Met Romeo & Julia en Platonov plaatsen Marcus Azzini en Thibaud Delpeut twee eeuwenoude stukken in de moderne setting van de veelbesproken millennial. Het levert twee totaal verschillende voorstellingen op over een generatie die soms lijkt te verdwijnen achter het beeld dat ervan bestaat.

‘Millennials.’ Het was het eerste woord dat ik in mijn opschrijfboekje noteerde bij het zien van het door Roel van Berckelaer ontworpen toneelbeeld van Platonov van Theater Utrecht. Dat toneelbeeld bestaat uit een loft die zo uit een designgids voor hipsters zou kunnen komen. Maar ondanks die zo directe associatie, besefte ik ook dat mijn beeld van de millennial meer is gebaseerd op alles wat erover wordt geschreven dan op de realiteit. Het is als de ‘meest gefotografeerde schuur’ uit White Noise van de Amerikaanse auteur Don DeLillo. David Foster Wallace haalde die schuur aan in zijn beroemde essay over televisie en ironie E unibus pluram om te illustreren hoe de reputatie van de schuur een filter over de blik legt. Toeristen zien onderweg zoveel borden die de schuur aankondigen dat ze eenmaal daar de schuur zelf niet meer kunnen zien, alleen nog het beeld van de schuur. Hetzelfde geldt voor Generatie Y. Er wordt zoveel over geschreven, dat het bijna onmogelijk is deze generatie echt nog te zien in plaats van het beeld ervan.

Een tweede voorstellingen die zich dit seizoen boog over deze generatie was Romeo & Julia van Toneelgroep Oostpool. Twee voorstellingen geregisseerd door niet-millennials. Twee voorstellingen gebaseerd op stukken van minstens een eeuw oud. Maar vooral: twee totaal verschillende benaderingen van dezelfde Generatie Y. Waar Marcus Azzini het door William Shakespeare eind zestiende eeuw geschreven stuk gebruikt om te laten zien wat verloren gaat in de maalstroom van ironie en zelfbewustzijn, in een voorstelling die ook zelf ironisch en zelfbewust is, daar zet Thibaud Delpeut Anton Tsjechovs eind negentiende eeuw geschreven Platonov in om te benadrukken dat de essentiële vragen van de jonge mens nog steeds dezelfde zijn.

De term millennials, in 1987 geïntroduceerd door historici William Strauss en Neil Howe, wordt over het algemeen gebruikt voor mensen geboren in de westerse wereld tussen grofweg 1980 en 2000. Een generatie die veelal opgroeide in de jaren negentig en begin van het nieuwe millennium, toen de welvaart een voor altijd stijgende lijn leek en de mogelijkheden eindeloos, maar die tot de arbeidsmarkt toetrad op het moment dat de financiële crisis toesloeg en veel zekerheden verdwenen. Met als gevolg een steeds verder uitdijend niemandsland vol mensen die het midden houden tussen kind en volwassene. In dat niemandsland bevinden de personages uit Platonov en Romeo & Julia zich aan twee uiteindes. Misja Platonov en zijn vrienden naderen de dertig, eens toch de uiterste grens van het jong zijn. Romeo en Julia staan aan het begin van het niemandsland.

Tegenover het concrete toneelbeeld van Platonov staat het abstracte decor van Romeo & Julia, ontworpen door Koen Steger. Op een draaischijf staan tonnen, lege colakratjes, brandblussers, plastic stoelen. Rood voor de Montagues, blauw voor de Capuletti’s, strikt gescheiden door een gordijn van plastic. Het plaatsen van de voorstelling in Generatie Y gaat hier voornamelijk via taal. Jan Hulst en Kasper Tarenskeen (zelf millennials, respectievelijk uit 1987 en 1988) maakten een wervelende bewerking die – in de stijl van Shakespeare – heen en weer schiet tussen poëzie en platte humor en waarin gestrooid wordt met modewoorden. Ik ben nauwelijks ouder dan deze jongeren, maar kon het woordenlijstje in het programmaboekje goed gebruiken. Ook dat zegt iets over deze generatie. Ik groeide nog op met telefooncellen, cassettebandjes en WP 5.1; prehistorie voor de huidige begin-twintigers. Zelfs binnen Generatie Y verstaan we elkaar dus niet. Je kunt je natuurlijk afvragen of er ooit een generatie is geweest die zich eenduidig liet definiëren, maar wanneer ontwikkelingen elkaar zo rap opvolgen als tegenwoordig, is die vraag nog urgenter.

