Ongevraagde monologen heeft hij ze genoemd. Totdat je ze voor een zieke schrijft natuurlijk. Dan is die brutaliteit, die zogenaamde subversiviteit heel snel verdwenen. Tegen de subversiviteit van een ziekte valt alle artistieke subversiviteit in het niet. Hoe dan ook, hij kwam het vragen. Of hij een ongevraagde monoloog etc, etc… En hij vertelde waarover het dan moest gaan. Iets wat hij had gezien. Bij mij. Toen hij aan mijn ziekbed zat. Een paar weken ervoor. Maar eigenlijk was het eerder iets wat hij had willen zien, volgens mij.

Namelijk dat ik het zou relativeren. Nu ik het zou moeten overdenken allemaal. Nu ik wel gedwongen zou worden terug te kijken. Nu er immers plotseling iets anders, iets groters, iets ingrijpends is gekomen. En dat het er dan niet tegen opgewassen blijkt. Het theater. Dat ik dan de betrekkelijkheid van zelfs de kunst zou moeten erkennen. Nu ik de tijd moet nemen. Nu de vergelijking moet worden aangegaan. Met al het andere. De rest. Met hetgeen er werkelijk toe doet. Ziekte, geboorte, ongeluk, zorgen, liefde, nakende dood. Nu het getemperd moet worden, dacht hij. En herzien. Wat het waard is. Wat het waard was. Of het eigenlijk wel wat waard was. Dat maken. Dat spelen.

Dan zouden we er bekaaid vanaf komen. Waarschijnlijk. Dat wist hij bijna zeker. Als het allemaal ontmaskerd zou worden. Als gewoon. Als een bezigheid. Als werk. Een vak. Een status hooguit. Een inkomen. Een laag middeninkomen in het allerbeste geval. Dat het echt niet veel meer is dan een naam hoor. Een betiteling. Een kwaliteit. Een talent. Een toevallig aangetroffen talent. Een mensending in ieder geval. Een van die hele vele mensendingen die iedereen doet, om zichzelf het idee van nuttigheid te verschaffen. En waar ook niet zo gewichtig over wordt gedaan. En dat het dan in ieder geval ergens een besluit heeft. Een laatste keer. Een terugblik. Een bevraging. En een hiërarchie. Een lijst. Een bewijs. En dat er dan misschien toch de erkenning is. Of niet. Door de afstand. Maar dat het in ieder geval niet samenvalt met het leven zelf. Met de vervulling zelf. Dat het een ook is. Niet veel meer dan weer een ook.

Zo had hij zich dat voorgesteld. Er zelfs stilletjes op gehoopt waarschijnlijk. Terwijl hij naar mij keek. Niet om ziek te worden, natuurlijk. Maar om iets tegen te komen dat hem zelf eens nietsontziend bevragen zou. Iedereen aan mijn ziekbed projecteert. Iedereen vraagt zich af wat ik denk. Maar ik weet het niet. Dat denken. Je moet maar durven, je in dat van mij te verplaatsen. Ik zei: ‘Ik lees Theatermaker. Alle artikelen. Helemaal. Waarschijnlijk als enige.’ En ik zei: ‘Ik weet waar iedereen mee bezig is. Ik weet wanneer iedereen opgaat.’

De ziekte is er. Zonder diagnose, massief, mateloos en hard. Maar de relativering, nee, die is er niet. Het verlangen, de noodzaak is nooit verdwenen. Die is er nou eenmaal. Groot ja, en evenmin gediagnosticeerd. ‘Als het kon zou ik morgen weer opgaan.’