Een kwart eeuw lang was Jurre Schreuder actief als belangenbehartiger voor acteurs via de vakbond. Eerst bij FNV Kiem, daarna – na een complexe scheiding – bij de mede door hem opgerichte Kunstenbond. ‘Als je de cultuursector overeind wilt houden, dan moet je de mensen die daar werken overeind houden.’

Hoe ben jij bij de vakbond terecht gekomen?
‘Ik ben in 1998 afgestudeerd aan de Toneelacademie Maastricht en omdat daar iemand van FNV Kiem langs was gekomen om voorlichting te geven over rechten en contracten en dergelijke, ging ik eens kijken op een bijeenkomst van Drama & Co, de vakgroep voor acteurs binnen FNV Kiem. En ik herinner me nog een typerende uitspraak van één van de bestuursleden van toen, Olaf Malmberg of Xander Straat: ‘Je kop verzuurt als je veel op tv bent’. Waarmee ze bedoelden: als je als acteur heel zichtbaar bent, loop je ander werk mis, want reclamebureaus of seriemakers willen frisse gezichten. Daar kwam toen bij dat series soms nog jaren werden uitgezonden en daar kreeg je geen herhalingsrechten voor, én je kreeg geen nieuw werk meer. Als acteur moest je daar rekening mee houden als je onderhandelde over tarieven.

Na die bijeenkomst ben ik naar Olaf toegegaan om te zeggen dat ik wel iets wilde doen. Ik had toen al door dat als ik niet genoeg geld zou verdienen met theater maken en spelen, dat ik het dan niet m’n hele leven zou kunnen blijven doen. Ik moest dus ook de zakelijke kant begrijpen. Dat krijg je helemaal niet mee op de toneelschool, dat is heel jammer, want als je je vak serieus neemt, dan moet je juist ook je zakelijke kant serieus nemen. Olaf nodigde me toen uit voor het bestuur van de vakgroep, en omdat hij vrij snel afscheid wilde nemen, was ik binnen twee jaar voorzitter.’

Waarom kwam je dan terecht bij de vakbond, en niet bij een andere plek aan de zakelijke kant?
‘Ik denk vooral omdat zíj dat verhaal vertelden. Ik voelde sowieso altijd wel sociale betrokkenheid. Ik was niet per se een vakbondsman, maar ik dacht wel we dat onze beroepspraktijk konden verbeteren als we ons als collega’s zouden verenigen.’

Wat trof je aan toen je in het bestuur kwam?
‘Drama & Co was een van de kleine clubjes binnen die enorme organisatie van FNV Kiem (oorspronkelijk de vakbond van drukkers) die ongeveer 30 duizend leden had, en die behoorlijk bureaucratisch was. Wij deden theater en dans, er was ook een vakgroep voor musici, BV Pop, en ook een voor beeldend kunstenaars. Allemaal bij elkaar vertegenwoordigden die zo’n zesduizend leden.

De besluitvorming was stroperig en wij wilden actie, dingen dóen. We hadden een eigen blaadje, de Knier, en later een website, maar er was geen financieel kader; ieder budgetje moest je aanvragen bij het hoofdbestuur, voor hen ben je ook maar een kleine speler. Dus het was deels frustrerend, omdat we veel aan het vergaderen waren, maar er weinig gebeurde.’

‘Daarbij bestaan de kunsten natuurlijk bij de gratie van een bepaalde individualiteit. Kunstenaars willen hun eigen ding doen, zelfstandig zijn en zo min mogelijk bemoeienis. Maar als je je wilt organiseren moet je juist afstemmen en rekening houden met elkaar. Dat maakt het heel ingewikkeld om binnen de kunstwereld een vakbond te organiseren.
De grafici kwamen uit een hele gedegen, ouderwetse vakbondsorganisatie: demonstreren, staken. Kunstenaars staken niet. Dus hoe organiseer je mensen en hoe voer je actie?’

