met Vincent Kouters dat hij een voorstelling in de geest van The Family wilde maken, ongepolijst en vanuit de onderbuik. Daarnaast legde hij een link met de films van Quentin Tarantino. Interessant, alleen al omdat De Boer zijn tetralogie in 1973 tot speelfilm omwerkte, en omdat de oerversie van The Family een door De Boer gemaakt televisiespel was (De sprakelozen, 1967). Ik zou het toejuichen als Vandeputte, in retrospectief, zijn gedachten over en zijn visie op The Family in een dossier of een doortimmerde beschouwing zou vastleggen en die beschikbaar zou stellen op de website van Theater Utrecht of via In reprise. Naast zijn enscenering zou ook dat een blijvende bijdrage betekenen aan het ‘repertoiregehalte’ van deze Nederlandse theatertetralogie.

foto Jutka Rona