In het jaar dat het Nationale Toneel, NTjong, de Koninklijke Shouwburg en Theater aan het Spui aankondigden samen te gaan, veroorzaakte Noël Fischer, artistiek leider van NTjong, een kleine aardbeving in jeugdtheaterland met de jongerenvoorstelling In mijn hoofd ben ik een dun meisje. Recensies noemden haar voorstelling ‘ontregelend’, ‘schurend’, ‘gefreakt’ maar ook ‘uitzinnig’ en ‘bewonderenswaardig’. Sara van der Kooi sprak met Fischer over laveren tussen uitersten, de dreiging van oorlog en de plek van ‘haar’ jeugdtheatergezelschap per 1 januari 2017 in het Nationale Theater.

Een nieuw logo hebben ze in elk geval niet nodig, grapt Noël Fischer. Nationale Toneel of Het Nationale Theater, NTjong blijft als merk gewoon bestaan. Maar het is niet niks om zo’n fusie van gezelschap en podia voor elkaar te krijgen. Zoveel praten en overleggen, duwen en trekken. Heel heftig, noemt Fischer het. ‘Niet vervelend hoor, maar we werken ieder op onze eigen manier en dat merk je nu. Het is bijvoorbeeld heel belangrijk geworden om te praten over hoe we de zalen gaan gebruiken. Net als: hoe zet je dadelijk die hele publiekswerking en educatie in Den Haag in? Of: hoe manifesteer je je voorstellingen op festivals? Alle expertises zijn ineens samengevoegd: marketing, educatie, artistiek bureau, alles. Dat betekent voor de nieuwe afdeling educatie bijvoorbeeld dat er zoveel fte’s van educatie, zoveel fte’s van de schouwburg, zoveel van Theater aan het Spui en zoveel van NTjong bij elkaar komen. Het hoofd van deze afdeling is nu een NTjong’er. Bij NTjong was het belang van educatie al vanzelfsprekend door het hele werk vervlochten. Voorheen werkten al die mensen al op veel gebieden samen, maar nu zitten ze ook letterlijk samen in een ruimte en kijken ze samen naar de jaarplanning van de te maken voorstellingen. En ook naar de programmering van familievoorstellingen, kleine voorstellingen, schoolproducties, alles. De hele breedte en diepte.’

Op maat gesneden
‘Of Het Nationale Theater een megabedrijf wordt, vraagt iedereen. Maar we gaan niet ineens veel meer voorstellingen maken. Je zoekt naar manieren om anders te produceren en je publiek te bereiken. Het is niet alleen maar kostenefficiënt, het creëert ook een andere setting waardoor we een huis worden waar het publiek meer meemaakt dan alleen een voorstelling. Dan kun je aan van alles denken: debatten, inleidingen, discussies, workshops maar ook feestjes. Dat blijkt heel belangrijk te zijn om het publiek ook op een langere termijn aan theater te verbinden. Het Nationale Theater heeft daarnaast natuurlijk vanuit OCW een belangrijke reisopdracht. Die kunnen we nu anders invullen. Ook kunnen we nu op een andere manier om een voorstelling heen werken. Neem bijvoorbeeld mijn volgende project Lord of the Flies. Daar werken we met vijf schouwburgen door het hele land. We staan er steeds een week. Het volledige educatieprogramma kunnen we nu heel breed opzetten en verdiepen, samen met de programmeurs, marketeers en educatiemedewerkers van de desbetreffende podia. Het is nodig om daar ook aparte fondsen voor aan te boren, omdat we dat niet met ons eigen productiebudget kunnen betalen. Want wat je eigenlijk krijgt is per stad een op maat gesneden programma rondom de voorstelling, waarin de podia ook kunnen sturen. Niet zozeer op de artistieke inhoud van wat ik maak, daar is weinig discussie over, maar wel over wat bij hen en de stad past. Door de fusie hebben we de slagkracht om dit te realiseren. We krijgen er ruimte, focus en aandacht voor terug. Van een puur productiebedrijf kunnen we ons nu meer richten op programmeren en contextprogramma’s.

