De eerste ‘mjoezikuls’ van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink werden gespeeld en gezongen door kleinkunstenaars en acteurs. Pas later kreeg Nederland echte musicalsterren. Tegenwoordig spelen weer steeds vaker acteurs in ‘musicaldrama’s’. Is er een nieuwe waterscheiding tussen de toneel- en musicalwereld? Theu Boermans: ‘Ik heb nooit een echte musical geregisseerd.’

Door Anne-Rose Mater-Bantzinger, foto Roy Beusker

‘Zal ik u eens wat zeggen? Ik hou niet van een mjoezikul. O, u ook niet? Goed, dan weten we waar we ’t over hebben. In Amerika hebben die dingen een enorm succes, maar bij ons zal het nooit lukken. Het ligt ons namelijk niet.’ Zo opende Annie M.G. Schmidt in 1965 het programmaboek van Heerlijk duurt het langst, de eerste in Nederland geschreven en gecomponeerde ‘musical comedy’.

De voorspelling van Schmidt kwam niet uit, want musicals werden in Nederland ongekend populair. Joop van den Ende zei een paar jaar geleden dat ‘iedereen in Nederland wel eens een musical heeft gezien’. De opmars begon in 1987, toen Carré Cats produceerde en Van den Ende stinkend jaloers reageerde: ‘Het enige wat er mankeert aan Cats is dat ík het niet heb geproduceerd.’ Vier jaar later nam hij revanche met Les Misérables. Daarmee was het hek van de dam. Afgezien van kopieën van The Phantom of the Opera, Miss Saigon en The Lion King waren er serieuze pogingen om buitenlandse spektakels na te bootsen met origineel Nederlands werk, zoals Cyrano de musical, 3 Musketiers, Joe door Joop van den Ende en Rembrandt de musical door Henk van der Meijden.J

Licht dedain

De laatste tien jaar komen er, in tegenstelling tot de ‘musicalcomedy’s’ met showgirls en glitter, steeds meer ‘musicaldrama’s’. Voorbeelden zijn Soldaat van Oranje – De Musical en afgelopen seizoen Het Meisje met het Rode Haar en De Tweeling, allemaal gebaseerd op boeken over de Tweede Wereldoorlog. Er waren meer boekbewerkingen, zoals Turks Fruit en De kleine blonde dood. En talrijke hommages aan overleden artiesten, onder wie Toon Hermans, André Hazes, Wim Sonneveld, Mary Servaes (de Zangeres Zonder Naam), Ramses Shaffy, Robert Long en Herman Brood. DommelGraafenCornelissen brengt komend seizoen een musical waarbij in de titel voornamen volstaan: Adèle Conny Jasperina – De Grote Drie. Producent Hans Cornelissen werkt aan een musical over levende legende Liesbeth List.

Kleinkunstenaressen en zangeressen als Stuart en De Jong waren zelf vaak te zien in musicals. Verder werden in musicals vroeger vooral toneelspelers gecast, ook al omdat er in Nederland nog geen musicalopleidingen bestonden. Zo speelden Annet Nieuwenhuyzen en Eric Schneider in 1968 de hoofdrollen in Ja, ik wil!, de musicalversie van Jan de Hartogs roman Het hemelbed. Mary Dresselhuys stond in 1971 eenmalig zij aan zij met Conny Stuart in En nu naar bed. Willem Nijholt werd de ongekroonde koning van het genre. En Anne Wil Blankers speelde tien jaar geleden een hoofdrol in Cabaret. Blankers deed dit omdat ze wist dat het geen ‘behaagziek amusement’ zou worden. Ze zei in een interview met het Algemeen Dagblad dat ze niet ‘blijmoedig onder glimmende kroonluchters en te midden van uitwaaierende decors over het podium hoefde te huppelen’.

