Muzikanten op de vloer, soms zelfs in een belangrijke rol – bij voorstellingen voor de jeugd is dat geen zeldzaam verschijnsel. Maar niemand in het Nederlandse veld, en misschien wel in de hele wereld, kiest zo radicaal voor de muziek en de musici als Oorkaan.

Op een rustige plek in Amsterdam vlak bij het Westerpark huist in een oud schoolgebouw met wat andere creatieve bedrijfjes Oorkaan. De kantoren bereik je via een antieke trap, met voor volwassenen veel te lage, door talloze kindervoeten uitgesleten treetjes. Als je heel, heel goed luistert, hoor je in de lange gang de echo’s van de kinderen die in de hoge, lichte lokalen hun lessen leerden of hun spel speelden op de beschutte open plaats.

Een inspirerende omgeving als je, zoals Oorkaan, werkt voor een jonge doelgroep. Een professioneel team van negen vaste medewerkers en per productie wisselende mensen werkt vanuit dit kantoor en de gedeelde repetitieruimte ernaast dag in, dag uit aan projecten die ‘kleine en grote oren open zetten om de oneindige wereld van de muziek te ontdekken’.

Bijna twintig jaar geleden plantte Anneke Hogenstijn, programmeur van de kleine zaal en later artistiek directeur van het Concertgebouw in Amsterdam, het zaadje voor Productiehuis Jeugdconcerten. Hogenstijn zag gaten in de agenda van de kleine zaal aan de ene, en een nauwelijks beantwoorde vraag vanuit het publiek naar klassieke concerten voor de jeugd aan de andere kant. Vanaf 2000 koppelde ze af en toe makers uit het jeugdtheater aan klassieke topmusici om werk te maken voor een klein circuit door het land.

Een innovatief initiatief. Heel bescheiden nog, vertelt huidig artistiek directeur Caecilia Thunnissen. Zij nam in 2015 de artistieke leiding over van Hogenstijns sparringpartner en opvolgster Jessica de Heer van wat sinds de fusie van Productiehuis Jeugdconcerten met muziektheaterwerkplaats Oorproeven in 2009 Oorkaan heet. ‘Een week samen repeteren, een beetje ensceneren en dan hup, het concertzalencircuit in, zo ging het de eerste paar jaar.’ Naast het Concertgebouw bijvoorbeeld het Muziekgebouw in Eindhoven, Vredenburg in Utrecht en de Philharmonie in Haarlem. Een instant-succes. Hogenstijn had goed gezien dat muziekminnende ouders met kinderen in de basisschoolleeftijd hierop zaten te wachten.

Productiehuis Jeugdconcerten was in die tijd zo’n beetje de enige in Nederland, zelfs in de wereld, die klassieke muziek met een theatrale toets voor kinderen presenteerde. Ook nu is dat nog niet aan de orde van de dag. Zeker, sommige jeugdtheatergezelschappen maken wel eens werk met klassieke musici voor een jong publiek, zoals Kwatta, en een enkeling legt zich zelfs toe op opera voor de jeugd, zoals Holland Opera. Alle Hoeken van de Kamermuziek doet dingen die op het eerste oog wat weg hebben van het werk van Oorkaan. Maar zelden ligt de nadruk zo op een theatrale manier van muziek maken als bij dat huis dat ontstond in het Concertgebouw.

Bovendien doen ze dat bij Oorkaan niet sporadisch, maar in twee of drie nieuwe producties per jaar, meestal voor 4+ of 6+, soms voor 2+ en in de toekomst ook voor 8+, en natuurlijk voor iedereen die de kinderen vergezelt. Jaarlijks worden daarnaast drie of vier reprises gespeeld, vaak wereldwijd – de bejubelde en bekroonde voorstellingen Glimp, De Gebroeders Kisten Cellostorm toeren al jaren, tot aan China toe. Zo ziet het publiek bijvoorbeeld muzikanten die met licht spelen; vier broers die hun plekje in de rij bevechten terwijl ze op alles trommelen wat los en vast zit; en acht cellisten die een zoektocht van een duif naar vriendschap verbeelden terwijl ze prachtige muziekstukken spelen. Westers klassiek is de basis, soms maakt Oorkaan een uitstapje. Zoals Caravan, in januari in première gegaan, met oosterse invloeden. Caecilia Thunnissen: ‘Essentieel is vooral een bepaalde complexiteit, een gelaagdheid, die ons in staat stelt met het materiaal te kleien. Die is ook te vinden in andere muzikale invloedssferen.’

