Ik zie hem nog weglopen, Joost, diep in de Ardennen, onder een roetsjbaan. Terwijl de andere acteurs over zijn hoofd vlogen, liep hij het hele stuk in zijn eentje terug. Het was hem te link. Samen waren ze die kant opgelopen, een paar honderd meter. Dat wel. Hij had de poging gewaagd. Hij keek ernaar, en besloot dit aan hem voorbij te laten gaan. Het was de repetitieperiode van Coriolanus, een heftig stuk. Als een soort van voorbereiding deden we dingen die dat ook waren, en daarnaast goed geacht werden voor het groepsgevoel. Maar Joost ging niet aan de roetsjbaan hangen. Eén van zijn motto’s was: liever laf dan dood.

De eerste voorstelling die we samen gemaakt hebben was De Goede Mens van Sezuan (1995). En voor ons beiden was dat een aparte ervaring. Ik denk er met veel plezier aan terug, al hadden we wel wat tijd nodig om aan elkaar te wennen. Het theater was een grote liefde van hem, maar het was alweer een tijdje geleden dat hij op toneel gestaan had.

Mijn repetitietijden waren grofweg van 11-15 uur en daarin lunchten we ook nog. Hij vond dat geen tijden, te kort, zo kwam je nergens. ‘Ik wil werken!’ Na twee weken was hij van gedachten veranderd. Hij bekende dat hij nog nooit zo moe was geweest, lag voor dood ’s avonds op de bank, kon niet meer en moest er niet aan denken langer dan die 4 uur te repeteren. Maar mopperen, nee. Joost bromde, gromde, kreunde en zette dapper door. Zeker in het begin van de repetities met zijn, laten we zeggen ‘volle spel’, stond hij vaak in een ander stuk dan de rest van de acteurs. Zijn manier van spelen leek geworteld in de revue en hij vergat dat hij al iets was als hij op het toneel stond. Dat hij, op zijn zachtst gezegd, nogal wat meebracht: dat hoofd, die stem, dat grote lijf, en dat er weinig bij hoefde. Er moest iets af, terwijl alles in hem riep, niet in de laatste plaats door zijn onzekerheid, dat er iets bij moest, dat er vooral heel veel bij moest. Hij speelde ooit een graaf bij Gerardjan Rijnders en deed dat met alles wat hij had, met gebaartjes en een bepaald loopje, waarop Gerardjan vroeg waar hij mee bezig was. Joost zei: ‘Ik speel een graaf’. Gerardjan antwoordde: ‘Maar de graaf die ik nodig heb, die loopt niet zoals jij het speelt, maar zoals jij zelf loopt’. En dat was waar wij in de repetities toch ook voornamelijk mee bezig waren: Joost, je bent er al, we hebben niet méér nodig. En dat steeds. Het was de uitdaging om zijn oerkracht te gebruiken. Zo’n verhaal over Gerardjan Rijnders kregen we overigens in geuren en kleuren van hemzelf te horen, naast honderden andere anekdotes die ongeveer teruggingen tot de begintijd van het toneel, we werden er door overspoeld, waarbij we soms dachten: maken wij tegenwoordig dan niets meer mee?

Ik heb Joost in al onze repetities, en tijdens de voorstellingen nooit kunnen betrappen op enige arrogantie of eigendunk. Hij was gul, een bewonderaar van alle kunst, hielp andere acteurs zonder ze te irriteren, hield afstand waar nodig, was eerlijk, hij heeft me ooit gesmeekt een stukje tekst (het was mijn tekst) niet te hoeven spelen, ‘alsjeblieft Koos, het is te slecht, het is niet te doen’, en toen ik hem kon uitleggen dat het misschien wel de bedoeling was dat het slecht was (wat ik nu niet zeker meer weet), deed hij het 100 procent, en zonder restricties.

Ik heb met acteurs gewerkt die de indruk gaven dat ze alles al wisten. Dat was Joost niet. Hij stond open, hij zocht, schaamde zich niet voor zijn twijfel of zijn emoties, ik heb hem menig keer zien huilen in repetities omdat hij een scène van een ander prachtig vond, maar ook als hij in zijn zoektocht niet kwam bij wat hij beoogde. En dan kon hij ook nukkig zijn en gaf dan graag af op, zoals hij het noemde, mijn ‘ziekenhuis-regie’, een typering waar we beiden vrolijk van werden. Ik zal zijn lach missen.

Foto Reyn van Koolwijk

Dossiers

Theaterkrant Magazine januari 2026

Plaats reactie

Reacties moeten voldoen aan onze huisregels.

Uw e-mail adres zal niet gepubliceerd worden. Alle velden zijn verplicht.