In april 2022 fietst een kleine Britse vrouw van in de zestig op een gehuurde fiets door een hagelstorm door het Zuid-Hollandse landschap. Het is hoogleraar Millie Taylor, die sinds een jaar de Joop van den Ende Special Chair in Musical aan de Universiteit van Amsterdam bekleedt. Ze is op weg naar de TheaterHangaar in Katwijk voor Soldaat van Oranje. ‘Ik wilde weten wat de context van de voorstelling was’, zegt Taylor, die jarenlang academisch onderzoek naar musicaltheater deed. Nu gaat ze bijna met pensioen en blikt ze terug op bijna vijf jaar hoogleraarschap.
Tijdens die barre fietstocht naar Katwijk observeerde Taylor de kleine industriegebieden in de omgeving van de vliegbasis Valkenburg, de dichtgemetselde gebouwen met bordjes die aangaven dat ze opnieuw ontwikkeld zouden worden. Die herontwikkeling is een van de dingen die succesvol theater kan bewerkstelligen, duidt Taylor. ‘Tegelijkertijd is de plek doordrongen van de geschiedenis. Mensen vlogen in het verleden naar Katwijk om naar het koningshuis en beroemde mensen te gaan kijken in Den Haag. Bij de watersnoodramp in 1953 had de vliegbasis een belangrijke rol in de reddingswerkzaamheden. En dan is er natuurlijk het oorlogsverleden met de bezetting door de Duitsers.’
Taylor schreef haar bevindingen over Soldaat van Oranje op in een essay voor de bundel Music, Theatre and Politics dat zal verschijnen bij Oxford University Press. Het is een van haar wapenfeiten als Bijzonder Hoogleraar. Haar kennis over musicals deed Taylor deels op in de praktijk. Ze werkte jarenlang als muzikaal leider, waarna ze de overstap naar de academische wereld maakte. Aan de University of Winchester was ze Professor of Musical Theatre voor ze in Nederland de Joop van den Ende-leerstoel in Musical aan de Universiteit van Amsterdam ging bekleden. Het eerste jaar speelde zich door covid volledig online af, maar in de daaropvolgende jaren kwam Taylor met vaste regelmaat naar Nederland om haar vak te onderwijzen (Studying Musical Theatre, naar haar gelijknamige boek) en studenten te begeleiden bij hun onderzoek. Ze leerde de basis van het Nederlands met Duolingo en zag veel Nederlandse musicals, soms geholpen door het script, haar door de makers toegestuurd. Ook in het buitenland verspreidt ze sindsdien de missie van de leerstoel: het promoten van de Nederlandse musical.
Vandaar dus ook dat essay over Soldaat, waaruit Taylor haar eerste bevindingen nu deelt. Ze vertelt hoe de musical inhaakt op een geconstrueerd beeld van het nationale oorlogsverleden. ‘Na de Tweede Wereldoorlog wilde de Nederlandse overheid het land verenigen met een perspectief op de oorlogsperiode waar zoveel mogelijk mensen zich achter zouden kunnen scharen. Dat resulteerde in een niet per se irreële, maar wel een eenduidige blik op die tijd. Op zich een mooi doel, maar daardoor werden oorlogsherinneringen wel geïdealiseerd.’
Dat is ook wat Soldaat van Oranje doet. ‘Niet op alle vlakken – je ziet ook onrecht en martelscènes – maar de hele oorlog lijkt wat geïdealiseerd. Soldaat van Oranje gaat over de held Erik en Anton de SS-officier, die duidelijk als slechterik wordt neergezet omdat je zijn perspectief niet echt te zien krijgt. Je komt te weten dat hij bij de SS gaat vanwege zijn familiegeschiedenis en omdat hij in het grotere doel gelooft. Maar in musicals wordt perspectief overgebracht door te zingen: op dat moment worden karakter en emotie onthuld. Dat gebeurt bij Anton weinig; hij heeft de mogelijkheid niet om de complexiteit van zijn gevoelens in een solo weer te geven. Die disbalans sluit aan op het nostalgische perspectief op de oorlog dat alleen het gezichtspunt van de overwinnaars lijkt te omvatten, zodat we allemaal de overwinning kunnen vieren in plaats van dat we aan het trauma van de oorlog worden herinnerd.’
