Op de acteursopleidingen leren aankomend spelers hun teksten ‘accentloos’ uit te spreken. In de theaters zien we dan vooral bijfiguren met regionale en buitenlandse accenten, terwijl gelaagde rollen vaker zijn weggelegd voor acteurs die Standaardnederlands spreken. Daarmee bevestigen we op het toneel, bewust of onbewust, stereotyperingen en historische machtsverhoudingen.
Acteur Shaheer Alzir studeert juni 2026 af van toneelschool Artez met de voorstelling Kinderen van Aleppo (in 2018 geschreven door George Tobal). Daarin speelt hij elk van de jonge Syrische personages in een verschillend Syrisch-Nederlands accent. Tegelijk schrijft hij zijn afstudeerscriptie over het tekort aan ruimte in de theatersector voor acteurs en personages met een accent. Alzir schrijft: ‘De zogenaamd neutrale hoofdpersoon is doorgaans wit en accentloos, terwijl kleur en accent vooral worden ingezet voor bijrollen, komische types of om criminaliteit of kwetsbaarheid uit te beelden’. Daarmee agendeert hij het accent als een vergeten facet van divers casten. Theaterkrant praat met hem en drie andere spelers over hoe zij het werkveld navigeren met hun accenten.
Accentloos, of ‘neutraal’
‘Vanaf morgen praten we enkel nog maar met de harde G tegen elkaar’, zeiden Marloes IJpelaar en Ayla Çekin Satijn meermaals tegen elkaar tijdens hun eerste jaren op de toneelschool in Utrecht. Ze werden beide aangenomen met een hoorbaar Limburgs accent, de ene uit Sittard, de andere uit Maasmechelen, Vlaams-Limburg. Op de toneelschool voelen ze dat ze afscheid moeten nemen van hun accenten om ‘neutraal Nederlands’ te leren praten. ‘Ik sprak zowel op school als privé zo veel mogelijk AN’, vertelt IJpelaar, maar haar klasgenoot Ella Kamerbeek ziet dat ze er verdrietig van wordt, en bovendien minder goed gaat spelen. ‘Ella zei toen: als wij een clubje oprichten, wil ik dat jij weer met je zachte G gaat spreken, want dan zijn jouw personages veel waarachtiger.’ Na hun afstuderen in 2018 vormen Kamerbeek, IJpelaar en Çekin Satijn het feministische theatercollectief Club Lam, waarmee ze hun accenten terug het podium op brengen.
Ook acteurs George Tobal en Shaheer Alzir maken er op de toneelschool tomeloos werk van om hun accent weg te werken. Beide hun families vluchtten tijdens hun tienerjaren uit Syrië. Daardoor komt Alzir met een Arabisch-Nederlands accent op de toneelschool aan. Tobal, die al tien jaar in Lelystad woonde, had een accent dat gevormd was door de straattaal in zijn omgeving. Hun schoolervaringen klinken haast identiek: beiden vroegen om privé-stemles omdat ze ervan overtuigd waren dat accentloos spreken nodig was om in het werkveld te functioneren. Tobal: ‘Een goede Nederlandse acteur kon goed neutraal Nederlands spreken. Dat gold ook voor mijn witte medestudenten. In mijn tijd was dat op school en in het veld een vanzelfsprekendheid.’ Tobal studeerde in 2012 in Amsterdam af en Alzir in 2026 in Arnhem.
Stemles
Stemles zit bij alle Nederlandse acteurs-opleidingen in het standaardpakket. Daar leren studenten hun stem goed te gebruiken, als een instrument dat ze technisch correct leren bespelen en onderhouden. Zo kunnen ze onversterkt hoorbaar sprekenin een grote zaal, en raken ze na drie voorstellingen hun stem niet kwijt. Én ze leren er om teksten ‘accentloos’ uit te spreken. ‘Het idee is dat je dan beide kunt inzetten.’, zegt Çekin Satijn, waarmee ze verwijst naar het neutrale én haar Vlaams-Limburgse Nederlands. ‘Maar naar die tweede ging weinig liefde.’ Op school werd gevraagd om álle opdrachten in het AN te doen.