Waar niemand het al over eens lijkt te kunnen worden, is of millennials nu de generatie van de ironie zijn, of juist de ironie voorbij. In een nogal venijnige New York Times-column schetst Christy Wampole een beeld van straten bevolkt door hipsters die in referenties leven en niets serieus nemen. Maar haar column – getiteld ‘Hoe te leven zonder ironie?’ – druipt zelf van de ironie. De crux ervan zit dan ook in deze zin: ‘[Hipsters] irriteren me, realiseerde ik me, omdat ze, ondanks de afstand waarmee ik ze observeer, een uitvergroting zijn van mijzelf.’ Het roept de vraag op of veel van wat over millennials geschreven wordt niet meer projectie is dan iets anders. Is de blik op millennials wellicht ironischer dan zij zelf zijn?

Het is een vraag die door Romeo & Julia heen sluimert. Marcus Azzini (1971) is zelf geen millennial en de manier waarop hij deze jongeren portretteert is ironisch te noemen. Er zit iets zeer zelfbewusts en geposeerd in hoe de acteurs hun personages neerzetten en er wordt veel op de lach gespeeld. Elk moment van ernst en oprechtheid moet worden doorbroken. De voorstelling bevestigt zo het idee dat jongeren leven in referenties en daarmee de realiteit op afstand zetten. Maar Azzini laat de ironie botsen met Shakespeares stuk. Dat stuk gaat immers over liefde op het eerste gezicht, een liefde zo groots dat twee jonge mensen bereid zijn hun leven ervoor te geven. En dat soort thema’s laat zich moeilijk rijmen met de emotionele distantie van ironie. Shakespeares stuk gaat over een liefde die wordt tegengewerkt door een vete tussen de twee families, maar bij Azzini is het veel meer de ironie die tegenwerkt.

Want de ironie werkt hier verlammend. De bijna dwangmatige constantheid waarmee de personages elke situatie met ironie benaderen, herinnerde me aan een aflevering uit de Amerikaanse animatieserie South Park waarin een van de personages zo sarcastisch is, dat hij niet meer kan zeggen wat hij meent. In weerwil van zichzelf vervalt hij telkens in sarcasme. Vanaf het moment dat Romeo en Julia elkaar in de ogen kijken en verliefd worden, is iets vergelijkbaars in de voorstelling voelbaar. Er wordt getracht een verhaal te vertellen over grootse daden en emoties, waarbij de ironie telkens spelbreker is. Maar wiens ironie is dat?

Door het stuk in deze tijd te plaatsen, stelt Azzini als vanzelf de vraag wat de betekenis van het verhaal van Romeo en Julia vandaag de dag is. In de eindmonoloog wijst Lorenzo op het gewicht dat op deze twee jonge geliefden – tieners nog maar – ligt die door de jaren heen symbool zijn geworden van de alles overstijgende liefde. Maar hier zien we hoe dat symbool stukslaat op de hedendaagse ironie. Aan Romeo en Julia ligt dat niet. Die vallen nog steeds als een blok voor elkaar en zijn nog steeds bereid te sterven. Maar het is of niemand rondom hen weet hoe daar vorm aan te geven. Het toneel wordt een steeds grotere chaos en het emotionele zwaartepunt van het stuk – de scène in de tombe waar de geliefden de dood vinden – wordt in deze voorstelling bewust ontkracht. Romeo en Julia worden geen slachtoffer van een langslepende familievete, maar van de ironie. En als gevolg daarvan wordt hen (en in het verlengde daarvan de toeschouwer) die grootse, veelbetekenende dood ontzegd.

