Een heel nieuw stelsel voor kunstsubsidies: het is misschien nodig, maar het zit er politiek niet in. Waarom niet kijken naar wat er wel mogelijk is en de ene verandering de andere af te laten dwingen. Noem het bottom-up in plaats van top-down, of gewoon: beginnen bij het begin. Want wat heeft een kunstenaar eigenlijk nodig om goede kunst te kunnen maken?
Als we dat als uitgangspunt nemen is het logisch om te starten bij het Fonds Podiumkunsten (FPK). De belangrijkste financier van gesubsidieerd theater in Nederland en daarmee ook trendsetter en normbepaler. Regelingen van het FPK kunnen bovendien ook relatief eenvoudig worden aangepast. Alle reden om juist daar te beginnen, dus: wat kan er wél anders?
Productiesubsidie
De uitslagen voor de meerjarige subsidies trekken elke vier jaar de meeste aandacht, maar een goed werkende projectenregeling van het FPK is minstens zo belangrijk voor een gezonde theaterscene. Daarom beginnen we daar met zeven voorstellen om theatermakende kunstenaars centraal te zetten.
- De productiesubsidie wordt vaak gezien als iets voor beginnende makers, die hiermee een opstapje krijgen naar de meerjarige subsidieregeling. We duwen iedereen nu door diezelfde mal: na een paar projecten moet een maker doorgroeien en het jaar rond met z’n eigen gezelschap bezig zijn. Maar niet elke maker heeft ieder seizoen meerdere briljante voorstellingsideeën, soms wil je er wat langer op broeden. Ook als je een gemengde praktijk hebt (bijvoorbeeld als je niet alleen eigen werk maakt, maar ook speelt in voorstellingen van anderen, films en series draait, lesgeeft etcetera) moet je een hele carrière op productiesubsidie kunnen rekenen. Daarom moet de regeling in alle aspecten betrouwbaarder voor aanvragers. Als je meerdere succesvolle projecten hebt afgerond en je vraagt weer aan met een goed plan, moet de kans groot zijn dat je opnieuw wordt gehonoreerd.
- Een projectaanvraag schrijven is voor een kunstenaar op dit moment vooral onbetaald werk. Niet alleen het schrijven van de aanvraag, maar ook het ontwikkelen van een idee vraagt om veel tijd en onderzoek. Pas daarna kan goed antwoord worden gegeven op het soort vragen dat deel uitmaakt van een productiesubsidie-aanvraag – met wie je het gaat maken, waar het precies gaat spelen en wat daarvoor moet worden begroot. Een ontwikkelbijdrage kan hiervoor ruimte geven. Dat kan via een beknopte aanvraag in de vorm van een werkbeurs of stipendium, waarbij je geen eigen stichting nodig hebt. Dat maakt de regeling toegankelijker, laagdrempeliger en vermindert de administratieve rompslomp. Het gaat om relatief lage bedragen met eenvoudige verantwoording.
- Verbind de ontwikkelbijdrage vervolgens aan de projectaanvraag. Kijk hiervoor bijvoorbeeld naar Vlaanderen of dichterbij naar gelijksoortige regelingen van het Filmfonds. Is de eerste fase goed afgerond dan kun je als maker eenvoudig een productiesubsidie aanvragen. Makers zijn niet gebaat bij alleen maar hollen of stilstaan. De ontwikkelbijdrage voor een volgend project wordt daarom min of meer automatisch toegekend als een eerder project succesvol is afgerond.
- Het huidige maximaal aan te vragen bedrag voor een project werkt beperkend en moet omhoog, zodat het naast voor kleinere producties ook mogelijk wordt om aan te vragen voor middelgrote en grote producties. Dat sluit aan bij het idee dat een maker zijn hele carrière op productiesubsidies moet kunnen bouwen. De grote zaal wordt op dit moment bovendien voornamelijk bespeeld door de BIS-gezelschappen, terwijl dat speelcircuit dringend een meer pluriform aanbod nodig heeft.