Dit lichte dedain vanuit toneelkringen voor de musical is nooit helemaal verdwenen. Ook niet toen Simone Kleinsma, Pia Douwes, Stanley Burleson, Chantal Janzen, Vera Mann en andere musicalsterren ten tonele kwamen als aanvoerders van een heel legertje zangers en dansers in ondersteunende rollen, afkomstig van muziektheateropleidingen die als paddenstoelen uit de grond schoten. Vroeger had je de Kleinkunstacademie, de School voor Dramatische Expressie en Codarts Rotterdam. Nu komen jonge, ambitieuze musicalacteurs ook bij bosjes van onder meer de Frank Sanders Akademie voor Musicaltheater, Fontys en de Nederlandse Musical Academie.

Vreemd land

Toch bleven ook toneelspelers hoofdrollen in musicals vertolken. Zoals Hugo Haenen in The Sound of Music, Cees Geel in 3 Musketiers en Hij Gelooft in Mij, Thom Hoffman in My Fair Lady en Hajo Bruins in Mamma Mia en Ciske de Rat. Toen Hein van der Heijden in 2004 Toneelgroep Amsterdam verruilde voor The Lion King verwoordde hij in Theatermaker hoe het voelde om als acteur in een musical te staan: ‘Het lijkt alsof de verkettering, de artistieke verzuiling grotendeels tot het verleden behoort. Toch was het alsof ik de grens van een heel vreemd land overstak.’

Vooral bij recente musicalddrama’s hebben toneelspelers dragende rollen. Voor Soldaat van Oranje – De Musical koos regisseur Theu Boermans in 2010 geen enkele musicalster. Maar wel Matteo van der Grijn als Erik Hazelhoff Roelfzema en Catherine ten Bruggencate als Wilhelmina. De rol van de koningin werd later overgenomen door louter actrices, van Anne Wil Blankers – daar is ze weer – tot Petra Laseur en van Jacqueline Blom tot Henriëtte Tol.

Martijn Fischer had in 2012 bij wijze van spreken nooit een vrije producent van dichtbij gezien, toen hij werd gecast als André Hazes in Hij gelooft in mij. ‘Ik wist helemaal niet dat ik in een musical zat,’ zei Annet Malherbe begin dit jaar tijdens het musicalgala in haar dankwoord, toen ze de award won voor haar hoofdrol in de Orkater-productie De terugkeer van Hans en Grietje. Die opmerking viel in musicalkringen niet helemaal lekker. Bij diezelfde ceremonie zei producent Fred Boot, nadat zijn geesteskind Soldaat van Oranje voor de tweede keer door het publiek was uitgeroepen tot beste musical: ‘Ik vind het fantastisch dat eindelijk de semantische discussie wordt gevoerd wat musical is en wat muziektheater. Ik geloof dat we die cross-over met Soldaat van Oranje in 2010 zijn begonnen. De barrière tussen toneel, dans en muziek begint te vervallen. Laten we gewoon met elkaar prachtig theater maken.’

Robin de Levita stond als coproducent die avond achter Boot op het toneel. Een paar maanden later, aan de vooravond van de wereldpremière van zijn musical Sky, sprak ook hij zich uit over musicals. De Levita zei in de Volkskrant: ‘We willen met ons bedrijf ImagineNation een beetje tegen de vertrutting van het genre in werken. Het genre herhaalt zich met Broadway-musicals als The Lion King en Grease. Wij willen nieuwe dingen maken en mensen uit andere sectoren erbij betrekken, zoals we met Theu Boermans Soldaat van Oranje hebben gemaakt. Mijn probleem met musicals is dat het vaak zo traditioneel is: een hoge noot halen, een dansje, leuke kindertjes. Mag allemaal, maar het is niet mijn smaak.’

Trots en passie

Een dag na de publicatie van dit interview zette William Spaaij, die een hoofdrol speelde in onder meer Ramses, De Kleine Blonde Dood en De Tweeling, op Facebook een ‘tegengeluid’, dat door opmerkelijk veel mensen uit de musicalwereld werd onderschreven. Spaaij schreef: ‘Er is een tendens aan het ontstaan over hoe zowel producenten, regisseurs als mede-vakgenoten (sic) het genre musical elke keer opnieuw openlijk afdoen als een vies – ik mag er niet van houden – uitgespuugd genre. Dat is een grote denkfout […]. Producenten van Nederland van welke theatervorm dan ook, praat niet om het genre heen, maar wees trots op de voorstelling die je maakt en straal passie uit over hoe uitdagend en moeilijk het is om een verdomd goede musical te maken. Mede-vakgenoten, praat met liefde en toewijding over je passie en heb respect voor elke discipline of theatervorm. Wij alleen met elkaar kunnen vertellen en uitleggen hoe bijzonder ons vak is. Alleen op deze manier zullen we het publiek echt voor ons winnen.’ Desgevraagd licht hij aan Theatermaker toe: ‘Ik miste de trots in het interview met Robin de Levita. Hij gaf heel erg af op Stage Entertainment. En op traditionele musicals. Maar Sky was ook een musical met hoge noten, dans en als vernieuwing 3D-effecten.’