‘Mijn grootste werk zat in de ‘aa’-klank’, vertelt Alzir, ‘die zit in het Arabisch verder achterin je keel.’ Çekin Satijn en IJpelaar leerden met een harde G praten, een zachtere R en met een andere W. Die laatste klinkt in het Limburgs en het Vlaams wat wolliger. IJpelaar: ‘Je lippen raken elkaar net niet aan, terwijl je de W in het AN maakt door je boventanden op je onderlip te plaatsen.’ En Tobal leerde zijn focussen te verleggen. ‘In het Arabisch ligt de klemtoon vooral op de medeklinkers. In het Nederlands focus je op de klinkers, die moeten ‘klinken’.’
In Alzirs scriptie staat: ‘De overstap naar neutraal Nederlands vraagt niet alleen een technische (of ‘kennis-’) aanpassing, maar ook een verandering in gebruik van het lichaam en de adem. Spreken wordt opnieuw leren bewegen.’ Hij voegt daaraan toe: ‘En ook de Nederlandse cultuur leren begrijpen, de manier waarop mensen met elkaar communiceren. Door echt met de taal te leven, leer je begrijpen hoe iets wordt bedoeld en gezegd.’
Kamerbeek, die naast IJpelaar zit te werken tijdens ons interview, breekt even in ons videobelgesprek in: ‘Ik merkte bij Marloes, en ook bij andere klasgenoten die hun accent afleerden dat ze veel minder emoties in hun spel konden leggen, omdat ze alleen maar technisch bezig waren met die taal.’ IJpelaar: Je bent voortdurend bang dat er niet echt naar je spel gekeken wordt. Dat je, zolang je accent hoorbaar is, niet kan transformeren, geen rol kan aannemen.’
Tobal: ‘Niet alleen tijdens stemles, maar ook op het toneel in andere lessen, of daarnaast, tijdens gesprekken over personages, bleef ik me bewust van hoe ik klonk.‘Hoe spreek ik dit uit? Is het een ‘de’ of een ‘het’ woord?’ Dat heb ik nu nog steeds, in interviews en artistieke gesprekken kies ik mijn woorden extra voorzichtig.’
Twee wegen na het afstuderen
Op school vraagt Shaheer Alzir om privé-stemles om aan zijn accent te werken. Tijdens die lessen krijgt hij ook opdrachten voor buiten school, zoals goed articuleren wanneer hij zich aan nieuwe mensen voorstelt. Alzir: ‘Die week solliciteerde ik voor een bijbaan. Daar ging ik: KAN. IK. BIJ. JU-LLIE SO-LI-CI-TE-REN? WANT. IK. KAN. HEEL. GOED. IN. DE. HO-RE-CA. WERKEN.’ Hij lacht, ‘het klonk heel dom. Je moet je trots een beetje opofferen. Je schaamte aan de kant zetten.’
Tegelijk ziet hij dat hij minder grote tekstrollen krijgt dan klasgenoten die de taal beter beheersen. ‘Ik wist niet of het bewust ging of niet. Toch viel het op dat docenten en regisseurs van kleur me wél meer tekst gaven.’ In het werkveld ziet hij ook weinig biculturele acteurs met een hoorbaar accent hoofdrollen spelen. Vaker spelen ze een stereotype bijrol: de buitenlander, de dader, het slachtoffer. ‘Acteurs zoals Jouman Fattal, Mandela Weewee, George Tobal, die spelen wel gewone rollen, maar die spreken vrijwel accentloos.’
Voor zijn scriptie praat hij met acteurs/makers Bright O. Richards en George Tobal. Tobal spreekt inmiddels, zoals Alzir zegt, accentloos. In ons gesprek telt Tobal de bekende acteurs van kleur en met een accent op een hand: Ramez Basheer, Daniël Kolf, Manoushka Zeegelaar Breeveld… Hij ziet dat het inderdaad moeilijker is om zichtbaarheid te krijgen als acteur met een uitgesproken accent. ‘Je moet zó goed spelen, dat men niet anders kan dan je identiteit loskoppelen van je kwaliteiten als speler of maker.’