- Ken subsidie niet enkel toe aan stichtingen, maar ook aan personen. Kunstenaars die willen samenwerken lopen al snel tegen formele bezwaren aan. Op dit moment is het in Nederland min of meer noodzakelijk voor elke maker om een eigen stichting op te richten, terwijl juist samenwerking de overhead flink kan verminderen. Dat is te veranderen door subsidies toe te kennen aan natuurlijke personen. Die nemen dit budget vervolgens mee naar hun samenwerkingspartner waardoor fondsenwerving, verkoop, productie, marketing en financiële administratie kunnen worden gedeeld.
- Herintroduceer een regeling die projecten bundelt. Maak het mogelijk voor makers om in één keer voor een serie projecten aan te vragen, binnen een periode van twee tot vier jaar. Zo’n regeling bestond vroeger bij het FPK en zijn voorgangers, maar is ook vergelijkbaar met de huidige subsidieregeling voor een reeks opdrachten voor composities of libretto’s. Dit is een ideale manier waarop makers aan een lange artistieke lijn kunnen werken, zonder dat meteen een hele organisatie moet worden opgetuigd zoals met de huidige meerjarige subsidie het geval is. De instap-eis voor zo’n gebundelde aanvraag is het afronden van meerdere projecten met productiesubsidie.
Doel van deze voorstellen is een productiesubsidieregeling die zo goed mogelijk functioneert voor iedereen die gemiddeld één productie per seizoen (of minder) maakt. Voor een productiesubsidie gelden minder administratieve eisen dan een meerjarige instellingssubsidie. Omdat alleen het project wordt beoordeeld, hoeft een organisatie of maker niet helemaal te worden doorgelicht volgens normen die zijn bedacht voor grote organisaties. De kosten en inspanning voor aanvragen en verantwoorden passen daardoor beter bij het soort aanvrager, met een kleine of zelfs helemaal zonder eigen organisatie. Bovendien ligt er minder nadruk op continue output van individuele makers en kan er veel vaker worden aangevraagd in plaats van om de vier jaar. Zo onstaat er ruimte voor een grotere verscheidenheid van verschillende soorten makerspraktijken.
Instellingssubsidie
Veel theatermakers hebben de droom en ambitie om volledig met hun eigen kunstenaarschap bezig te kunnen zijn door een eigen theatergezelschap op te richten. Daarvoor is er instellingssubsidie, de huidige meerjarige subsidieregeling. Het grote verschil met de productiesubsidie is dat niet een project of serie van projecten wordt ondersteund, maar de organisatie als geheel. Ook voor deze regeling een aantal voorstellen die beginnen vanuit de praktijk van kunstenaars.
- Het uitgangspunt voor instellingssubsidies is dat er in continuïteit wordt geproduceerd. Dat betekent dus ook concreet dat je als kunstenaar fulltime met je eigen gezelschap bezig bent en daarin professioneel wordt ondersteund. Het betekent ook dat er eisen worden gesteld aan je gezelschap, bijvoorbeeld op het gebied van governance en cofinanciering. Alleen als je groot genoeg bent en mensen kunt betalen die zich daarmee bezig houden, kun je je goed tot dat soort eisen verhouden. Het midden van categorie II in de huidige meerjarige subsidieregeling wordt daarom de nieuwe ondergrens om aan te kunnen vragen als instelling. Als je een kleiner gezelschap bent, vraag je dus voortaan aan in de projectenregeling, inclusief de meerjarige variant.
- Vier jaar is geen continuïteit. Het opbouwen van een gezelschap, signatuur en naam lukt niet in één Kunstenplan. Het staat in de wet dat instellingsubsidies een periode van vier jaar kennen, dat kan niet direct worden aangepast. Toch kunnen we ook nu al iets doen aan het huidige alles of niets principe. Bij een negatief advies verliest een gezelschap voortaan niet meteen alles, maar maximaal 20 procent van de huidige subsidie. Na drie negatieve adviezen val je uit de regeling, je hebt daardoor acht jaar tijd om je werking aan te passen of af te bouwen. Op deze manier is continuïteit mogelijk zonder dat we op een wetswijziging hoeven te wachten. Bij het niet of niet meer kunnen voldoen aan de subsidievoorwaarden blijft tussentijds intrekken van de subsidie uiteraard ook mogelijk.