Robin de Levita reageert een week na het vroegtijdig einde van Sky: ‘Wel een beetje bizar om te veronderstellen dat ik geen respect heb voor het genre. Ik heb zo’n honderd musicals geproduceerd. In binnen- en buitenland. Waar maakt hij zich zo druk over? Een kwestie van smaak? Ik heb in dat interview gezegd dat ik niet zo hou van traditionele musicals. Is dat erg? Stage doet de grote klassiekers op hoog niveau. Er zijn al zo veel traditionele shows. Mijn enige bestaansrecht is dat ik iets anders probeer te maken.’

Ook een uitspraak van Ruut Weissman – zijn regisseur in De Tweeling – schoot William Spaaij in het verkeerde keelgat. Weissman zei in de televisieserie Bloed, Zweet en Spotlights, waarin achter de schermen van de musicalwereld werd gekeken, dat het acteren in Nederlandse musicals vaak onder de maat is. Spaaij zegt: ‘Het gaat in een musical om de combinatie van zingen, dansen en acteren. Dat vergt veel discipline. Acteurs die denken: ‘Ik doe “even” een musicalletje’, die vallen door de mand. Natuurlijk is goed spel belangrijk, maar toen ik van de Fontys Academie kwam kon ik ook maar een paar zinnen zeggen. Ik was een zang- en dansjongen die als acteur op een hoger niveau kwam doordat ik de kans kreeg me te ontwikkelen in Ramses en De Kleine Blonde Dood.’

Valse noot

Ruut Weissman, jarenlang directeur van de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie en nu artistiek leider van de muziektheatertak van DeLaMar Producties, reageert: ‘Ik kies voor de waarachtigheid van goede acteurs. Verhalenvertellers met een ziel. Ik heb liever mensen uit de acteer- en kleinkunstwereld dan zangers die erom strijden wie het hardst kan schreeuwen. Een acteur die helemaal niet kan zingen, komt niet in een musical. Iemand die niet kan acteren vaak wel. In Nederland beheersen wij het genre nog steeds niet zo allround als in Amerika of Engeland.’

Producent Fred Boot zegt: ‘Ik ben het eens met William dat we moeten ophouden over het verschil tussen high en low culture. Ik ben het met Ruut eens dat goed acteren de boventoon moet voeren. Alleen als er verduveld goed wordt geacteerd, gaat het publiek mee in het verhaal. Ik hoor liever een valse noot waarbij ik de inhoud geloof dan een briljant gezongen noot die me koud laat.’

Fred Boot, directeur van NEW Productions, werkt met Ton Fiere, producent en zakelijk leider van Jon van Eerds Pretpakhuis, en journalist Cornald Maas voor de Stichting Musical Awards aan de definitie van de musical. Enkele zinnen uit hun werkdefinitie: ‘Musical is een theatervorm waarin de combinatie van zang, spel, dans en techniek (onder andere decor en licht) een verhaal vertellen. Deze disciplines dienen niet alleen ter omlijsting of louter illustratief, maar helpen het verhaal voort te stuwen. De inhoud van het verhaal bepaalt de vorm. Alle voorstellingselementen moeten bijdragen aan de uitbeelding van een centraal thema. Zang is het onontbeerlijke onderdeel van een musical. Zonder deze component kan er nooit sprake zijn van een musical.’

