Het jeugdtheater zit klem tussen de verwachtingen en eisen van afnemers en de wens van kunstenaars om kinderen met nieuwe ogen naar de wereld te laten kijken. Maurice Dujardin betoogt waarom risico’s nemen inherent is aan kwalitatief jeugdtheater.

Door Maurice Dujardin, foto Wendy Lubberding

Binnen nu en een paar maanden zetten theater- en dansgezelschappen een laatste punt achter hun beleidsplannen. Ook Theater Artemis legt een plan neer bij stad, provincie en rijk. We gaan een mooi verhaal opschrijven, een gedreven verhaal waaruit daadkracht spreekt en visie. Een verhaal over de voorstellingen die we gaan maken, wat die teweeg gaan brengen, waar we ze gaan spelen en hoe we daar een steeds groter en breder publiek voor weten te interesseren – een verhaal om vertrouwen te wekken bij wie ons plan beoordeelt.

Ik hoop dat we ook gaan opschrijven dat we van plan zijn grote risico’s te nemen. Er is vooral heel veel wat we niet weten: welke producties we gaan maken, voor welk publiek die relevant zijn en dus ook waar en hoe vaak we die gaan spelen, of we de komende jaren vooral gaan investeren of ook echt gaan (terug)verdienen.

We staan misschien wel als nooit tevoren aan het begin van een nieuw, groot experiment waarvan de uitkomst ongewis is. Een grote zoektocht naar de ‘onverwachte stappen zijwaarts’ waarvoor Robbert Dijkgraaf in augustus een lans brak in zijn voordracht bij het Paradisodebat: ontwikkelingen in de wetenschap en in de kunst komen nooit lineair tot stand, met een serie min of meer voorspelbare stappen vooruit. Misschien zou ons beleidsplan wel één groot vraagteken moeten zijn. Of op zijn minst volstaan met riskante trials waaruit onvermijdelijk nog onbekende errors gaan volgen. Het enige wat we echt zeker weten is dat we kinderen en jongeren voor even met andere ogen naar de wereld willen laten kijken.

Oorspronkelijk werk

Aan de hand van de praktijk van het gezelschap dat ik samen met artistiek leider Jetse Batelaan leid, wil ik een beeld schetsen van de risico’s die we nemen en waarom we dat doen. Volgend jaar presenteren we een eerste productie voor de grote schouwburgzaal, samen met Het Zuidelijk Toneel. In die voorstelling zien we ouders die in het holst van de nacht hun kinderen verlaten nadat ze plotseling hun liefde voor hen hebben verloren. Tegelijk zien we acteurs hun publiek in de steek laten. Uiteindelijk hopen we dat de ervaring vooral zit in wat er gebeurt tussen vloer en zaal, en tussen ouder en kind. Voor dit grote verhaal hebben we de machinerie van de schouwburg nodig met een toren, een manteau en een trekkenwand. Liefst spelen we in een schouwburg met een rijk verleden, een historische publieksplek die elke generatie weer opnieuw moet ontdekken.

De aanleiding om deze voorstelling te maken is niet dat we heil zien in de markt van de groot gemonteerde familievoorstelling, integendeel. Blader door het programmaboek van een gemiddelde schouwburg in een doorsnee middelgrote stad en je krijgt de indruk dat alle grote jeugdproducties aan één ongeschreven norm voldoen: het kind te geven wat het al kent. Dat geldt voor commerciële musicals die 3D-televisieshows beloven maar ook voor producenten die een bekende titel als uitgangspunt nemen om grotere thema’s te behandelen of die om die reden bekende verhalen herinterpreteren. Blijkbaar ligt er zo’n hoge druk op de zaalbezetting dat je als theatermaker bijna niet anders kúnt dan een bekend jeugdboek te dramatiseren. Het roept de vraag op naar de relevantie van de jeugdpodiumkunsten dat kunstenaars, anders dan hun collega’s in literatuur of film, geen nieuw, oorspronkelijk werk zouden kunnen maken.

