Nee hoor, al Hanna’s voorstelling gaan in feite over hetzelfde: over dat we ons meer met elkaar zouden moeten verbinden’. Dat zegt mijn vader als een collega vraagt of het hem ook is opgevallen dat Amsterdam XXX jr. zo’n andere vorm heeft dan mijn andere voorstellingen. Blijkbaar heeft hij mijn werk van de afgelopen tien jaar opgevat als pamflet voor verbinding.

Verbinden is een woord dat vaak opduikt als het gaat over het sociaal artistieke werk: makers moeten theatermaken, natuurlijk, maar vaker nog lijkt het te gaan over de wijze waarop en mate waarin we connecties maken. Daar zijn al veel gesprekken aan gewijd en daarin lijkt het woord vaak lastig te duiden. Want wat is dat ‘verbinden’ nu eigenlijk?

Is het Fadel van 17 die beter uit kan leggen wat Theater Na de Dam is dan ik, omdat hij al jaren meedoet aan jongerenprojecten en sinds dit jaar onderdeel is van het Amsterdams jongerencomité? Of is het Sonny van 12 die met mij voor het eerst in de schouwburg komt en na het zien van de voorstelling vraagt: juf, kan ik daar ook een keer aan meedoen? Of is het al zo simpel als dat ik mijn buurman Aziz van Radio van Deyssel groet als ik hem tegenkom bij een rondje hardlopen?

En dan maak ik iets mee, waardoor ik denk: natuurlijk, dit is het.

Ik begeleid Annabelle bij het maken van haar afstudeervoorstelling aan de Opleiding Theaterdocent Verkort. Zij maakt met zeven spelers een voorstelling in de parkeergarage onder de school waar ze werkt. Drie van haar (volwassen) spelers kennen elkaar van het Cocaine Anonymous Fellowship; ze zijn ex-verslaafd. Al leren we dat een verslaving nooit echt overgaat en dat je eigenlijk altijd verslaafd blijft: drie verslaafden in herstel dus.

Het is een bijzonder maakproces, waarin de verslaafden openhartig hun verhalen delen en moedig hun eerste stappen op het toneel zetten. Bijgestaan door vier amateurspelers, die soms met de mond vol tanden staan, maar dapper doorzoeken naar hoe zich tot de materie te verhouden. Om geheel eigen redenen verzuchten beide groepen dan ook geregeld: jezus wat erg dit

Annabelle worstelt met hoe expliciet ze wil zijn in de voorstelling: ze wil het stigma dat rondom verslaafden hangt veranderen, maar liever niet met een juffenvingertje de voorstelling maken. Ondertussen, gewoon door het repeteren, ontstaat een bijzondere band tussen de spelers en krijgt de voorstelling ook juist daardoor steeds meer vorm. Die ontmoeting blijkt een sleutel.

En zo gaat er in die koude parkeergarage een bijzondere voorstelling in première. Op het moment dat na een grotendeels tekstloze voorstelling de verslaafden zich plots recht tot het publiek wenden met hun door tijdsaanduidingen gemarkeerde levensverhaal, komt ook de zaal tot leven. De dame die tot dan toe stokstil naast mij heeft gezeten, ritselt in haar tas naar een zakdoekje. En nadat de andere spelers heel simpel en eerlijk vertellen wat de ontmoeting met de verslaafden voor hen betekend heeft en één van hen vraagt of er die avond ook Fellows in de zaal zitten, steekt mijn buurvrouw haar hand op. En met haar zo’n vijftien anderen.

De toeschouwers, van wie me al bij aanvang opgevallen was dat het zeker geen regulier theaterpubliek was, blijken nog veel gemêleerder dan verwacht. Voor velen was dit een heel uitzonderlijke avond uit en dat raakt me. We verhielden ons door dit moment van bekentenis even allemaal tot de ongemakkelijkheid van de ontmoeting met een verslaafde én tegelijkertijd was het voor velen – zeker aan het begin van de voorstelling – een wat ongemakkelijke, enigszins abstracte eerste theaterervaring. En dat verbindt – ontroerend genoeg – blijkbaar niet alleen de spelers op de vloer, maar ook ons als toeschouwers.

Mijn vader mag mij een verbindingsmissionaris vinden, maar misschien zijn we dat – in een onbewaakt moment – eigenlijk allemaal wel.

Dossiers

Theatermaker juli 2019