Spaaij zegt: ‘Het is toch heel duidelijk wat een musical is: zingen, dansen en acteren in een voorstelling. That’s it! Het is totale onzin als mensen zeggen dat ze “muziektheater” maken en benadrukken dat het géén musical is. Ilse de Lange, die De Tweeling heeft geschreven, zei: “Ik hou niet van musicals, maar van De Tweeling hou ik wel.” Daar moeten we van af. Je moet verschillende musicals niet uit elkaar trekken. Ik hou wél van musicals en daar schaam ik me helemaal niet voor.’

Doorbraak

Theu Boermans, regisseur van Soldaat van Oranje, reageert: ‘Ik heb eigenlijk nooit een echte musical geregisseerd. Soldaat van Oranje is qua inhoud toneel, er wordt niet of nauwelijks in gedanst of op techniek gezongen. Ik heb de dramaturgie van toneel aangewend en niet die van musicals, waarin personages de handeling stilzetten en hun gevoelens uiten in een lied. Als Hamlet zijn gedachten wil ordenen, breekt hij uit in een monoloog. Hij zet de voorstelling niet stil, maar forceert al denkend een doorbraak. Ik laat Erik Hazelhoff Roelfzema hetzelfde doen door middel van een lied.’

Hij zegt ook: ‘Musicalmensen kunnen van toneelmensen iets leren over het zoeken naar oud en nieuw materiaal, vormgeving en dramaturgie. Toneelmensen kunnen van musicalmensen veel leren over technische beheersing, creatieve veelzijdigheid, discipline en vooral over marketing en publiciteit.’

Momenteel ontwikkelen Boermans, Fred Boot en Edwin de Vries voor NEW Productions de opvolger van Soldaat van Oranje. Ze baseren de muziektheatervoorstelling Nieuw Amsterdam op het boek The Island at the Center of the World van Russell Shorto, over de vroege geschiedenis van Manhattan als Nederlandse kolonie.

Opvallend is dat musicals die drijven op één ster – Pia Douwes in Elisabeth of Chantal Janzen in Petticoat –aan het uitsterven lijken. Wellicht brengt dat te veel risico met zich mee. Het produceren van musicals is hoe dan ook riskant. Weliswaar verlengt Stage Entertainment The Bodyguard telkens, maar Billy Elliott, ook van Stage, was in Scheveningen na een jaar alweer van het toneel verdwenen. In de laatste maanden bood de ANWB zelfs kaarten aan voor de halve prijs.

Het is onduidelijk of succesvolle musicals, zoals The Bodyguard, winstgevend zijn. Robin de Levita wil daar wel iets over kwijt. ‘Theaterbezoek gaat in Nederland keihard achteruit,’ zegt hij. ‘Niemand is bereid om het volle pond te betalen. Dat geldt voor zowel musicals als toneel. Je kunt voor een spotprijsje naar het beste toneel van de wereld. Alles van Toneelgroep Amsterdam en het Nationale Toneel is voortdurend in de aanbieding. Als je iets groots aanpakt, word je als producent genekt door de lage toegangsprijzen. Die tendens heeft Sky de das om gedaan.’

Hij zegt ook: ‘Er is, zakelijk gezien, een groot verschil tussen open-eind-producties (producties zonder vaste einddatum, waarbij de kaartverkoop bepaalt hoe lang ze draait, red.) in een vast theater en reizende producties. Die laatste worden in feite gesubsidieerd. De producent krijgt garanties van theaters waar ze staan en die theaters krijgen subsidie. Op die manier wordt de vrije sector wel degelijk gesubsidieerd. Alleen open eind-producties draaien volledig op eigen risico. Zoals de vaste shows van Stage en verder Soldaat van Oranje, Anne en Sky.’

Stage Entertainment neemt dit jaar het zekere voor het onzekere. Na Billy Elliott greep Albert Verlinde in Scheveningen terug op de kaskraker Beauty & The Beast en vanaf eind oktober op The Lion King. Later dit seizoen brengt hij de reizende producties Hair en Ciske de rat met – wie anders? – Danny de Munk. Maar voor later werkt Stage aan een nieuwe Nederlandse musical met weer één vrouw als spil: Annie M.G. Schmidt, de grootmoeder van de vaderlandse ‘mjoezikul’.