Wat waren de onderwerpen? Waarvoor wilde je actie voeren?
‘We wilden graag actie voeren op vele thema’s, zoals eerlijke betaling, gezonde arbeidsomstandigheden, de leden direct ondersteunen met juridische bijstand en duidelijke informatie. De grote taak die we toen hadden, was toch in de eerste plaats de werknemers vertegenwoordigen in de cao-onderhandelingen, en dat was hard trekken. Heel vaak zaten Martin Kothman en ik met z’n tweeën tegenover de werkgevers, die veel beter georganiseerd waren. In deze sector hebben de werkgevers ook passie voor het vak en ze snappen heus dat mensen genoeg moeten verdienen, alleen, er is niet zoveel geld. Of misschien is er wel voldoende geld, maar komt het niet bij de juiste mensen terecht. Het is dan wel heel fijn om iemand als Pepijn ten Kate of Caspar de Kiefte naast je te hebben zitten, dievanuit zo’n oude vakbondstraditie komen en gewoon zeggen: ik wil er 3 procent bij, anders gaan we niet tekenen.’

Heel vaak hadden we de cao pas afgesloten op het moment dat het jaar voorbij was. Het waren hele lange gesprekken over hele kleine percentages, met voorstellen die weer bij de achterban gecheckt moesten worden. Eén keer, in 2009, hebben we een grote slag geslagen: een aantal prominenten, onder wie Halina Reijn, heeft zich ingezet en is toen bij die onderhandelingen gaan zitten. En dat werkt.

Maar dat vraagt wel echte solidariteit: die mensen van naam verdienen vaak wel genoeg, dus die zijn moeilijk te mobiliseren. In Duitsland is die verbinding vanzelfsprekender. Toen acteurs van een grote musical daar erachter kwamen dat leden van het corps de ballet verschillend betaald kregen voor hetzelfde werk, zijn de hoofdrolspelers gaan staken.

Het is altijd mijn droom geweest een organisatie te hebben zoals de Kunstenbond: een plek waar we samen optrekken, elkaar krachtig ondersteunen en goed geïnformeerd zijn, zodat we onze energie zoveel mogelijk kunnen richten op het creëren van kunst die inspireert en de wereld verrijkt.’

Hoe kwam het idee dat er een eigen vakbond moest komen tot stand?
‘Het was iets dat al lang lag te sluimeren: het idee dat we als kunstenaars onafhankelijk moesten zijn, niet alleen financieel, maar ook om zeggenschap te hebben over wat we met zo’n vakbond willen dóen. In 2007 werd ACT opgericht – niet alleen omdat acteurs het over de inhoud van hun vak wilden hebben, maar ook omdat het zo moeilijk was om bij FNV Kiem iets voor elkaar te krijgen. We hebben zó veel vergaderd, vooral over intern gedoe, en er gebeurde geen donder.

Het werd urgent in de vroege jaren tien toen FNV Kiem zich wilde aansluiten bij de grote FNV na het verwerpen van het pensioenakkoord en de crisis binnen de vakbond die toen uitbrak. Ik en de andere kunstenaars waren helemaal niet vóór zo’n fusie. We vonden onszelf toen al niet gehoord binnen FNV Kiem, als het een nog grotere organisatie zou worden, zouden we helemaal kunnen inpakken. We hebben toen ook internationaal gekeken naar voorbeelden in Duitsland en Frankrijk waar iets vergelijkbaars was gebeurd, en daar was ook heel duidelijk dat de inspraak van kunstenaars in zo’n grote vakbond nihil is.’

Maar dat afscheiden ging niet zonder slag of stoot, toch?
‘De grafici wilden wel heel graag bij de grote FNV en er was een stevige lobby om de twee derde meerderheid in het ledenparlement die daarvoor nodig was, voor elkaar te krijgen. De kunstenaars wilden dat niet en dat werd een grote strijd. Sommige mensen die op het kantoor van FNV Kiem werkten, werden ook echt bedreigd: als dit niet lukt ben jij je baan kwijt. Ik zat in een heel ongemakkelijke positie, want ik zat toen ook in het hoofdbestuur van de grote FNV en daar werd ik behoorlijk onder druk gezet om ervoor te zorgen dat die fusie er kwam. Toen duidelijk werd dat ik dat niet wilde, kreeg ik al die bestuurders van het hoofdbestuur tegen me. Dat was een eenzame en heftige tijd, wat nog versterkt werd door de cultuurbezuinigingen die toen doorgevoerd werden. Ik had echt wel het gevoel alsof de cultuurwereld aan het instorten was.’