De Oorkaanmethode

‘Theatrale concerten’, noemen ze hun voorstellingen sinds een paar jaar consequent. Geen jeugdtheater, muziektheater, ook geen muziekvoorstelling meer, zoals het een tijdlang heette. Nee, theatrale concerten. Want aan musici die op een vaste plek keurig hun muziek spelen vanachter hun lessenaar, hebben ze bij Oorkaan een broertje dood.

‘In de begintijd’, vertelt Thunnissen, ‘maakte het Productiehuis alleen concerten met een poppenspeler, verteller of groep acteurs voor de musici.’ Dat doet Oorkaan trouwens anno 2019 nog steeds af en toe, maar alleen in samenwerkingen met symfonie- en kamerorkesten en in coproducties met jeugdtheatergezelschappen, zoals nu De Familie van Nielie met Kwatta. Al proberen ze ook daar de musici als het even kan mee te ensceneren in de scène. Maar in hun eigen producties maken ze sinds kort een radicalere keus, nadat die zich de laatste tien jaar duidelijk een andere kant op ontwikkelden.

Langzaam maar zeker gingen de makers en musici namelijk experimenteren met technieken om de muziek te laten spreken zonder andere vertelvormen. Sinds het aantreden van Thunnissen als artistiek directeur en zeker vanaf de kunstenplanperiode 2017-2020, waarbij zij zelf volledig de touwtjes in handen had, wordt in de eigen producties alleen nog gewerkt volgens deze ‘Oorkaanmethode’.

‘In jeugdtheater en de jeugddans zie je geregeld live muzikanten op de vloer, soms meegeregisseerd, soms als een aparte entiteit. Het verhaal dat de theatermaker wil vertellen, een thema waarover een gezelschap het wil hebben, is meestal het uitgangspunt. Bij ons is dat uitgangspunt altijd de muziek en staan in principe alleen musici op het podium.’

Ze staan naast de theaters ook nog steeds graag in de concertzaal, ondanks de technische en dramaturgische beperkingen die dat met zich meebrengt. Erin Coppens, bijna tien jaar bij Oorkaan betrokken, inmiddels als vaste dramaturg en hoofd internationalisering: ‘Daar komen we vandaan. We willen zoveel mogelijk jonge kinderen in aanraking brengen met muziek en daar hoort de entourage van een concertzaal bij, compleet met programmaboekje en inleiding. De helft van onze voorstellingen is voor scholen, wat is er mooier dan kinderen die anders misschien nooit in het Concertgebouw zouden komen, kennis laten maken met die bijzondere wereld?’

In de recente coproductie Cellokrijgers, samen met Cello Octet Amsterdam, stopten ze die gedachte zelfs in de basis van de voorstelling. Een dansconcert, een drieluik, opgebouwd zoals een klassiek concert of een avond bij het Nederlands Danstheater, met drie totaal op zichzelf staande choreografieën van verschillende makers. Maar wel een belangrijke overeenkomst: de acht cellisten spelen niet alleen allen muziek, ze dansen en spelen ook alle rollen die nodig zijn om het verhaal van de muziek te vertellen.

Het verhaal van de muziek, dat is in de ogen van Oorkaan iets wezenlijk anders dan het verhaal wat de componist ermee heeft bedoeld. Goede muziek, muziek met een interessante complexiteit, zo vinden Thunnissen en Coppens, heeft geen verhaaltje nodig om te worden verteld aan jonge kinderen. Laat staan een verhaaltje van a tot z.

Thunnissen snapt niet dat klassieke muziek vaak als te moeilijk wordt beschouwd voor haar doelgroep, een vooroordeel waar ze in de vrije verkoop en in de verkoop aan scholen tegenaan lopen. ‘Ouders en leerkrachten bepalen dat kinderen er niks aan vinden. Klinkklare onzin. Kinderen vinden complex juist spannend, er valt namelijk veel meer in te ontdekken dan in het saaie simpel. Ze hebben vaak wel iets nodig om in de muziek te kunnen kruipen. Het is aan ons om die ramen en deuren te vinden en ze zo ingangen te geven om echt te kunnen luisteren naar de muziek.’