- Een gezelschap dat nieuw in de regeling komt, heeft perspectief op (minimaal) twaalf jaar ondersteuning (als gevolg van voorstel 2. hierboven). Zo´n periode sluit beter aan bij de carrièreontwikkeling van kunstenaars, maar het betekent wel dat de oordelen van adviescommissies een grote impact hebben. Dat kan alleen zorgvuldig als we de beoordeling op basis van gelijkwaardigheid inrichten en er genoeg ruimte en tijd voor uittrekken. We benaderen gezelschappen die subsidie ontvangen daarom als partners, zoals in de ngo-wereld ook gebruikelijk is. Omdat er minder aanvragers zijn (zie voorstel 1), naar schatting nog maar een vijfde deel van het huidige aantal, ontstaat hier ook ruimte voor.
- De aanvraagprocedure bestaat uit twee rondes: een artistiek portfolio – met een artistieke visie en een visie op de organisatie – en een organisatorische uitwerking.
- Nieuwe aanvragers, die eerder meermaals in de productiesubsidie regeling hebben aangevraagd, volgen een instroomtraject en dienen daarbij een portfolio in. De artistieke visie staat centraal, bestaande uit een reflectie op de eigen artistieke ontwikkeling, de huidige positie in het veld en de ambitie voor de toekomst. Er wordt geen uitgewerkt activiteitenplan gevraagd, maar wel een coherent verhaal en een heldere visie op het eigen kunstenaarschap. Die visie moet worden opgeschreven, maar kan ook worden toegelicht met tekeningen, foto’s, video en/of audio. Er wordt ook een visie op de organisatie verwacht. Geen uitgewerkte begroting, maar wel een plan waaruit duidelijk wordt hoe de artistieke ambities realistisch kunnen worden gerealiseerd. Onderdeel van de procedure is een gesprek met de commissie. Bij een positieve beoordeling doe je mee in de tweede ronde. De subsidiehoogte wordt nog bepaald, vast staat wel dat je voor subsidie in aanmerking komt (mits je aan alle formele eisen voldoet).
- Aanvragers die de instellingssubsidie met vier jaar willen verlengen, beginnen meteen in de tweede ronde en nemen de eigen geschiedenis daarin mee. De zogeheten monitorgesprekken zijn op dit moment alleen gericht op het toetsen aan de voorwaarden van de lopende subsidie. Deze gesprekken worden vervangen door een visitatie door de adviescommissie die zich op de gehele werking van het gezelschap richt. Het visitatierapport dat hieruit volgt bevat concrete aanbevelingen en maakt deel uit van de nieuwe aanvraag.
- In de tweede ronde staat het uitwerken van plannen centraal. Wat ga je concreet doen om je visie te realiseren? Wat kost dat en wie betaalt daaraan mee? Welke mensen denk je ermee te bereiken en waar wonen die? Wat voor soort organisatie heb je dan nodig? En wat heb je gedaan met de aanbevelingen uit het visitatierapport? Veel vragen die ook in de huidige procedures een rol spelen, maar dan zonder het mes op de keel. Anders dan nu het geval is staat het bestaansrecht niet meer elke vier jaar volledig op de tocht. Ook in deze tweede ronde voert de adviescommissie een gesprek met de aanvrager, waarna er nog tijd is de plannen indien nodig te herzien. Bijvoorbeeld het bijstellen van het aangevraagde subsidiebedrag of het aantal voorgenomen producties.
- Er wordt een aantal spelregels opgesteld over hoeveel geld kan worden aangevraagd. Op die manier ontstaat er geen scheefgroei die op een gegeven moment niet meer kan worden recht gepraat. Naast een minimaal aanvraagbedrag is er een maximum en een maximaal percentage waarmee de huidige subsidie mag groeien. Er zijn geen vaste treden. Doordat bekend is wie meedoet, is vooraf een betrouwbare inschatting te maken van het benodigde budget. Belangrijkste is echter dat de aanvragers samen beseffen dat ze het beschikbare budget hoe dan ook met elkaar moeten verdelen.
