Met zijn werk bij de Veenfabriek creëert schrijver en regisseur Joeri Vos een theatraal universum met volstrekt eigen wetten, waarin de emotionele en muzikale logica net zo belangrijk is als de psychologie van de personages. ‘Ik geloof in onhandigheid’.

Joeri Vos (1981) is sinds 2017 samen met Paul Koek artistiek leider van De Veenfabriek. De afgelopen jaren creëerde hij daar in samenwerking met de andere artistieke leden van het gezelschap een eigenzinnige vorm van theater, die zich vooral onderscheidt door de manier waarop de associatieve dramaturgie en de muzikale elementen van de voorstellingen zich tot elkaar verhouden.

Vos studeerde in 2006 af aan de acteursopleiding van ArtEZ. ‘Toen ik daar studeerde zat de opleiding zonder artistieke leiding. Sommige van mijn medestudenten misten enige structuur maar ik genoot van de vrijheid die het bood. We konden het allemaal een beetje zelf vormgeven, het idealisme van het collectieve studenten- en docentenoverleg sprak me wel aan. Ik heb die vorm van collectief maken ook altijd wel in mijn regiestijl behouden.’

Na zijn afstuderen richtte Vos met zijn zus Isil en Noël S. Keulen het toneelgezelschap TG 42 op. De groep richtte zich voornamelijk op nieuw, maatschappelijk geëngageerd repertoire van de hand van Vos. ‘Onze voorstellingen gingen eigenlijk altijd over het werkende leven. Bijna al het toneel gaat over relaties tussen mensen in de privésfeer, je krijgt zelden te horen wat die personages doen om een boterham te verdienen. Terwijl je toch de helft van je leven met je werk bezig bent en in het bedrijfsleven een groot deel van de politieke macht zit. Tegenwoordig vinden de echte koningsdrama’s op kantoor plaats.’

‘Het heeft denk ik ook te maken met de verhouding tussen emotionele driften en beredeneerde meningen. Ergens had ik het gevoel dat veel toneelstukken heel erg op de emotie zaten, terwijl dat maar zo’n beperkte blik op de mens is. Waar werken de personages, welke politieke opvattingen hebben ze? Ik vond het Freudiaanse in het toneel oververtegenwoordigd: niet ieder aspect van een personage komt door een slechte jeugd, ik vind het belangrijk om te laten zien dat mijn personages naast emoties ook ideeën en opvattingen hebben, die hun handelen net zo goed bepalen.’

Betekent die nadruk op de rede dat je meer gelooft in maakbaarheid, dan in een speelbal van het noodlot te zijn? Toch hebben veel van je voorstellingen de structuur van een tragedie.
‘Ik grijp zeker terug naar de tragedie, maar die wordt bij mij eerder bepaald door de externe of systemische omstandigheden waarin de personages leven dan door hun innerlijke driften. Ik denk dat je gedrag en je zelfbeeld sterk door je omgeving wordt bepaald. Ik weet dus niet of ik in die zin in maakbaarheid geloof, maar wel in het goede in de mens. Ik denk dat het verlangen om samen te zijn net zo goed een menselijke drift is als geweld, de theorie dat de beschaving zo kwetsbaar is dat we bij het kleinste krasje wel in beesten zullen veranderen, die klinkt niet geloofwaardig in mijn oren. Ik geloof veel meer in onhandigheid, mensen die het goed proberen te doen maar daar niet in slagen.’

In je recente werk lijk je juist meer aandacht te hebben voor emotie dan vroeger. Ik weet nog dat ik de overgang van Fresh Young Gods naar De lankmoedigen (beide bij Oostpool) daarin opvallend vond: waar die eerste voorstelling duidelijk een satire was, was de tweede een veel warmer, menselijker drama.
‘Dat heeft ook te maken met het feit dat ik De lankmoedigen zelf heb geregisseerd, en Eric de Vroedt de regie van Fresh Young Gods voor zijn rekening heeft genomen – als hij mijn werk regisseert (zoals ook bij mightysociety8 en De wereld volgens John) is het misschien wat harder. Ik vertrek vaak vanuit iets waar ik me boos over maak, maar de vuistregel is dat ik van al mijn personages moet houden en ieders argumenten serieus neem. Bij Fresh Young Gods verloor ik mezelf te veel in de details, in het heel precies willen overbrengen van wat er mis is met de wereld, terwijl theater niet zo geschikt is voor pamflettisme en altijd over mensen moet gaan.’
‘Vroeger probeerde ik actiever weg te blijven bij emoties. Dat had misschien deels ook met onzekerheid te maken, ik zette in eerder werk meer in op de grap. Wat dat betreft ben ik een betere schrijver geworden, ik heb nu meer gevonden wat bij mij past. Ik bewonder bijvoorbeeld het werk van Paul Pourveur heel sterk vanwege zijn essayistische insteek, maar mijn kracht ligt uiteindelijk ergens anders, ik ben toch minder cerebraal. Ik denk dat ik nu meer kwetsbaarheid toesta: ik realiseer me sterk dat ik over alle onderwerpen die ik aansnijd niet zo heel veel weet. Theatermakers hebben vaak de klok horen luiden zonder dat ze weten waar de klepel hangt en dat noopt tot meerduidigheid. Daarom maak ik stukken waarin verschillende waarheden naast elkaar kunnen bestaan.’