En tegelijk pakken ze ook het vooroordeel aan, bijvoorbeeld door met educatie BSO-begeleiders en leerkrachten te enthousiasmeren. ‘Als juf of meester iets ervaren heeft, kan zij of hij dat beter overbrengen en kinderen volgen dat voorbeeld.’ Of met de speciale cd-editie Aangenaam klassiek kids, met vijf hoorspelen op muziek van onder andere Bach, Bartók, Debussy en Telemann.

Het verhaal van de muziek, zo vindt de artistieke kern van Oorkaan, is het verhaal dat de noten vertellen. Het komt voort uit de structuur van de muziek. Of uit een handeling die een passage oproept als je die gaat spelen.

Vertellen doen ze bij Oorkaan niet of nauwelijks met tekst. ‘Tekst’, zegt Coppens, ‘kan voor de muziek gaan staan en dat willen we niet.’ Thunnissen: ‘Soms moet je iets een stem geven, maar dan wel bij voorkeur als een van de noten van de taal die in ons werk wordt gesproken: muziek.’

Muziek heeft de kracht, meer dan welke kunst ook, om je emoties direct aan te spreken. ‘De verbeelding van de kijker, zeker van de jonge, doet de rest. Die maakt er Kopfkino van, zoals dat in Duitsland zo mooi heet: een film in je hoofd.’

De partituur is niet heilig

Het regisseren van klassieke muziek en musici heeft al vanaf haar studietijd (Regie en Acteren aan Theaterkade, Theaterwetenschap in Utrecht) de interesse van de artistiek directeur. Ze schreef er in die tijd een statement over dat in het kort inhoudt: muziek en psychologie, die combinatie wringt; muziek en beweging passen bij elkaar. ‘We kiezen bewust voor een fysieke speelstijl, werken veel met mimetechnieken.’

Omdat de bespelers van instrumenten niet automatisch ook spelers van theater zijn, heeft Oorkaan al jaren een eigen trainingsprogramma voor musici die ervaring willen opdoen met theatraal performen. En een eigen werkplaats waar musici en makers onder leiding van het artistieke team van Oorkaan een paar dagen tot twee weken kunnen experimenteren met materiaal. Zo’n traject kan, maar hoeft helemaal niet tot een voorstelling te leiden. Het is vrij spelen, met een bescheiden eindpresentatie voor een klein en jong publiekje.

In de werkplaats, de trainingen en ook de repetities van de voorstellingen wordt materiaal ontwikkeld. ‘Niet door drie uur met elkaar te filosoferen bij een kopje thee, maar door de vloer op te gaan en te kijken wat er ontstaat uit een meestal simpel gegeven’, stelt Thunnissen. Meestal in samenwerking met de spelcoaches van Oorkaan (Gerindo Kartadinata, Esther Snelder en Ganna Veenhuysen) of met de regisseur, die in veel gevallen kaas heeft gegeten van improvisatie.

In principe worden alle voorstellingen gemaakt met een regisseur, ervaren in bijvoorbeeld muziektheater, dans of mime. Die zoekt Oorkaan samen met het collectief dat ze hebben geselecteerd om een voorstelling te maken, soms uit de eigen stal, soms elders. Geen punt als die regisseur geen muziekexpert is. Thunnissen: ‘Noten kunnen lezen is zelfs geen noodzaak. Een partituur aanvoelen en je al op papier een beeld van de muziek kunnen vormen, is wel essentieel. Anders zie je de puzzelstukjes niet waarmee je moet werken.’

Musici die werken volgens de Oorkaanmethode kennen hun muziek volledig uit het hoofd, ze spelen zonder bladmuziek. Een voorwaarde waar niet over de onderhandelen valt. Coppens: ‘Vanachter een lessenaar kun je prima ingeleefd muziek spelen, maar theatraal performen is onmogelijk.’ Ook een beetje wennen voor sommige musici: de partituur is niet heilig. Er mogen stukken uit, er mogen passages herhaald, je mag instrumenten weglaten. De muziek levert puzzelstukjes, regisseur en musici puzzelen die op hun eigen manier in elkaar.

