Met haar Wijksafari’s vond Adelheid Roosen een nieuw theatergenre uit. Lopend, per bus of achterop een scooter reist het publiek door een onbekender stadsdeel en ziet in verschillende huizen minivoorstellingen gemaakt door de bewoner samen met een theatermaker die een paar weken is geadopteerd. Een moderne vorm van community theater, waarin de artistieke ‘infrastructuur’ veel belangrijker is dan traditionele theater-esthetiek. ‘Waar het mij om gaat is: wat is mens zijn?’

Een recensent kijkt niet naar jouw voorstellingen van ‘hoe spelen ze’ of ‘is het wel geloofwaardig’ of ‘is het wel een mooi decor’. Hoe word jij eigenlijk gerecenseerd? Op basis van welke criteria?

‘Het is ontzettend fijn, en dat is bij alle WijkSafari’s gebeurd, als recensenten zoiets schrijven als dat het ‘nagalmt’ als ze naar huis lopen. Dat ze na de voorstelling de wereld zien. Dat ze als ze bijvoorbeeld in de tram stappen, hun medepassagiers zien, en dan denken, oh ja, jij woont ook ergens. Dat je voelt dat er een verzachting in de blik is gekomen.’

‘Ik denk dat toeschouwers vaak, ook bij De Oversteek, toen ik met een groep mensen in die schouwburgen bleef overnachten, die groep duiden als ‘die groep’. Dat wil zeggen als een minderheidsgroep, of mensen die het moeilijk hebben, of eenvoudigweg ‘die mensen’. En die duiding, daar spreekt een soort medelijden uit, een distantie, een huiver om mensen als mensen te ontmoeten. Omdat wij als rijke witte mensen ons blijkbaar schamen voor onze rijkdom. Dat is precies het tegenovergestelde van wat ik wil bereiken. Ik ben die groep roedel gaan noemen. Om al het personeel van schouwburgen, journalisten, wijken, gemeentes een handreiking te doen, zodat iedereen kan zeggen: is de roedel al binnen? Inmiddels bestaan er al best wat roedels in Nederland.’

‘Ik wil het publiek juist tonen dat het een teken van gelijkwaardigheid is dat je niet je taalgebruik aanpast als je de Ander ontmoet, dat je het niet triest vindt waar je tegenaan loopt, maar dat je werkelijk op hetzelfde level kunt zijn. Op het moment dat je verlegen bent, of je je geneert voor je rijkdom, of je hoogopgeleid zijn, en dat allemaal weg laat als je bij Stien thuis op de bank zit. Mijn boodschap is: wees dat allemaal, en ga er niet van uit dat de Ander dat niet kan dragen. Journalisten die me interviewen hebben het altijd heel erg over het sociaal–maatschappelijk belang van mijn werk, terwijl ik het zelf juist heb over het mens–zijn.’

En dat mens–zijn is geen sociaal–maatschappelijk belang?

‘Nou, niet wat het sociaal–maatschappelijk belang volgens mij vandaag de dag is gaan betekenen. Eerst hadden we het over de buitenwijken, toen noemden we het krachtwijken, nu prachtwijken, allemaal aanpassingen in het taalgebruik die erop gericht zijn het verschil te overbruggen. Terwijl het nu juist mijn idee is dat wij, ‘succesvollen’, onze huiver voor die wijken moeten doorgronden en omarmen. Het lijkt alsof succes zich wil afzonderen. Het succes wil met gelijkgestemden zijn. Voor mij zit succes er juist in dat iedereen het kan aanraken en iedereen er getuige van mag zijn, of ie er nu in onderlegd is of niet. Ik vraag mensen over die drempel te stappen die arme wijken in, om met hun verlegenheid in hun volle kracht te blijven terwijl ze de Ander ontmoeten: mensen met Alzheimer, asielzoekers, armen.’