Bruggen bouwen
Taylor zag het als haar taak als Special Chair om het academische onderzoeksveld en het werkveld bij elkaar te brengen. Een van haar persoonlijke hoogtepunten was haar lezing op het Nederlands Theater Festival, waarin ze pleitte voor het bouwen van bruggen tussen gesubsidieerd en commercieel theater. ‘Er zijn issues met de manier waarop musicaltheater in Nederland wordt beschouwd’, observeerde Taylor, ‘en daardoor met de wijze waarop het wordt gefinancierd. Dat eerste blijkt ook uit wat ik lees in het werk van mijn studenten. Zij halen regelmatig artikelen aan waarin op een denigrerende manier over musicals wordt geschreven en gesteld wordt dat het genre slechts commercieel is. Er is een hardnekkig beeld van een specifiek soort commerciële musical die de zalen vult als zijnde ‘de musical’. Dat beeld overheerst, in plaats van dat van de vernieuwing die creatives graag zouden zien.’
Dat wil niet zeggen dat er geen vernieuwing plaatsvindt, zegt Taylor. ‘De Mol en de Paradijsvogel van Daniel Cohen en Jan Groenteman was een echt onderzoek daarnaar. Net als het werk dat MusicalMakers deed. Dat soort initiatieven behoeft vervolg. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met Cirkels van Kiki Jaski en Jan Groenteman waar steeds geen producent voor kon worden gevonden? Zowel M-Lab als MusicalMakers gaven musicalmakers een kans om ergens (aan) te beginnen’. Het schrappen van de subsidies voor musical afgelopen jaar is rampzalig, vindt Taylor, en ook de bestaande structuren helpen niet. Ze doelt onder andere op het feit dat veel musicals door het land toeren. Die opzet ‘makes no sense whatsoever. Hoe groot je productie ook is en hoe succesvol ook de producent, het is heel, heel duur. De kosten van het toeren en halve weken spelen, betekent dat je niet genoeg verdient om te investeren in het maken van nieuw werk. De ruimte voor innovatie is daardoor beperkt; nieuwe musicals kunnen alleen gaan over populaire onderwerpen omdat ze publiek moeten trekken om de tournee uit te verkopen.’
Daarnaast vindt Taylor het opmerkelijk dat het in Nederland de producenten zijn die ideeën voor musicals bedenken en vervolgens schrijvers in de arm nemen. ‘Het is een heel andere opzet om een creatief idee als uitgangspunt te hebben dan te beginnen meteen producent die zich afvraagt wat een succesvolle musical kan zijn. Als je twintig verschillende schrijvers een idee laat voorstellen, zal je een veel diverser aanbod krijgen dan wanneer één producent tegen schrijvers zegt: ik wil dat jij dit schrijft en jij dat’, denkt Taylor. ‘In het Verenigd Koninkrijk zijn de schrijvers degenen met het creatieve idee. Zij ontwikkelen hun plan en als producenten en regisseurs daar wat in zien, stappen zij aan boord.’
Hoewel musicalmakers in het Verenigd Koninkrijk niet per se betaald krijgen om te schrijven, zijn er daar wel veel kansen voor hen. ‘Bijvoorbeeld om eigen materiaal uit te proberen op theateropleidingen. Maar ook om mee te doen aan wedstrijden waarbij je een geldprijs kan winnen of kan werken met een gevestigde schrijver. In Nederland ontbreekt een equivalent van het BEAM festival, waar nieuw musicalrepertoire wordt geïntroduceerd. Of een Stiles en Drewe Prize die de makers de kans geeft om te werken met het makersduo achter musicals als Mary Poppins. Of de Cameron Mackintosh Theatre Writing Placement, die een componist een residentie van zes maanden geeft bij een theater. Stel je voor: een Nederlandse residentie waarin je als componist betaald wordt om mee te werken aan de nieuwe musical van Jeroen Sleyfer, terwijl je ondertussen onder zijn mentorschap werkt aan je eigen materiaal.’