Die meerduidigheid wordt ook ondersteund door de rol die muzikaliteit in je werk speelt. Hoe ga je om met de verhouding tussen tekst, spel en muziek?
‘Met muziek spreek je überhaupt een ander register aan. Je kan een bepaald gevoel overbrengen dat in de tekst onder de oppervlakte blijft. Met muziek kan je een sfeer neerzetten, terwijl de dialoog van de acteurs concreet en in het hier en nu blijft. Muziek kan sturen en verwarren, om je “uit je hoofd te halen” en soms juist ruimte bieden om even zelf ergens langer over na te denken.’
‘Mijn samenwerking met muzikanten is per muzikant weer anders. Het begint bij het idee voor de voorstelling en dan praten we daar samen veel over: welke sfeer, stijl en instrumentarium kunnen daarbij horen? Ik bespreek wat me specifiek aanspreekt in het concept van de voorstelling en wat ik daarmee wil vertellen, maar ik vermijd al te veel te sturen op welke muziek het moet zijn. Het gaat trouwens ook vaak andersom: bij Alles van waarde begonnen we vanuit de atonale muziek en hebben we toen bedacht welke thema’s daarbij passen. Zeker bij de Veenfabriek is die gelijkwaardigheid tussen muziek, spel en tekst een centraal uitgangspunt. Het is belangrijk dat het elkaar aanvult en inspireert, en allemaal deel is van het verhaal.

Geldt die gelijkwaardigheid ook voor de acteurs?
‘Zeker. Voor mij is er trouwens niet echt een verschil tussen de acteurs en de muzikanten, behalve dat ze vanuit een ander ambacht vertrekken, en bij de Veenfabriek is de overlap tussen de disciplines groot, dus acteurs spelen ook muziek en muzikanten acteren ook. Ik vind het belangrijk dat de acteur van het personage houdt, wat vrij veel inbreng van de acteur zelf vergt. De input van de speler, de eigen gekte helpt bij het ontwikkelen van de voorstelling. Ik ben echt iemand die monteert, ik heb veel minder dan veel andere regisseurs van tevoren al een beeld van hoe de voorstelling eruit moet zien.
Acteurs zeggen wel eens dat ze het eng vinden om in mijn regies te spelen omdat ik een bepaalde naaktheid van ze vraag – ze mogen niet met groot spel ‘uitpakken’, ik vraag ze om in het moment te staan en alles te laten zien wat er dan gebeurt. Er is een aantal ankerpunten dat emotionele crescendo’s vormt of belangrijk is voor de betekenisoverdracht, waardoor dynamiek, ritme en verhaal van de voorstelling sterk blijven en de spelers houvast bieden, maar daarbuiten moet het vooral kloppen in het hier en nu. Zo’n bijna improviserende werking is ook nodig omdat muziek zijn eigen logica heeft: een scène kan vanwege de muziek totaal anders worden dan hij klonk bij de eerste lezing, grappen kunnen bijvoorbeeld doodslaan omdat de spelers niet meer alleen de timing in de hand hebben. Wat we doen lijkt vaak op met een bandje repeteren, waarin iedereen wat inzet maar tegelijkertijd goed luistert naar wat het geheel nodig heeft.’

Zie jij jezelf als een geëngageerd maker – in welke betekenis dan ook?
‘Ik zie mezelf wel als actueel theatermaker. Mijn engagement is een bron van twijfel, het verschilt per dag. Ik denk niet dat politiek theater daadwerkelijk iets verandert, het gaat mij er meer om verschillende perspectieven te laten zien, die allemaal serieus worden genomen. Ik denk dat theater vaste denkbeelden los kan weken, een soort plasticiteit in de hersenen kan stimuleren. Als ik mensen van een standpunt wil overtuigen moet ik de politiek in. Theater kan juist twijfel stichten en daarmee openheid naar de ander stimuleren – niet door het gemiddelde te laten zien maar door iedereen in zijn extremiteit serieus te nemen. Ik wil iets tegenover het vijanddenken in de maatschappij stellen.’

Is theater dan een manier voor jou om grip op de dingen te krijgen?
‘Ik zou eerder zeggen: het is een manier om los te kunnen laten. Ik denk dat het te hard grip willen krijgen juist aan de basis ligt van fundamentalisme. Als je iets vast denkt te hebben, als je iets denkt te weten, dan moet je juist gaan nadenken of je het niet beter los kan laten. Daarin ben ik als schrijver wel gegroeid: ik probeer steeds meer ruimte te creëren in plaats van dingen te beweren. En dat is ook heel erg de kracht van muziek: dan ga je even weg bij het verhalende en het rationele, en als je dan bij de personages terugkeert zie je ze in een ander licht. Wat ik net zei, over dat de muziek een grap die ik heb bedacht kan doodslaan, werkt juist ook positief: het maakt eenduidigheid ook onmogelijk. Ik hou ervan wanneer er altijd iets in mijn werk ongrijpbaar is. Ik geloof dat we nog veel beter kunnen worden in niet-beheersen, en dat theater daarbij een belangrijke rol kan spelen.’

Foto: Bas de Brouwer