De vraag naar de utopie is een grote vraag. Het liefst zou ik daarover dan ook vooral een aantal gedachten formuleren. ‘The next big thing that can happen are a lot of small things.’

  1. Als ik tijdelijk utopisch mag denken – tijdelijk, omdat je anders toch weer in formats en systemen vervalt – dan gaat dat onder andere over het herijken van de betekenis van kunst. Ik heb het idee dat kunstenaars het eng zijn gaan vinden om uitspraken te doen die nog niet eerder gedaan zijn. Om voorstellen te doen die misschien niet goed in de markt liggen. De kunst heeft zichzelf ontwapend door zich dingen toe te eigenen die bij andere domeinen horen, zoals de journalistiek. Waardoor je bijvoorbeeld theater krijgt dat je niets meer meegeeft dan wat je in de Volkskrant had kunnen lezen. Het oude kunstbegrip uit de romantiek, waarbij de kunstenaar een out-of-the-box denkende bohemien was, is gekaapt door het bedrijfsleven. De kunst moet weer op zoek naar haar eigen rol. Waarom is ze er?
  2. Wat mij betreft plaatst de kunst zich als een crimineel buiten de samenleving. Waardoor de kunstenaar de samenleving weer minder gecensureerd zou kunnen gaan zien. Meer als buitenstaande beschouwer uitspraken zou kunnen doen. Kunst is op dit moment volstrekt ongevaarlijk geworden.
  3. We zouden kunst en cultuur weer als begrippen moeten scheiden. De Raad voor Cultuur zou kunnen worden opgesplitst in een cultuur- en een kunstorgaan. Die opsplitsing moet hand in hand gaan met het ontwikkelen van een nieuw politiek discours over kunst. Nog voordat de politiek nadenkt over welke instellingen geld zouden moeten krijgen, is het belangrijk dat de politiek nadenkt over wat de waarde van kunst eigenlijk is en hoe die kunst zich verhoudt tot andere maatschappelijke domeinen. Dat gesprek zou gevoerd moeten worden samen met het veld en zelfs tot aan de minister-president en het koningshuis aan toe. Het kunstveld agendeert en wordt vervolgens ondervraagd door de politiek. Daarmee wordt er ook meer politieke verantwoordelijkheid bij het veld gelegd; het gaat niet langer om hoe goed je lobbyt op instellingsniveau, maar om het voeren van een gesprek op een veel abstracter filosofisch niveau. De kunstenaar moet zich namelijk steeds opnieuw afvragen of hij nog wel met kunst of politiek bezig is of meer met behoud, status of pr. Hoe verhouden zijn persoonlijke belangen zich tot de grotere belangen?
  4. We zouden de waan van het getal en de bezoekersquota waar we in de kunsten mee worstelen meer inhoudelijk kunnen bevechten en zelfs kunnen omdraaien. Laten we elke politicus verplichten een bepaald aantal kunstwerken te zien. Niet als een beleefd staatsbezoek maar om er, wellicht na een aantal dagen, over in gesprek te gaan met een kunstfilosoof of een criticus. Dat gesprek moet niet gaan over mooi of lelijk, maar over: wat was het? Laten we de herkenning – herken ik mezelf in dit kunstwerk terug? – vervangen door de vraag: is er iets in dit kunstwerk wat iets over mij zegt? En als dat niet zo is, ben je misschien niet het juiste publiek voor dit werk?
  5. Er ligt een meerwaarde voor de critici om de esthetiek van het theater te politiseren. Dat is niet de taak van de kunstenaar, maar juist het spel en de verantwoordelijkheid van en voor de kritiek. Wat betekent het als een voorstelling apolitiek is? Wat betekenen de beelden die getoond worden in een breder politiek opzicht?
  6. Eenzelfde kans ligt er voor het onderwijs, om burgers weer te leren reflecteren. Reflectie is sexy. Als je denken kan, denk dan mee. Het is tragisch hoe het publiek zichzelf onderschat en hoe het door ons wordt onderschat. Je mag ook over kunst nadenken als je geen specialist bent. Je hoeft er ook niet meteen wat van te vinden of meteen iets te voelen. Er hoeft niet direct een conclusie uit te komen. Het onderwijs moet zichzelf dezelfde soort herijkingsvragen stellen als de kunst: wat is kennis? Wat is leren? Is een afgestudeerde alleen een werknemer of ook nog iets anders? Ook het onderwijs zou zich niet moeten laten leiden door opmerkingen als: we hebben geen tijd, geen middelen, en de ouders zijn ook niet meer wat ze geweest zijn.

Opgetekend door Robbert van Heuven.