Wat is dat in ons? Waarom willen we dat niet zien? Waarom wil ik daar niet naar toe? Is dat schaamte?

‘Het gaat erom dat je jezelf blijkbaar niet kunt toe-eigenen op het moment dat je bij armoede thuis zit.’

Omdat je door je schaamte uit jezelf vliegt?

‘Dat denk ik. Voor mij bestaat gelijkwaardigheid als ik mijn gêne uitspreek. Dus als ik zeg, ik ben eigenlijk heel verlegen, want ik realiseer me dat ik een bankrekening heb waar ik altijd naar toe kan, en jij niet. En dan nodig je me uit, en dan ga ik zitten, en dan zegt zo iemand bijvoorbeeld, nou fijn voor jou dat je rijk bent, ik zit er niet mee, of iemand zegt, interessant, denk daar maar eens over na, waarom deel je je rijkdom niet met me? Maar hoe dan ook, 95 procent van de tijd komt er een antwoord waar je je gewoon toe kunt verhouden. En dan ben je er. Leg het uit en voer dat gesprek.’

Dit is de kern waartoe je je verhoudt toch? Dat gevoel van uit jezelf te vliegen, wat je er vervolgens van weerhoudt om contact te maken, jezelf te blijven bij iemand, je gêne te delen, jezelf te delen, jezelf uit te leggen waardoor je ook contact kunt maken.

‘Dat is voor mij to be or not to be. Zo lees ik die zin ook. Ik denk (klapt in haar handen) Zijn. En dan ben je. Dus als je met je hele alles, je hele vermogen letterlijk en figuurlijk bij Stien binnenstapt in Noord, of bij Abida in Slotermeer, binnenstapt in het AZC bij Amin die op zijn 14de getuige was van een steniging.’

‘Ik noem het wel eens een hele grote visite. Ik hou zelf helemaal niet van publieksparticipatie maar ik hou wel van het ontvangen. En dat je als publiek er vervolgens ín struikelt. In zo’n woonkamer moeten gaan bepalen waar je precies gaat zitten. Of bij dat moment dat elke toeschouwer achterop moet op de scooter bij een Marokkaanse man. Dan denken ze: oh, die man, waar ik normaal omheen loop, dat is blijkbaar nu mijn houvast. Ik faciliteer een soort vanzelfsprekendheid in de hele vormgeving. Ik ga je niet van tevoren inwijden. Die inwijding is. Je komt als vanzelf je verlegenheid tegen.’

Contact maken, is dat waar het je om gaat?

‘In het ideale geval, en ik snap dat dat veel gevraagd is, maar dat is gewoon mijn persoonlijke wens of doel, of doel, dat is ook weer zo’n woord, jezus, laat ik zeggen mijn fascinatie. Wat alles bij mij doorhuivert, ook mijn relatie, is… ik hou me op deze aardkloot niet bezig met vragen als wie ben ik, wat ben ik en wat doe ik hier, want daar krijg je toch nooit een antwoord op. Waar het mij om gaat is: wat is mens zijn? Dus ik ga als een soort studieobject bijna doorlopend mezelf na, en ik kan mijzelf het beste uitvinden, definiëren, formuleren in de ontmoeting met de Ander. Door met jou te zijn ontdek ik mezelf. En daarom was ik in shock toen ik het werk van de filosoof Levinas ontdekte. Ik moest dat al na drie pagina’s naast mijn bed leggen omdat ik dacht, holy fuck, dit kan ik niet aan. Zo goed geschreven, en zo wat ik ervaar, maar zo goed uitgekristalliseerd dat ik slechts drie pagina’s per keer tot me kon nemen. Daar vond ik wel de verwoording van wat ik op mijn manier kinderlijk verwoordde. “In jouw aangezicht vind ik mijzelf”.’

Hoe schaamteloos moet je zijn om te kunnen doen wat jij doet?