‘Jeugdtheater genereert natuurlijk veel minder inkomsten door de laaggeprijsde kaartjes. Dan kun je wel net zoveel publiek trekken als het volwassenentoneel, maar qua inkomsten delf je het onderspit. Hier bij het NT ben ik daar heel hard achter gekomen. Aan de ene kant wordt geroepen om grotezaalfamilievoorstellingen voor het hele land. In die kwaliteit moet worden geïnvesteerd. Maar aan de andere kant: als je dat doet, gaat het onmiddellijk over de prijs. Goedkoop jeugdtheater voor de grote zaal maken, dat lukt niet. Bovendien wil ik niet aan de kwaliteit morrelen. Natuurlijk zijn er wel schouwburgen die er ruim budget voor vrijmaken, maar er is ook een grote vlek van zalen die te weinig budget hebben en die over de prijs willen onderhandelen. Hoe we daar als Nationale Theater mee willen omgaan is een punt van discussie. Reuze-interessant hoor, hoewel ik soms ook gek word van het hele fusiegebeuren. Maar ik vind het vooral een beweging die de moeite van het onderzoeken waard is. Het gaat ons niet zozeer om economische motieven of efficiëntie. Het is een poging om de middelen en de mensen in de volle breedte van productie tot programmering artistiek en organisatorisch optimaal in te zetten.’

Shockeffect
‘De voorstelling In mijn hoofd ben ik een dun meisje noemen we intern liefkozend Dun meisje. Ze komt gelukkig terug in najaar 2017. Wij, de groep vrouwen die haar hebben gemaakt, zijn erg trots op die voorstelling. We voelden een grote noodzaak om over het thema zelfbeeld en vrouwbeeld een voorstelling te maken. De voorstelling heeft goed gelopen en veel teweeggebracht. Ik wist helemaal niet dat er zoveel publiek voor zou zijn, maar er kwamen ook veel volwassenen en ouderen, feministen. Vaak was er een heel bijzondere samenstelling het publiek. Het vrouwbeeld is een actueel thema waarmee vrouwen en meisjes worstelen. Aan de ene kant ben je vrij, kun je zijn wie je wilt, is er gendergelijkheid, het hele brede palet. En aan de andere kant is dat helemaal niet zo, is er een enorme vernauwing, zijn dingen als seksisme en vrouwongelijkheid wel degelijk aan de hand. Daar hebben vrouwen maar ook mannen – want ook op hen heeft het een weerslag – mee te maken. Eigenlijk wilde ik al in 2013 een voorstelling over dit thema maken, maar het had een lange broeitijd nodig. Nu is het thema grappig genoeg ineens heel hot, ook in het theater. En terecht hoor, gezien al die negatieve zelfbeelden, eetziektes, zelfhaat. Op een gegeven moment raakte ik daar wel een beetje depressief van. De maatschappelijke respons op Dun meisje was heel sterk. Dat merk je vooral bij de voorstellingen waar scholen komen kijken. Natuurlijk is de voorstelling met een zeker shockeffect gemaakt. Ze is chargerend en brutaliserend. In een snelle, vreemde stijl waarin je steeds op het verkeerde been wordt gezet en continu wordt verrast door wat er nu weer gebeurt. Vooral de spelers hebben daar veel plezier in. Maar het blijft hoe dan ook een thematiek waar je als vrouw niet aan ontkomt. Ik heb ook nog eens twee dochters van tien en zestien, wat betekent dat die thema’s zich ook heel direct in mijn privéleven voordoen. Ik heb met groepen meisjes en jonge vrouwen te maken en zie hoe ze ermee omgaan. Mijn onderwerpen haal ik heel vaak uit mijn directe leefwereld. Dat is niet alleen mijn gezin, ook de scholen waar ik naartoe ga.’

Toen je het Almeerse Bonte Hond oprichtte, leverden je voorstellingen veel controverse op, ook in de pers. Heb je het idee dat je nu bij het NT minder wordt aangesproken op de inhoud van je voorstellingen? Dat je nu meer kunt maken omdat je bij een gevestigd instituut zit?
Fischer denkt even na. Dan lacht ze: ‘Nou, bij Dun meisje verliet een hele klas boze jongeren de zaal. Dat was toch wel een teken van controverse. Ik denk dat het te maken had met het feit dat dit een moslimschool was en dat ze bepaalde dingen aanstootgevend vonden. Die kinderen waren boos, en dat mag ook. Ik heb direct erna met ze gepraat. Wat ook meespeelde was dat deze jongeren niet ter voorbereiding hadden deelgenomen aan het educatieve programma. Maar wat controverse betreft: over het algemeen zijn mensen hier in Den Haag heel theaterminnend. Dat is anders dan destijds in Almere en heel prettig. Ik ben niet op voorhand uit op controverse; ik wil dingen maken die ertoe doen, die een betekenis hebben in de wereld. Het is heel belangrijk dat mensen met elkaar in gesprek komen, zich niet in hun eigen wereldje verschuilen. Als iedereen alleen nog maar in een beperkt aantal tekens op elkaar reageert, dan is er toch geen gesprek? Dat is een stokpaardje, ik weet het. Maatschappelijk was en is het een heftige tijd. De enorme onrust die er is, de angst voor terrorisme, hoe wij omgaan met vreemdelingen. Waar ligt de grens? 2016 was in veel opzichten een vreselijk jaar. Het gevoel van een onderhuidse oorlog die Europa uiteen zou kunnen rukken. Het zijn grote woorden hè? Niet een oorlog zoals vroeger, die ik zelf niet heb meegemaakt, maar een nieuw soort oorlog van onderhuidse terreur en bevolkingsgroepen die uit elkaar drijven. Heel grote verschillen tussen mensen die veel of juist niks hebben, ook in ons eigen land. En het afbreken van instituties. Als er aldoor maar op los wordt getwitterd en waardevolle instituties in diskrediet worden gebracht, denk aan de rechtspraak of journalistiek, als alles wat nog enige waarde zou moeten hebben waardeloos wordt verklaard, wat houden we dan nog wel als waarde overeind? Geldt dan uiteindelijk alleen het recht van de sterkste? Dat is ook waar mijn volgende voorstelling Lord of the Flies over gaat. Ook dat plan is al een paar jaar geleden tot stand gekomen, maar ik heb het gevoel dat het nu actueler is dan ooit.

