Wat kunnen we leren van het cultuurbeleid in de ons omringende landen? Het kunstenveld is overal in Europa op zeer eigen manieren georganiseerd. Juist op dit terrein onderscheiden landen en steden zich van elkaar en moet er ruimte zijn voor lokale tradities, eeuwenoude instituten en specifieke geplogenheden. Toch vonden we in meerdere landen voorbeelden op het gebied van flankerend beleid, subsidieregelingen of stelseninrichting die als inspiratie kunnen dienen voor het verbeteren van het Nederlandse beleid.
In Italië bestaat sinds 2014 een driejarige regeling ‘Fondo Nazionale per lo Spettacolo dal Vivo, ofwel FNSV, vroeger bekend als FUS. Hiermee geeft het Italiaanse ministerie van Cultuur subsidies aan onder meer zeven nationale theaters, 160 theatergroepen (waaronder ook jeugdtheater), 29 productiehuizen en 27 festivals.
Iedere drie jaar worden de gesubsidieerde instellingen geëvalueerd aan de hand van drie criteria: kwaliteit, prestaties (met name het aantal speelbeurten) en een complex algoritme dat de waarde van een instelling bepaalt.
Een interessant aspect van deze regeling is dat er een demper is ingebouwd voor grote subsidieschokken. Zowel subsidieverhoging als -verlaging hebben een maximum. Als het kwaliteitsoordeel over een instelling negatief is, kan het budget worden verlaagd, maar niet met enorme bedragen. Het eerste jaar van de nieuwe periode krijgt een theater of gezelschap minimaal 80 procent van het oorspronkelijke budget en in het tweede en derde jaar minimaal 68 procent. Theoretisch betekent dit dat een instelling nooit z’n subsidie helemaal kan verliezen. In praktijk komt het er op neer komt dat het ministerie niet functionerende instellingen danwel stimuleert om beleid en artistiek personeel te vernieuwen, danwel naar de uitgang begeleidt. In die zin fungeert de FNSV dus meer als de BIS.
Ook als het oordeel positief is, is er een rem op de subsidieverhoging. Jaarlijks stelt het ministerie een maximaal groeipercentage vast voor culturele instellingen in iedere categorie. De laatste jaren zijn er meerdere ministers van Cultuur geweest, maar geen enkele heeft dit groeipercentage toegepast.
Italië voerde rond 2006 onder Berlusconi een kunstbezuiniging door die qua schok te vergelijken is met die in Nederland onder Zijlstra. Sindsdien werd het cultuurbudget wel weer met kleine beetjes verhoogd. Die extra middelen kwamen dus niet ten goede aan bestaande groepen, maar aan nieuwe instellingen of specifieke interesses of belangen van de achtereenvolgende ministers van Cultuur.
Een eerste versie van dit systeem werd getest in 1999 en werd toen ingevoerd onder invloed van een lobby van de meer traditionele theatergroepen en producenten, die bang waren dat ze niet meer aan de kwaliteitseisen in het nieuwe subsidieregime zouden voldoen. In de jaren daarvoor hadden enkele van die instellingen al te maken gekregen met stevige subsidiekortingen.
Vanuit de jongere generatie kunstenaars werd deze schokdemper juist gezien als stagnatie van het systeem en als bescherming van ouderwetse instellingen tegen vernieuwing – met name omdat het totale budget bij het invoeren van dit systeem niet groeide.
Het is wel mogelijk om in één keer je subsidie te verliezen, bijvoorbeeld als je je prestatie-eisen niet haalt, of als je geen aanvraag doet. Het systeem heeft nog een paar additionele regels en uitzonderingen, bijvoorbeeld voor instellingen die van categorie veranderen (zoals programmerende theaters die ook willen gaan produceren), internationale tournees en materiële investeringen.
Les voor Nederland: Een ‘kortingsdemper’ is een interessant mechaniek om continuïteit te bieden aan gesubdieerde instellingen, maar gaat onherroepelijk ten koste van de dynamiek en vernieuwing.
Beeld Herman van Bostelen
Met dank aan Paolo Aniello