‘Ik denk dat schaamte in eerste instantie een onprettige sensatie is omdat je dan een isolement voelt. En ik denk dat ik dat juist een avontuur vind. Dus als ik het heb over dat Zijn, dat mens–zijn, dan is dat bijvoorbeeld het gevoel van wow, de hele wereld verlaat me. En de bewustwording daarvan, daar ontdek ik altijd creatie in. Waar ik van houd, is zeggen, kom we gaan eens in de schaamte staan. Waarom zou je jezelf terugtrekken? Waarom zou je je schamen, jezelf tegenhouden? Schaamte is een avontuur als je het aangaat. Omdat dat je tot Zijn laat komen.’

Als je de schaamte niet aangaat kom je niet tot Zijn?

‘Ja dat denk ik. Het vermogen het zonder een uiterlijke etalage te doen en gewoon je hele Zijn te tonen, helemaal te zijn met al je hebben en houden, jezelf tonen in je ontmoeting, maakt dat je de Ander helemaal aangaat. En dat kunnen we allemaal. Het is een vergissing om te denken dat je dat niet zou kunnen.’

‘Dat is een inzicht wat ik kreeg toen het vliegtuig waarin ik zat plotseling naar de grond ging. Het onweerde en opeens was er een ongelofelijk diepe luchtzak. Ik was midden twintig en toen we naar beneden vielen sloeg alles in dat vliegtuig in elkaar. Iedereen klampte zich aan elkaar vast. Wij, mijn familie zat allemaal verspreid over het vliegtuig, tussen wildvreemden, ik zag mijn vader nog omkijken en iedereen sloeg zich in elkaar, vrouwen in het gangpad pakten andermans knieën en gingen bidden. Toen we geland waren dacht ik: wow, de mens kan dat, een vreemde vastpakken. De nood maakt dat je totaliteit krijgt in zijn authenticiteit. Het is natuurlijk een verheviging van iets, maar wel van iets wat er al zit, bij ons. En dat is ons talent. Wat maakt ons mens, dat is dat to be or not to be. De rest hoef ik niet beantwoord te hebben.’

Zie jij jezelf als een moralistische theatermaker, of denk je helemaal niet in die termen?

‘Mijn fascinatie zit over het algemeen in het amorele maar ik betrap mezelf heel vaak op het moralistische. Omdat dat ook mens–zijn is.’

Wat bedoel jij met moralistisch?
‘Dat ik streng word, drammerig, dat ik zendingsdrang krijg. Ik denk altijd dat voor iedereen geldt: uiteindelijk wil je toch met jezelf samenvallen? Daar kan ik me af en toe behoorlijk in vergissen. En tegelijkertijd kan ik mezelf niet voorstellen dat er mensen zijn die dat niet willen.’

Maar als je nu de kranten leest lees je toch alleen maar berichten over mensen die willen samenvallen met iets dat buiten ze ligt? Met de groep, de stam, het geloof, een ideaal, de natie.

‘Ja daarvan denk ik: dat is een stappenplan. (Lacht) Je begint bij de eerste haak van veiligheid en dat is het begin van een lange reis naar de vrijheid.’ (Lacht)

Wat was binnen dit proces de afgelopen jaren je belangrijkste voorstelling?

‘Dat kan ik niet zeggen. Maar toen ik de film Mam had gemaakt werd ik veel gevraagd om op allerlei soort zorgconferenties te komen vertellen over Alzheimer. Wat ik toen deed was dat ik niks voorbereidde, ik begon pas met denken in de auto op weg naar zo’n conferentie in Zeist of zo. Dan draaide ik daar die film en na die film begon ik gewoon maar te praten, te vertellen, hardop te denken, steeds vanuit een andere vraag die op dat moment bij mij bovenaan lag. Allemaal zonder voorbereiding en zonder voornemens. Dat waren een soort performances. Natuurlijk viel ik af en toe wel eens stil, maar die stilte liet ik dan bestaan. In die stilte durfde ik te vertrouwen dat er wel weer iets zou komen. Toen leerde ik dat je juist in de vormloosheid tot vorm kunt komen. Dat vormloosheid vorm is.’