Daarmee doelt Tobal erop dat acteurs van kleur en/of met een accent vaak gecast worden voor rollen die hun identiteit thematiseren. Zo ziet hij dat buitenlandse accenten veel gebruikt worden in voorstellingen die gaan over ‘anders zijn’, de identiteiten en verhalen van allochtonen. En in jeugdvoorstellingen, omdat die accenten voor jongeren herkenbaar zijn. ‘Soms zoekt men niet naar de beste acteur, maar naar een lichaam of klank die een vooraf bedacht idee van echtheidmoet bevestigen. Volgens mij hebben veel biculturele acteurs daardoor die angst: word ik beoordeeld op mijn spel, of op mijn afkomst en inzetbaarheid binnen een bepaald hokje?’ Volgens hem spreekt daaruit een tekort aan fantasie: ‘We verwarren de echtheid van de acteur met de geloofwaardigheid van het verhaal.’
Bright O. Richards vluchtte in 1993 uit Liberië en praat nog steeds met een uitgesproken accent. In zijn gesprek met Alzir zegt hij: ‘Ik heb er geen moeite mee als iemand zegt: ‘Ik heb geen publiek voor jou’, maar zeg niet dat het publiek me niet kan geloven vanwege mijn accent.’ Richards beantwoordde zijn positie in het veld door een eigen theaterstichting te creëren. ‘Mijn publiek maakt mijn accent niet uit.’ Tobal:‘Ik denk dat sommige acteurs bang zijn dat zemet een accent niet mogen meedraaien op het hoogste kwalitatieve niveau van theater. Maar acteurs zoals Daniël en Manoushka laten zien dat een hoorbare klankkleur niet tegenover kwaliteit staat.’
Regionale klankkleuren
‘Rrrood, rrrood, orrranje’, zegt Çekin Satijn lachend. Zo oefenden ze destijds op de juiste huich-r. ‘We lachen nu nog steeds om de eerste zin van mijn monoloog uit het eerste jaar: ‘Schhuld is als een zak met steene’. Het enigge wat je moet doen is ze nee’legge.’ Çekin Satijn spreekt de zin uit in een net Nederlands accent en benadrukt de g- en e-klanken en het weglaten van de zachte R’en en eind-N’en. ‘Nee’legge’, nee’legge’, dat moest ik steeds herhalen.’
IJpelaar en Çekin Satijn zijn beiden dankbaar dat ze het neutrale Nederlands leerden. ‘Je kunt het wel gebruiken om verschillende klankkleuren in te zetten. Of als je randstedelingen belachelijk wil maken’, lacht Çekin Satijn. Ook bereidt ze nu al haar audities voor in zowel Nederlands als Vlaams. ‘Zeg het maar!’
Tegelijk zien ze dat er ook een spelkwaliteit verloren gaat door in het Standaardnederlands te spelen. IJpelaar voelt meer verbinding met personages wanneer ze die in haar eigen taal mag spelen. Voor Çekin Satijn levert het meer fantasie op: ‘Ik krijg meer associaties bij de tekst. Alsof er tussen de zinnen meer ruimte ontstaat voor subtext die ik kan spelen.’ Ook missen ze emotie enklankkleuren die hun accenten rijk zijn. IJpelaar:‘In het neutrale Nederlands zit minder zang en het blijft meer achterin de mond. Terwijl de klanken van het Limburgse en het Vlaamse, die wisselen van voren naar achteren. Als je dat gewend bent, is dat ‘neutrale’ eigenlijk gewoon heel monotoon.’
Çekin Satijn: ‘Alle personages met een mening, daar zou mijn accent zich goed voor lenen. Het is rauwer, het heeft karakter, er zit geschiedenis in.’