Waarom ging je dan toch door?
‘Het gaf ook wel een robuust geloof: een gezonde cultuursector is cruciaal voor een gezonde maatschappij en een zelfstandige kunstenaarsvakbond zou daaraan kunnen bijdragen. Want als je de cultuursector overeind wilt houden, dan moet je de mensen die daar werken overeind houden. Dus je moet zorgen dat die genoeg geld verdienen.’

Hoe kwam de Kunstenbond er dan uiteindelijk?
‘Er waren meerdere grafici die wel een deal wilden sluiten: de grafische sector van FNV Kiem zou fuseren, en de kunstenaars zouden zelfstandig blijven. Voorwaarde daarvoor was dat die nieuwe Kunstenbond een stevige financiële buffer zou krijgen – een stakingskas. En dat was prima mogelijk, want FNV Kiem was een rijke organisatie, met 40 miljoen euro op de rekening, wat niet op kwam, omdat de grafische sector steeds kleiner werd.

We hebben toen lang onderhandeld over het vermogen dat wij mee zouden krijgen, samen met mijn medebestuurders en strijders van het eerste uur, Nora Hooijer, en Guus Bleijerveld – dat was echt een teamprestatie.

We kwamen uit op een bedrag van 12,5 miljoen om een nieuwe bond mee op te bouwen, maar daarmee was het nog niet klaar. Het bestuur van FNV Kiem was hier namelijk zó op tegen dat ze ons nul hulp gaven. Geen juridische ondersteuning, geen hulp bij het opstellen van de statuten of bij het overnemen van het personeel, we kregen niet eens de ledenlijsten. Gewoon om dwars te liggen. Een paar mensen hebben ons toen geholpen, financieel expert Paul van der Hoeven, jurist Cees Bots, en niet veel later onze eerste eigen (interim) directeur Anne-Marie Harmsen, allemaal mensen die in ons verhaal geloofden.

Dus dat oprichten van die nieuwe bond was heel hard werken, ik heb zelfs tijdens mijn huwelijksreis nog zitten mailen over artikelen in de statuten, maar uiteindelijk heeft 80 procent van  het ledenparlement van FNV Kiem vóór deze constructie gestemd.

En toen was het nóg niet klaar, want toen weigerde de FNV om het geld vrij te geven. Dus we hadden een organisatie, maar we hadden geen ledenbestanden, dus we konden onze eigen leden niet benaderen; we hadden een werkorganisatie met mensen die betaald moeten worden; ik kreeg zelf geen vacatiegeld(vergadervergoeding) en we waren als bestuur hoofdelijk aansprakelijk voor de financiële situatie. Daar zit je dan als bestuurder.

Ik heb een half jaar lang samen met de andere vier bestuurders bijna dagelijks vergaderd, 30 à 40 uur per week gewerkt zonder financiële compensatie. Dat was een hartstikke stressvol half jaar. Maar uiteindelijk moest FNV natuurlijk bakzeil halen en werd het geld alsnog overgemaakt.’

En toen ging het lopen. Wat kon je toen, wat daarvoor niet kon?
‘We konden gaan bouwen, eerst aan een bestuur dat alleen maar uit kunstenaars bestaat – mensen die in de sector werkten, gingen bepalen wat de bond ging doen. En we konden echt gaan investeren in de ondersteuning van onze specifieke beroepspraktijk, zoals een juridische afdeling die gespecialiseerd is in de cultuursector, met twee advocaten die zo nodig een rechtszaak kunnen voeren. We hebben een keer een rechtszaak gevoerd tegen een gemeente die een kunstwerk waartoe ze opdracht hadden gegeven, niet wilden plaatsen. En tegen de Efteling die jarenlang dagelijks muziek gebruikt van een componist die daar maar een eenmalige fee voor heeft gekregen.’

‘Heel belangrijk is ook dat er nu een heel zichtbaar aanspreekpunt is voor werknemersbelangen in de kunsten. Politici, werkgevers en kunstenaars weten bij wie ze moeten zijn. Zeker als het gaat over de eerlijke betaling (professioneel gemaakt, professioneel betaald), goede arbeidsomstandigheden, juridische ondersteuning, het goed en zorgvuldig informeren van de leden over belangrijke onderwerpen zoals auteursrechten, contracten, AI, enzovoorts.’