- Talentontwikkeling is geen must maar een extra praktijk. Artistiek school maken is potentieel heel waardevol en kan op veel verschillende manieren. Maar het idee lijkt te heersen dat elk zichzelf respecterende gearriveerde maker verplicht talenten onder zijn hoede moet nemen. Aanvragen voor talentontwikkeling worden daarom losgekoppeld als optioneel losstaand onderdeel van de aanvraag, met een eigen toelichting en begroting.
- Ook instellingssubsidie is en blijft gericht op artistieke continuïteit voor de duur van de carrière van een kunstenaar of groep kunstenaars. De Basis Infrastructuur (BIS) is juist gericht op continuïteit van de organisatie zelf en het daarmee vervullen van een specifieke functie in het bestel. Natuurlijk kan een gezelschap zichzelf onmisbaar maken. Als het gezelschap daardoor niet meer goed bij FPK past moet worden besloten of er in de BIS ruimte wordt gecreëerd. Als dat niet gebeurt, is dat een expliciet politieke keuze, maar vervalt de mogelijkheid instellingssubsidie aan te vragen.
- Gezelschappen worden op dit moment getoetst aan de hand van de Governance Code Cultuur, de Code Diversiteit & Inclusie en de Fair Practice Code. Daarnaast worden er normen ontwikkeld gericht op een duurzame bedrijfsvoering, zoals het Theatre Green Book. Zonder meer belangrijke Codes, maar hoe kunnen relatief kleine organisaties dat allemaal op een goede manier implementeren? Op dit moment blijft het in aanvragen nogal eens hangen op wensdenken of abstracte formuleringen. De ngo-sector kan hier als voorbeeld dienen. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) ontwikkeld: een concrete lijst met eisen voor de organisatie van de aanvrager die extern getoetst wordt. De toetsing is vergelijkbaar met een accountantscontrole, waarna een certificaat meerdere jaren geldig is. Partos, de ngo-tegenhanger van het NAPK, heeft bovendien een eigen kader ontwikkeld (gebaseerd op de algemene ISO9001 norm), waarmee de sector zelf regie houdt op de normen voor een goede bedrijfsvoering. Ook die wordt extern getoetst en door het ministerie geaccepteerd. Zo’n systeem invoeren scheelt veel werk voor het FPK, maar ook voor andere fondsen en overheden die deze werkwijze eenvoudig kunnen overnemen. Op hun beurt kost het aanvragers veel minder tijd en moeite als ze bij verschillende loketten hetzelfde certificaat kunnen uploaden.
- Het is belangrijk dat bij het ontwikkelen van zo’n algemene norm voor de bedrijfsvoering rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van onze sector, waaronder dat gezelschappen relatief kleine organisaties zijn. Het toetsingskader moeten flexibel genoeg zijn om mee te kunnen groeien. Gezelschappen die instromen krijgen daarom ook eenmalig een tegemoetkoming in de kosten voor het implementeren van de gestelde eisen en het certificeren van de organisatie, vergelijkbaar met de al bestaande HR-voucher.
Is dit lijstje met voorstellen de enige manier om het FPK opnieuw vorm te geven? Zeker niet, het budget blijft beperkt en dat vraagt nog steeds om moeilijke keuzes. Maar deze voorstellen zijn wel op korte termijn en met het huidige budget uitvoerbaar. Omdat er minder verantwoord hoeft te worden, zal er per saldo zelfs meer geld voor makers overblijven. Bovendien verdwijnt de gehate B-lijst (positief beoordeeld, maar geen budget), in ieder geval bij de instellingssubsidie. Een mogelijk kritiekpunt is dat deze voorstellen de instroom en daarmee de dynamiek in de podiumkunsten verminderen. Toch is het belangrijk dat we die consequentie aanvaarden, want instroom zonder duurzaam perspectief heeft geen zin. Het herinrichten van deze regelingen lost ook zeker niet alle problemen op, maar is wel het begin van een systeem dat beter werkt voor kunstenaars.