Afstand tot regionaal publiek
In het werkveld zien ze dat regionale accenten vooral voor vlakke bijrollen worden gebruikt. IJpelaar:‘Limburgs voor domme personages, Brabants voor lompe personages.’ Dit strookt niet met het gesprek over diversiteit en inclusie dat op gang kwam toen zij op school zaten. ‘Toen zagen we te weinig mensen in het theater en op tv uit andere provincies. Daardoor voelen mensen in de provincie een afstand tot acteurs.’ ‘Én tot verhalen en systemen’, vult Çekin Satijn aan.
Bovendien ziet IJpelaar dat veel toneelspelers en mediawerkers na hun opleiding niet het Standaardnederlands spreken dat zij op school leerden, maar een ‘medialect’. ‘Een aangeleerde uitspraak die je veel hoort in Hilversum, met een overdreven Gooische r. Daarmee proberen ze hun accent te maskeren en neutraler te klinken. In de provincie komt dat over alsof je neerkijkt op mensen met een regionaal accent, of je boven hen verheven voelt.’
Interessant is dat het Standaardnederlands (ooit Algemeen ‘Beschaafd’ Nederlands) oorspronkelijk gebaseerd is op de stedelijke klanken uit Holland. Mogelijksworden hierdoor, naast Standaardnederlands, ook stedelijke Noord-Hollandse accenten, en bovenstaand ‘medialect’, vaker als ‘neutraal’ gezien. En dus ook makkelijker gecast voor ‘neutrale’ hoofdpersonages.
Maar bestaat daadwerkelijke ‘neutraliteit’ wel? Alzir haalt taalonderzoeker Lippi-Green aan: ‘Accenten worden historisch gebruikt als marker om sociale verschillen zichtbaar te maken en hiërarchieën te bevestigen.’ Het komt erop neer dat het publiek zich vaker mag identificeren met de complexe binnenwerelden van hoofdpersonages die Standaardnederlands of Randstedelijk Noord-Hollands spreken, terwijl ze vaker vlakkere zijpersonages met regionale en buitenlandse accenten zien. Daarmee bevestigen we op het toneel, bewust of onbewust, stereotyperingen en historische machtsverhoudingen.
Tekort aan fantasie
Daarnaast stellen de acteurs ook ter discussie waarom we er in film en theateraan vasthouden dat personages die in elkaars buurt leven, ook hetzelfde moeten klinken. En dat hoofdpersonages pas een regionaal accent mogen (of moéten) hebben indien het hele verhaal zich in een specifieke regio afspeelt.
Çekin Satijn: ‘In mijn familie spreekt mijn papa Turks-Maasmechels-Vlaams, mijn moeder Maastrichts-Nederlands-Limburgs, mijn broertje hoog-Hollands en ik spreek dit. Wij zijn gewoon een gezin, zoals ik zo veel gezinnen ken. Waarom vinden we dat in films en in het theater dan zo moeilijk? Er worden meteen vragen gestelt: waarom praat die met een harde G en die andere met een zachte? Wat maakt het uit! Ga fantaseren!’
Tobal beaamt dit: ‘In onze voorstelling Pech speelde Michiel Blankwaard, een zwarte acteur, de vader van Roos Dikman, die wit is. Zonder dat datgethematiseerd hoeft te worden. We kunnen dat ook al met gender. Het publiek kan daar verder in meegaan dan we vaak denken. Bij Tobal Producties maak ik graag juist onlogische keuzes. En dan zeggen mensen: wat fijn, dat er gewoon gewonemensen op de vloer staan.’
Çekin Satijn: ‘Als we milder zouden staan tegenover diverse accenten in het theater, krijgen we minder stereotypering, en daardoor meer verdraagzaamheid.’ Diversiteit gaat er volgens haar niet enkel om dat we verhalen vertellen over mensen die buiten de norm vallen, maar dat we nieuwe kanten en mogelijkheden ontdekken voor personages waarmee het publiek zich mag identificeren. ‘Dus laat Ophelia eens door een Limburgse spelen. Of doe een Rotterdamse Lady Macbeth.’