Natuurlijk was 2016 ook het jaar van de fusie. Maar in maatschappelijk perspectief is dat maar beperkt. Toch zie ik het als een kleine tegenbeweging, vanwege onze thema’s: hoe blijf je als samenleving bij elkaar? En hoe bereiken wij ons publiek en zorgen wij dat al het publiek met alle mogelijke achtergronden zich ook herkent en gezien voelt in onze voorstellingen?’

Is het lastig laveren tussen het aansnijden van grote, heftige, actuele thema’s en tegelijkertijd een groot publiek willen bereiken? Is dat waarom je in éénjaar zowel een Schaap Veronica maakt als een Dun meisje?
‘Die voorstellingen zijn inderdaad best uitersten, dat klopt. Ik vind dat je moet maken waar je zelf in gelooft, waarvan je het gevoel hebt dat het ergens aan raakt. Dat geldt overigens ook voor de andere NT-jong regisseur Casper Vandeputte. Het begint met jezelf. Ik denk niet: “Dit is de publieksvriendelijke voorstelling en in de volgende ga ik los.” Het schaap Veronica komt gewoon voort uit mijn liefde voor de bizarre gedichten van Annie M.G. Schmidt. Toen ik die met mijn eigen kinderen las, lachte ik me echt gek. Ik koos het als onderwerp voor een voorstelling voor jonge kinderen, vanuit de vraag hoe je dat muzikaal kunt brengen, vanuit die specifieke fantasie en humor. Hoe kun je dat specifiek Nederlandse van haar gedichten vangen en er een vorm voor vinden? Publieksgeiler zou natuurlijk Pluk van de Petteflet of Jip en Janneke zijn, maar dit ontstond vanuit mijn fascinatie.’

Het zijn wel zo’n beetje de uitersten waarbinnen je laveert.
‘Oh nou, jij zegt het’, zegt Fischer verbaasd. ‘Ik heb nog geen uitersten gevonden, ik zoek ze steeds verder op.’ Ze lacht hartelijk. ‘Hier binnen het NT heeft nog niemand mij gezegd dat ik een grens heb bereikt. Eerlijk waar, ik denk niet in uitersten of een balans daarin. Het gaat mij om het publieksgevoel. Ik zie de kinderen voor wie ik een voorstelling maak letterlijk voor me. De opdracht van dit deel van Het Nationale Theater is voorstellingen maken voor kinderen en jongeren en alles daartussenin. Je mag zelf bepalen hoe je dat invult, maar het zou niet handig zijn om alles voor vierjarigen te maken. Er wordt een bepaalde breedte van ons verwacht. Dat vind ik terecht, maar tegelijkertijd is er ook weer niet zo veel geld. Want alle jeugdgezelschappen krijgen eigenlijk idioot schandalig weinig geld, zet dat maar in het artikel! Je kunt niet alle leeftijdsgroepen goed bedienen, want als je dat zou doen krijgt iedereen maar een heel klein stukje van de taart. Daarom kiezen wij voor het segment familievoorstellingen, vaak vrij groot opgezet. Daarbij is er een contingent vrij grote jongerenvoorstellingen en daar zit veel minder daartussenin, want dat is niet meer haalbaar. Dat zijn de twee belangrijkste kleuren binnen NTjong: voorstellingen voor bezoekers vanaf twaalf, soms veertien jaar, en voor jonge kinderen. En we slaan daarin ook een brug naar het volwassen repertoire, de dingen die Eric de Vroedt gaat doen. Dat is een leuke combi.’