Er zouden in mijn ogen veel meer oorspronkelijke grote voorstellingen gemaakt moeten worden om dit te doorbreken en schouwburgen ook die kleur te kunnen geven. Ik zou graag zien dat nu opgroeiende bezoekers de schouwburg leren kennen als een fantastische plek, waar ze verrast worden door verhalen die ze nog nooit gezien of gehoord hebben. Dat kan de basis vormen voor het relevante stadspodium in de toekomst.

Schouwburgdirecteuren en jeugdtheatermakers kunnen elkaar in deze missie vinden. Daarvoor is een lange weg te gaan. Jeugdgezelschappen hebben niet voldoende financiële middelen om consequent, met lange adem, onderscheidend aanbod voor de grote zaal te leveren. Podia op hun beurt zien hun budgettaire ruimte om te investeren in risicovol aanbod alleen nog verder krimpen. Genoeg geld voor een baanbrekend marketingplan is bij geen van de partijen beschikbaar.

Hoe het tij te keren? Een mogelijkheid is om gezelschappen en schouwburgen die hier werk van willen maken samen te brengen om lange termijnplannen op te stellen, zoals ook theatergezelschappen in de ‘volwassen’ BIS en hun kernpodia elkaar de afgelopen jaren gaandeweg steeds meer gevonden hebben. Een andere manier die nu al werkt is het koppelen van grotezaalaanbod aan festivals en schoolvakanties, waarin het makkelijker lukt een breder publiek te verleiden iets nieuws te ontdekken. We starten onze grotezaaltournee van bovengenoemde productie daarom dan ook in Theater aan de Parade in Den Bosch tijdens Theaterfestival Boulevard, in het kader van het Jeroen Boschjaar 2016. De herfstvakanties in andere speelsteden zijn inmiddels als eerste volgeboekt.

Pijnlijke onderwerpen

Een tweede risico dat we nemen heeft betrekking op onderwerpen die te groot of te complex zijn om te bevatten, laat staan om er theater over te maken. Vorig jaar brachten we met Ja, ja, ja, jullie hebben hele mooie spulletjes een anti-materialistisch pamflet voor de beginnende consument. Volgend seizoen gaan we het met kinderen vanaf zes jaar hebben over oorlog. Oorlog is iets onontkoombaars dat ook aan kinderen niet voorbijgaat en waarvoor elk kind soms vreest, maar dat het ook naar hartenlust naspeelt. Veel volwassenen weten zich er ook geen raad mee en vinden het lastig hierover met hun kinderen in gesprek te gaan.

Over dit soort pijnlijke onderwerpen willen we theater maken dat kinderen en volwassenen aangaat.

Dat is riskant. Want lukt het ons ouders ervan te overtuigen dat wij het als kunstenaars met hun kinderen over oorlog moeten hebben? Kiezen ze dan niet liever iets anders uit, iets veiligers, in de spaarzame vrije tijd die ze als gezin kunnen doorbrengen? Ook andere jeugdgezelschappen stellen zich deze vragen en stuiten daarbij soms op weerstand. Toen Moniek Merkx bij Maas theater en dans Ben niet bang maakte, een bewerking van Who’s afraid of Virginia Woolf voor zesjarigen, ondervond ze dat veel volwassenen echtelijke ruzies niet bepaald geschikt achtten voor hun kroost.

Leren kijken

Voor jeugdgezelschappen is de samenwerking met het onderwijs van wezenlijk belang. Via scholen kunnen we kinderen uit alle lagen van de samenleving bereiken. Maar past ons aanbod wel binnen de doorlopende leerlijnen, met voorstellingen die meer vragen opwerpen dan antwoorden bieden? Scholen kunnen tegenwoordig kiezen uit een enorm pakket aan didactisch cultuuraanbod op maat dat direct aansluit op hun lesprogramma. Cultuureducatie gaat daarbij steeds vaker over het aanboren van creativiteit, over iets abstracts als de persoonlijke ontwikkeling van kinderen tot kritische en empathische burgers. Maar in die wens om kinderen vaardigheden bij te brengen waarmee ze de wereld later te lijf kunnen, vergeten we vaak hun eerst die wereld te laten zien.