De insteek van wat je doet is eigenlijk ontzettend politiek, terwijl je jezelf helemaal niet zo beschrijft.

‘Ja maar we kunnen zoveel met elkaar. Als we maar willen. Echt zo veel. Dat is echt ongelofelijk. Tuimelen. Dat is het. We zijn een tuimelend wezen.’

Het is de kunst om dat te durven. Te durven tuimelen.

‘Het is toch te gek om verloren te zijn. “Wow, ik ben verloren!” En je daartoe te verhouden.’

Mooi woord eigenlijk, tuimelen. Het is niet struikelen, het is ook niet vallen, ook niet lopen, een beetje tussen die drie in. Je houdt contact met de aarde. Het is vallen en lopen tegelijk.

‘Ja dat is het. Vallen en lopen tegelijk.’

Jij zegt, als je vormloos durft te zijn kom je vanzelf tot vorm.

‘Buitelen. Dat is eigenlijk ook zoiets als tuimelen.’

Buitelen is een soort van gecontroleerd vallen. Dat is iets voor acrobaten.

(Lacht) ‘Ja.’

Wat is hetgene waar je je nog steeds in blijft ontwikkelen?

‘Wat mij blijft fascineren, is dat dingen weer verdwijnen. Dingen zijn best wel lang ergens geparkeerd, en in de belevenis van mensen geworteld, gebouwd, voor een soort eeuwigheid. Ik vind dat best lang, die eeuwigheid. Daarin spoor ik niet helemaal met mijn omgeving, die zo graag de dingen wil vereeuwigen. Ik verander gewoon zo snel en kijk zo graag naar die verandering. Daarom houd ik ook het allermeeste van theater: omdat het steeds meteen weer weg is. Dat is meer mijn natuur. Het behoud vind ik saai.’

Ben jij onthecht?

‘Ik denk bij absoluut niets van de dingen die ik maak dat ik dat in zijn totaliteit ben of kan. Dat denk ik niet. Maar ik heb zeker het talent om alles te verliezen en te blijven leven. Om onthecht te zijn. Uiteindelijk verliezen we toch alles.’

Veel mensen gaan daaraan te gronde, aan dat verlies.

‘Maar het gaat er toch om wat je leert? Wat leren we elkaar? Wat leer jij je dochter? Verlies is natuurlijk een woord wat een klank heeft. Terwijl we het best om zouden kunnen draaien: wow, verlies! En behoud, au, dát doet pas pijn. Als ik het omgekeerd had geleerd, wat had ik dan, wie was ik dan geweest? Is dat in jou zo gebouwd, of is dat jou geleerd? Om verlies zus te ervaren en behoud zo?

Wat is jouw belang bij verlies?

(Lacht) ‘Licht. Reizen. Door het leven. Heerlijk. Je hebt namelijk alles – door het te zien. Ik bezit alles wat ik zie. Je kan alles overal vinden, volgens mij. Snap je? Ik bedoel de schoonheid is één grote…’

Ook als je diep ongelukkig bent? Dan zie je toch alleen maar lelijkheid?

‘Misschien omdat je dáár dan weer aan hecht.’

En daarom is verlies belangrijk.

‘Ik denk het wel. Ik vind die ongelukkige verhalen ook gewoon saai. Het herhalende, repeterende van hoe je hier in deze shit terecht bent gekomen. Ik wil dan roepen (roept) “Waar zit de winst in!” Waar zit de ruimte? Het zoeken van ruimte in je ongeluk. De verandering van al die facetten in mijn leven. Het vinden van ruimte in de pijn, al is het maar een duizendste millimeter. Dat is ook als je het hebt over schaamte en verlegenheid. Het gaat erom daarin te durven verwijlen.’

foto Ben van Duin