De theaterwereld heeft een dubbelhartige relatie met prijzen. Kunst is immers geen wedstrijd, jury’s moeten altijd appels met peren vergelijken en prijzen zijn nu eenmaal per definitie niet representatief of rechtvaardig. Winnaars zijn vaak blij, maar zijn ook de eersten om te relativeren, of te benadrukken hoeveel mensen medeverantwoordelijk zijn voor hun succes.
Maar jury’s – ik zat er met veel plezier in een aantal – doen ontegenzeggelijk belangrijk werk door onbekend werk onder de aandacht te brengen, te discussiëren over de kwaliteiten van die appels en peren, en woorden te geven aan excellentie, en waarom die beloond moet worden. Prijzen markeren de artistieke gebeurtenissen in de theaterwereld. Hun werk lijkt op dat van critici, alleen met uitsluitend good vibes.
In dit nummer besteden we veel aandacht aan de prijzen die op de komende editie van het Nederlands Theater Festival worden uitgereikt. Bijvoorbeeld de nieuwe vormgeversprijs, waarover Marijn Lems uitgebreid sprak met initiatiefnemers Jelle Hoekstra en Marijn Brussaard, en met juryvoorzitter Carly Everaert. Ook keek Lems naar de juryrapporten van de Theo d’Or voor de Meest Grensverleggende Podiumprestatie die dit jaar voor de tweede keer wordt uitgereikt. Want een prijs, zeker een die zo expliciet voor vernieuwing wordt toegekend, is ook een vorm van discoursontwikkeling.
Vernieuwing is ook het thema van een opiniebijdrage van Naomi Velissariou die de tekst van haar muziektheatervoorstelling HARDKOOR niet in aanmerking zag komen voor de Toneelschrijfprijs. Wat is de relatie eigenlijk tussen muziek en taal op het toneel, vraagt ze zich af in een stuk dat mooi beweegt van persoonlijke frustratie naar een oprecht pleidooi voor innovatie.
En ja, dan besteden we ook traditioneel aandacht aan de winnaar van de Prosceniumprijs (of eigenlijk de Proscenium-achter-de-schermen-prijs zoals die tegenwoordig heet – wat grappig is omdat ‘proscenium’ vrij letterlijk ‘vóór de schermen’ betekent). En nu is het mijn beurt om (heel) blij te zijn, een beetje te relativeren en heel sterk te benadrukken hoeveel anderen hebben bijgedragen aan dit succes – waarbij u als lezer van dit Magazine zeker niet de minst belangrijke bent. Verderop in het Magazine vertel ik wat meer over mijn werk op het kruispunt van kritiek en erfgoed, waar de jury zo aardig over spreekt.
En om die verbinding nog eens te benadrukken, schreef Fransien van der Putt een prachtig, uitgebreid artikel over de voorstelling Kontakthof – Echoes of ’78 die choreografe Meryl Tankard maakte op basis van een van de bekendste werken van Pina Bausch. Wat een geweldig voorbeeld van performing the archive!
Bausch’ zoon Salomon zegt in gesprek met Van der Putt iets heel wezenlijks: ‘We kunnen niet alles documenteren. Sommige dingen zullen verloren gaan. We moeten erop vertrouwen dat kennis ook wordt overgedragen van persoon op persoon. Je kunt het niet allemaal vastleggen op een harde schijf of op een plank zetten. Het zit echt tussen mensen in.’
Het ‘tussen mensen in’ komt ook mooi terug in twee stukken over AI en de podiumkunsten. Tom Helmer schreef over de mogelijkheden achter de schermen – voor marketeers, zakelijk leiders en producenten. Marijke Hessels belicht de kansen voor kunstenaars en concludeert dat vooral in het onderzoek en voorwerk AI veel interessante mogelijkheden biedt. Beiden hebben goed oog voor de tekortkomingen van de technologie – de weinig diverse scope van de achterliggende datasets, de energieslurpende infrastructuur erachter – maar geven interessante handvatten voor spannend gebruik van deze revolutionaire technologie.
Ten slotte snijden we een nieuw thema aan in dit nummer: de aantasting van de artistieke vrijheid in Europa, mede (maar niet uitsluitend) door de opkomst van extreemrechtse partijen. In gesprek met Europese podiumkunst-lobbyist Anita Debaere schetsen we de bedreigingen in Europa, maar leren we ook van best practices om ons hiertegen teweer te stellen. Dit onderwerp zal de komende tijd vaker op tafel komen op onze site en in dit Magazine.