Die wereld is complex. Ook daarover moet je leren – en dat leer je door te kijken naar de beelden die anderen schetsen van de werkelijkheid, en te luisteren naar verhalen over hoe je leven ook zou kunnen zijn. Dat leer je van kunst. Onze grootste opdracht is misschien wel om kunst een vanzelfsprekende plek te geven in het onderwijs. Daarvoor moeten we leerkrachten overtuigen van die waarde.

Gelukkig hebben we in dat opzicht wat wind mee. In het onderwijs hoor je vaak geluiden dat het anders moet, dat het om meer moet gaan dan de cognitieve vakken. Leraar en kunstenaar vinden elkaar steeds beter in de erkenning dat ook het niet-meetbare van belang is voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren.


Deelgenoot maken

Al met al gaat het er dus om dat we anderen, of dat nu programmeurs zijn, ouders of leerkrachten, deelgenoot maken van wat we met ons werk willen bereiken. Het belangrijkste is dat we andere volwassenen kunnen overtuigen van ons werk; zij selecteren immers wat kinderen te zien krijgen. Alleen door de krachten te bundelen vanuit een gezamenlijk geloof in het belang van kunst, kan het weer vanzelfsprekend worden dat kinderen met kunst opgroeien. Daarbij moeten we ons ruimhartig opstellen en anderen voldoende tijd en ruimte gunnen om aan te sluiten.

Dat brengt me terug op ons subsidieplan dat over enkele maanden de deur uitgaat. Hoewel er veel voor te zeggen is om één groot vraagteken in te dienen, is dat natuurlijk niet het juiste antwoord. Want net als als programmeurs, ouders en leraren, moeten we ook beleidsmakers deelgenoot blijven maken van ons streven om het opgroeiende publiek te bereiken met theater dat er werkelijk toe doet.

Een van de middelen die werken om het vertrouwen te winnen van theaters, publiek en scholen, is het organiseren van reprises van voorstellingen die zich bewezen hebben. Na een tijd begrijpen ook wijzelf beter de waarde van een werk; we kunnen er dan gerichter publiciteit voor maken en er effectievere educatie aan vastkoppelen. Zo speelt onze voorstelling De man die alles weet nu, anderhalf jaar na de première, voor meer scholen en in meer theaters, en in plaatsen waar we met nieuwe producties meestal niet of nauwelijks komen.

Uiteraard is niet elke voorstelling zo geslaagd dat ze in aanmerking komt voor een dergelijke reprise; gezelschappen zouden zich daarom ook het financiële risico moeten kunnen veroorloven om veel te maken, maar niet alles even vaak te spelen.

Een andere keerzijde van de reprisemedaille is dat het steeds lastiger wordt om te investeren in nieuwe producties als deze bij voorbaat minder goed verkopen, juist omdat theaters die (reeds bewezen) hernemingen zo gretig afnemen. De Raad voor Cultuur schreef met betrekking tot talentontwikkeling dat ‘het nieuwe’ de vijand dreigt te worden van ‘het betere’, maar hier zien we het omgekeerde gebeuren: dat het succesvolle het nieuwe, het nog niet gemaakte dreigt te verdringen.

Theater voor een jong publiek bestaat om dat jonge publiek een artistieke ervaring te bieden die past bij onze tijd. Daar bestaan geen formules voor. Steeds weer moeten we met nieuwe verhalen komen, wanneer de oude hun niets meer zeggen. Of, zoals Floris van Delft in september zei tijdens zijn Staat van het Jeugdtheater in Jeugdtheater de Krakeling: ‘Wij moeten proberen om dat wat belangrijk is te scheiden van dat wat onbelangrijk is. De vragen te vinden die er werkelijk toe doen in deze tijd en die zo stellen dat ze onontkoombaar zijn. Mensen weer met nieuwe ogen laten kijken naar de wereld en mijn, jouw, onze plek daarin.’ Het zijn deze pogingen die ertoe doen, het zijn deze risico’s die we moeten nemen.