Het is december. In studio 2 van Internationaal Theater Amsterdam zitten verspreid door de ruimte 22 gespannen jonge Amsterdammers met hun rug naar de deur, een lege stoel tegenover zich en naast zich een krukje met daarop een stapel kaartjes, water en een tompouce. Ze wachten op het moment dat iemand op die lege stoel komt zitten. Ze weten alleen een naam: Chiel, Meikina, Nathalie, of Roy.

Aan de andere kant van de deur wordt er door 22 wat oudere Amsterdammers –  van allerlei leeftijden, achtergronden en uit alle stadsdelen –  zenuwachtig koffie gedronken en steeds opnieuw gevraagd of er echt niets voorbereid moest voor dit gesprek over vriendschap en Amsterdam. ‘Nee hoor’, zeg ik, ‘Het enige dat je moet doen is naar jouw jongere toelopen, je voorstellen en het eerste kaartje omdraaien.’

En zo zit niet veel later Emma tegenover Hakim, Zoë-Dee tegenover Robert, ontmoet Eveline Amir en Kedves Diana. Mederegisseur Ilon en ik zitten aan de kant en kijken onze ogen uit. We verstaan in de twee uur die volgen nauwelijks wat er gezegd wordt, maar zien des te meer wat het gesprek met ieder doet. Er worden voorzichtig handen geschud, samen zoekend rondgekeken en ongemakkelijk gezwegen. We zien twijfelende handen, een traan die stilletjes langs een wang glijdt en een schaterlach bij het delen van de tompouce. Ook blikken vol ongeloof, van verstandhouding, snel doorpraten en het uitstellen van afscheid. En dat laatste doen sommigen – terwijl ze degene tegenover hen twee uur geleden écht nog niet kenden – alsof ze afscheid nemen van een dierbare vriend.

Wij zijn er stil van.

De gesprekken maken op de groep volwassenen, die wij de Amsterdammers zijn gaan noemen, misschien nog wel meer indruk dan op onze jonge spelers. De Amsterdammers kwamen vol verwondering uit de gesprekken: dat het spreken met een puber, iemand zoveel jonger dan zij, zo waardevol kon zijn. En wat zijn ze open en wat durven ze veel te vragen. Dit is allemaal zo hoopvol.

De jongeren zijn wat summierder in hun beschrijvingen, ze willen in eerste instantie veel voor zichzelf houden, maar met elkaar ontrafelen we in de repetities die volgen de gesprekken en zodoende maken we een verzameling van stadsgezichten: belangrijke momenten in de stad, persoonlijke gedachtes en collectieve ervaringen. En zo ontstaat, op basis van die ontmoeting, langzaam onze voorstelling Amsterdam XXXjr.

En in dat maakproces gebeurt iets wonderlijks – iets wat wij niet van tevoren bedacht hadden. Maar meer en meer verdwijnen de woorden van de vloer. En steeds meer wordt dat wat we met elkaar willen vertellen niet verteld maar getoond: lopend in de ruimte, met blikken, blozen en duwende handen. En zo gaat in maart – vier maanden na die eerste ontmoeting – een bewegingsvoorstelling in première. Terwijl het toch echt met zoveel woorden begon.

Na afloop van de voorstelling vragen toeschouwers dan ook geregeld: maar waar zijn die Amsterdammers met hun verhalen nou gebleven? Maar als bij de voorpremière alle Amsterdammers er zelf zijn, gebeurt dat niet. Zij vragen het niet. Zij hebben gezien wat ze verteld hebben. Al is het niet letterlijk. Ze hebben niet hun woorden gezien, niet per se hun eigen volledige verhalen. Maar wellicht hebben ze herkend hoe je elkaar daadwerkelijk ontmoet zonder dat er een woord gesproken wordt. Wellicht denken ook zij aan al die onuitgesproken maar zó zichtbare onderdelen van die ontmoeting in december.

Dossiers

Theatermaker mei 2019