Wat zijn uit die 25 jaar nu succesverhalen?
Er is meer zicht op hoe breed de cultuursector wel niet is. Er werken meer dan 350 duizend mensen in het creatieve en culturele veld, ongeveer twee keer zoveel als in de landbouw, en net wat minder dan in de bouwsector. Dus in principe zijn er heel veel mensen wel afhankelijk van wat er in de cultuursector gebeurt.’

‘Een van de dingen die we vanuit FNV Kiem zijn begonnen en met de Kunstenbond hebben doorgezet, is een rechtszaak over prijsafspraken voor zzp’ers. In Knier publiceerden we vroeger overzichten van minimumtarieven voor een draaidag en dergelijke. Op een gegeven moment mocht dat niet meer van de mededingingsautoriteit: dat zijn prijsafspraken en zzp’ers mogen die niet maken. Dat heeft FNV Kiem/Kunstenbond tot aan het Europese Hof aangevochten, en dat heeft bepaald dat zelfstandigen die onder dezelfde omstandigheden werken wel degelijk afspraken voor minimumtarieven mogen maken. Een prestatie van de Kunstenbond die zowel op nationaal als op Europees niveau veel impact kan hebben. Daarin heeft de internationale samenwerking binnen de FIA, de International Federation of Actors, een internationale vakbond waarvan de Kunstenbond lid is, een belangrijke rol gespeeld.

‘En achter de schermen heeft de Kunstenbond veel kunnen bijdragen aan een gezonde werkvloer, bijvoorbeeld via het mede opzetten van het meldpunt Mores voor ongewenst gedrag in de sector.’

‘Op dit moment zie je binnen de bond veel gesprekken over AI. AI heeft een enorme impact op de vele verschillende disciplines binnen de sector zoals beeldend, muziek, film, animatie. Het gaat dan voor acteurs bijvoorbeeld om stemmenwerk voor reclames, animatiefilms of luisterboeken. Dat was lange tijd natuurlijk een fijne inkomstenbron voor acteurs, maar je gaat niet helemaal kunnen tegenhouden dat AI hierin een grote rol gaat spelen. Dus hoe kan je het organiseren dat mensen wel beschermd worden? In Denemarken is net een goede afspraak gemaakt over dat je gezicht en je stem beschermd zijn. Kan dat in Nederland ook? Ik denk dat we daarvoor wel afhankelijk zijn van Europa, maar dat dit is een goed voorbeeld dat andere landen kunnen volgen. Dan moet je compagnons vinden, in kaart brengen wat de gevolgen gaan zijn, en hoe je actie kunt ondernemen. Acteurs kunnen bijvoorbeeld best al wat doen om zichzelf te beschermen. Als ik nu in een film of serie speel, laat ik een clausule in mijn contract zetten dat mijn werk en mijn beeld niet gebruikt mogen worden om AI te trainen. Dit is denk ik een thema dat we de komende jaren echt op de kaart zullen moeten zetten en moeten houden.’

Zwaai je nu helemaal af?
‘Nee, het internationale werk blijf ik doen, met name de contacten met de FIA. Daarin is Nederlands best wel een belangrijke speler. Voor de FIA is auteursrecht nu hét onderwerp, en nu dat speelveld steeds internationaler wordt, met bedrijven als Spotify en Netflix, moet je auteursrechten ook op Europees niveau of op wereldniveau regelen. En daarvoor heb je een internationale organisatie nodig.

Daarnaast wil ik me weer veel meer gaan richten op mijn eigen vak: voorstellingen spelen en maken, mooie rollen in bijzondere producties. Uiteindelijk is dat wat mij altijd heeft gedreven: het contact met het publiek, verhalen verbeelden die raken en hopelijk ook iets losmaken. Dat geldt voor het toneel, maar net zo goed voor film en televisie. Dáár wil ik mijn vakmanschap verder verdiepen, want dáár ligt mijn hart.’

Beeld Herman van Bostelen

Dossiers

Theaterjaarboek 2024/2025

Plaats reactie

Reacties moeten voldoen aan onze huisregels.

Uw e-mail adres zal niet gepubliceerd worden. Alle velden zijn verplicht.