Het gaat om investeren en kansen en innovatie, meent Taylor, ‘om de gedachte dat musicals méér kunnen zeggen. Het genre bereikt zó veel mensen, daarom is het van belang dat het ook iets zegt over de mensen nú. Dus niet een nieuwe versie van Aida, hoe goed die ook is. Geef me een nieuwe Melk of De Mol en de Paradijsvogel. Het is fantastisch om variatie te hebben tussen deze titels en de duidelijk commerciële publiekstrekkers, maar het lijkt erop dat de sector vooral op één kant van dat spectrum gericht is geweest. Misschien gaat dat weer veranderen. De aanwezigheid van OpusOne, Oatmilk Studio en Stichting NANOEK helpen het idee van wat musical kan zijn, te verbreden. Dat Melk de Musical Award voor Beste Kleine Musical heeft gewonnen toont dat de sector zelf op zoek is naar vernieuwing. Hoe meer publiciteit dit soort producties krijgt, hoe diverser musical in Nederland zal worden – hopelijk gepaard met een publiek dat dit grotere spectrum aan mogelijkheden binnen musical waardeert.’
Nalatenschap
Het verlangen naar vernieuwing kwam Taylor keer op keer tegen, zowel in het werkveld als onder haar studenten. Zo hoorde ze over M-Lab, dat van 2007 tot 2015 functioneerde als experimentele ontwikkelplek voor nieuw musicalrepertoire. Het inspireerde Taylors grootste onderzoeksproject als bijzonder hoogleraar. Achttien maanden lang spoorde ze met haar student-stagiairs en met hulp van de VandenEnde Foundation, die het M-Lab financierde, voormalig medewerkers van de instelling op en analyseerde ze materiaal dat daar werd gecreëerd. Zo onderzochten ze de impact die M-Lab heeft gehad en de manier waarop het MusicalMakers heeft gevoed. Oorspronkelijk Nederlands musicalrepertoire uit M-Lab is dankzij Taylor gearchiveerd, waarop ze ‘quite proud’ is. ‘Eén van de interessantste dingen die uit dit onderzoek kwam, is een database die mijn student Brittany heeft samengesteld. De namen daarin zijn van mensen die nu overal in het Nederlands musicaltheater werken. Ik heb de indruk dat M-Lab destijds een heel interessante plek is geweest voor het genereren van nieuwe musicals. En het blijkt ook een vruchtbare bodem geweest voor makers om ervaring met musical op te doen en daarna door te stromen naar grotere shows.’
Ook haar eigen werk als hoogleraar kent een rimpeleffect. Taylor ziet het om zich heen als ze in Nederland naar het theater gaat. ‘Elk jaar hebben twaalf tot twintig studenten mijn vak aan de UvA gevolgd, afgelopen november zelfs dertig. Zij schrijven bachelor- en masterscripties over musicals, een paar gaan mogelijk promoveren. Er is nu een hele lichting studenten die thuis is in de academische studie van musicals. Die kennis nemen ze mee in het werkveld. Als ik naar het theater ga kom ik overal studenten van me tegen.’
Taylor kijkt positief terug op haar hoogleraarschap. ‘Ik heb me heel welkom gevoeld in de Nederlandse theatersector en het erg naar mijn zin gehad. Mijn tijd hier heeft me een ander perspectief op musicaltheater gegeven. Niet alleen specifiek op Nederlandse musicals, het heeft me ook geholpen om met nieuwe waardering naar mijn eigen sector te kijken. Ik ben me bewust van de moeilijkheiden, kosten en tijdsinspanning die vernieuwing vraagt en heb veel meer waardering gekregen voor de moeite en kennis van degenen die ter discussie stellen wat musical kan zijn.’
Taylor heeft zitten nadenken over hoe ze het stokje door kan geven als ze met pensioen gaat. ‘Ik ben mijn studenten nog meer gaan voorbereiden op het schrijven en onderzoeken op hoger niveau, en moedig ze aan om na te denken over lesgeven. Om te zorgen dat de studie van musicals blijft bestaan in Nederland. Get a sense that something will continue.’
Foto Merel van Dooren