Sanne Bijker, artistiek leider van Cello Octet Amsterdam, inmiddels vaste samenwerkingspartner van Oorkaan, wilde in 2011 een jeugdvoorstelling maken. ‘We wilden niet van a tot z een stuk uitspelen, dat zou te saai zijn. We wilden dingen theatraal uitbeelden, maar hadden geen idee hoe. Via via kwamen we in contact met Dagmar Slagmolen van Via Berlin, zelf cellist én theatermaker, en samen kwamen we bij Oorkaan terecht. Jessica de Heer adviseerde ons eigen plan naast ons neer te leggen en zonder enig plan twee weken los te gaan in de werkplaats. Daar ben ik haar nog steeds dankbaar voor. Acht cello’s en een paar uit ons hoofd geleerde muziekstukken, vrij willekeurig: iets spannends, iets vrolijks, verschillend vooral, dat was alles wat we hadden. Zoiets hadden we nog nooit gedaan, we kenden elkaar alleen van cellospelen met elkaar. Nu moesten we ons ineens kwetsbaar opstellen. Iets spelen zonder op een stoel te zitten en zien waar we dan met onszelf en onze cello bleven. Iets uitbeelden alsof we een dier waren. Zoeken, meten, zweten, twee weken zonder pottenkijkers aan de slag. Het is ontzettend goed voor je creativiteit om jezelf en je muziek als materiaal te gebruiken.’

Een persoonlijkheid uitvergroten

Ook Jochem Stavenuiter van mimegroep Bambie, die geregeld met Oorkaan samenwerkt en dit jaar een nieuwe voorstelling met slagwerkgroep Percossa op de rol heeft staan, heeft die ervaring. Het is, zo benadrukt hij, wel zaak om spelscènes te bedenken die eenvoudig genoeg zijn voor een musicus om te spelen. Enerzijds omdat die nu eenmaal geen acteur is en anderzijds omdat hij zowel de scène als zijn instrument op niveau moet spelen. ‘Wat goed werkt, is een persoonlijkheid uitvergroten, zoals iemands lacherigheid of stijfheid. Of een talent wat je ontdekt in de repetities, zoals dat cellist Pepijn Meeuws een fervent goochelamateur is. Problemen zijn vaak de sleutel tot de leukste scènes. Bijvoorbeeld met het Ebonit saxofoonkwartet in Het Pleintje van Meneer Sax. Saxofonisten zijn geneigd stuurs kijkend te spelen, merkte ik, hun wijd open ogen recht vooruit gericht op dat wat ze het beste kunnen: saxofoon spelen. Ik vroeg door. Twee van de vier hadden een fanfare-achtergrond, lopen met de sax gaat dus prima. Zo kwam ik op een fanfarechoreografie. Werkt prachtig.’

Thunnissen en Coppens: ‘Ons publiek is soms heel verbaasd dat musici alle rollen zelf spelen. In eerste instantie hebben ze het vaak niet door, maar ze komen er wel achter als ze een rietje in hun mond stoppen en saxofoon spelen als de beste.’

Stavenuiter vindt het een feest om op zoek te gaan naar manieren om een muziekstuk te ontsluiten ‘Bij mijn samenwerking met Trio Suleika in 2011, ver voor de Oorkaanmethode zo heette, wilde ik dolgraag alleen met de muzikanten werken. Ga maar spelen, zei ik. De pianist begon. De violiste en de cellist lachten naar elkaar toen ze samen invielen. Dat vond ik lief, en zo werd verliefdheid het kerngegeven van De Suleika’s en het Mysterie van de Gevoelige Snaar. Iets wat begint als een gewoon concert van twee heren in rokkostuum en een dame in een mooie jurk loopt helemaal uit de hand. De pianist wordt jaloers op de twee anderen. Uiteindelijk blijkt dat niet de musici maar de instrumenten, of eigenlijk de noten, verliefd op elkaar zijn en dat de musici dat overbrengen door met emotie te spelen. Hoe kan het ook anders, met zo’n superromantisch stuk van Mendelssohn. Waar kinderen een paar minuten geconcentreerd naar kunnen luisteren omdat wij ze een deurtje geven om door de abstractie heen te kruipen.’

Iets soortgelijks gebeurde met het Ebonit. Stavenuiter: ‘Een meisje loopt naar voren om de liefdesbrief die ze net vond te lezen en tegelijk speelt ze een stuk op haar “subtiele” sopraansax. De andere fanfareleden toeteren daar dwars doorheen met hun tenor en bariton, een soort ruzie. Langzaam sterft die uit en spelen ze met haar mee, terwijl de spanning van de ruzie blijft hangen. Resultaat: kinderen van zes jaar luisteren tweeënhalve minuut onafgebroken naar Bach. Ze willen de herrieschoppers liefst zelfs het zwijgen opleggen om het te kunnen horen. Dat je er samen voor kunt zorgen dat kinderen écht luisteren, hoe mooi is dat?’

foto Sjoerd Derine