Waar Romeo & Julia vooral de ironie ontleedt (en tegelijk nooit echt doorbreekt), daar breekt Thibaud Delpeut (1978, daarmee in sommige lezingen wel en in andere net geen millennial) in zijn benadering de ironie juist af. Hij tracht in Platonov door de bubbel van de perceptie heen te prikken. Daarvoor is dat concrete toneelbeeld, die loft waar de vriendengroep van Misja Platonov woont dan wel vrijwel constant over de vloer komt, essentieel, evenals de setting van het feest dat vrijwel de hele voorstelling beslaat en daarmee vrij letterlijk de perceptie van de millennial als eeuwige flierefluiter verbeeldt. Delpeut zet dat beeld eerst neer om er vervolgens de lagen vanaf te pellen, iets wat ook visueel vertaald wordt in de wijze waarop het toneelbeeld gedurende de avond minder concreet wordt; er worden meubelstukken weggehaald wat de leegtes vergroot en waar televisieschermen aanvankelijk nieuws- en kookprogramma’s tonen, worden dat in de tweede helft beelden uit Limbo, een videogame met de visuele stijl van een abstract schaduwspel, waarin een jongetje verdwaald raakt in een vijandig bos.

Ook hierin is de stukkeuze essentieel, maar om bijna exact tegengestelde reden als bij Romeo & Julia. Voor zijn Platonov bewerkte Delpeut een vertaling die Jacob Derwig maakte voor een enscenering van ’t Barre Land uit 2000. Het is een bewerking die het stuk vooral indikt (de oorspronkelijke tekst van Tsjechov beslaat zo’n vier à vijf speeluren) en in taal naar het heden trekt, maar in thematiek trouw blijft. Misja is nog steeds op zoek naar de grote liefde, die hij slechts versplinterd vindt over verschillende vrouwen. Hij wordt nog steeds kwaad over de richtingloosheid van een maatschappij die zijn principes is verloren, zet zich nog steeds af tegen de zinloosheid waarvan hij de onvermijdelijkheid zo scherp doorziet.

‘Wat anders is aan ons als individuen vergeleken met vorige generaties is miniem. Wat anders is aan de wereld rond ons is fundamenteel’, schrijft Michael Hobbes in Millennials Are Screwed, een prachtig vormgegeven essay voor The Huffington Post. En dat is wat Delpeut hier ook toont door dit stuk van ruim een eeuw oud in deze setting te plaatsen. De loft kan op geen andere generatie slaan dan Generatie Y, maar wanneer je die stript, blijken de vragen die onder dat exterieur schuilgaan niet significant te verschillen van de vragen en verlangens waar eerdere generaties jongeren mee rondliepen. En hij neemt die vragen en twijfels serieus. De wijze waarop Misja de confrontatie aangaat met zijn vrienden is met cynisme, maar de oprechte wanhoop daaronder wordt gedurende de voorstelling steeds zichtbaarder.

Aan het einde van Platonov treffen we Misja aan op een uitzendbureau. De scène voelt als het moment op een feest dat de lichten weer aangaan. In dat ene, ontnuchterende moment wordt het beeld van de millennial omgekeerd. Het is geen luxe waaruit dat niemandsland is ontstaan, maar juist gebrek. De flexbaantjes die Misja en zijn vrienden aaneenknopen zijn geen expressie van hun hang naar vrijheid, maar een gevolg van het gebrek aan vaste banen. Het samenleven in een loft geen hippe stijlkeuze, maar het gevolg van het gebrek aan een goed en stabiel inkomen om zelf een huis te kopen.

Waar Romeo & Julia het mechanisme blootlegt van die aankondigingsborden die de schuur aan het zicht onttrekken (in dit geval de ironie die de blik op Generatie Y bepaalt), daar worden in Platonov die borden één voor één afgebroken in een poging voorbij het beeld van de schuur te kijken. En dan blijkt die schuur in een stuk slechtere staat dan de buitenkant doet vermoeden.

foto: Sanne Peper