soms noemen wij onszelf / de generatie zonder god / zonder instantie / die begrenst wie we zijn / en wat we doen en laten / wij noemen onszelf dan egocentrisch, / individuen / die het begin en eind zijn geworden van hun eigen leven / en rekening houden met niemand anders dan zichzelf

mijn generatie, / laat ons toegeven dat vaak het omgekeerde waar is / wij houden problematisch veel rekening met elkaar / wij zoeken bijna voortdurend elkaars bevestiging / dat wij elkaars gezicht goedkeuren / elkaars lijf / elkaars gedachten / elkaars gezelschap / wij hebben elkaars blik tot onze god gemaakt

alsof wij bang zijn / of ons schamen / voor onszelf / en voor wat we zelf willen / en voor wat we zelf doen

mijn generatie, / laat ons een experiment zijn / laat ons de komende jaren, / zolang wij ons zijn, / werkelijk egocentrisch worden, / werkelijk zonder god, / en werkelijk zelf het centrum

want / als wij volstrekt onze eigen weg zouden volgen, / zouden wij daar dan werkelijk niemand meer ontmoeten?

en / als wij onszelf laten zijn wie we zijn, / gaan wij dan werkelijk moorden en branden en onze kinderen verlaten?

en / als wij geen dingen meer doen om te laten zien / dat we dingen doen / dat we bestaan / dat we onmisbaar zijn / rotten wij dan werkelijk liggend weg? / zullen wij dan werkelijk niks meer schrijven? / nooit meer iets zeggen? / nooit meer ineens opstaan / om als vanouds iets nieuws te maken?

mijn generatie, / ik geloof van niet / maar laten wij het testen

laat ons werk jeugdig zijn en fris / laat ons niet werken om te bewijzen dat wij theatermaker zijn / of schrijver / of kunstenaar / of beeldhouwer / of bakker / Laat ons leven, / en soms theater maken / of iets schrijven / of iets kappen in steen / Laat ons met ons werk een relatie aangaan zoals met onze dierbaarste geliefden: / bij elkaar / bij elkaar / bij elkaar / bij elkaar / en in dat samenzijn volkomen onszelf / en voortdurend bereid alleen te zijn als samen niet meer klopt

en soms / mijn generatie, / zal dat werk ons doods en moeilijk lijken / wij zullen denken dat ‘onszelf’ niet bestaat / dat onze identiteit een constructie is / onze emoties pathetisch gezwelg / en dat alles relatief is / en ironie het enige wat is

laat ons dan niet vergeten dat dat ideeën zijn / uit kille postmoderne tijden, / waarin wij jarenlang vergaten / dat wij mensen zijn / die ’s ochtends / aan een tafel / brood eten / met mensen van wie we houden

en soms, / zal het werk ons zinloos lijken / wij zullen bang zijn dat alles is gedaan / en dat de grote verhalen dood zijn of allang geschreven

mijn generatie, / laat ons dan niet vergeten / dat dezelfde liefde / dezelfde lust / hetzelfde verdriet  dezelfde koppijn / dezelfde wanhoop / en dezelfde bodemloze vreugde / al eeuwenlang door alle generaties trekken, / maar dat zij vandaag de onze zijn / en zolang niemand de tekst der teksten schrijft / of het stuk der stukken maakt / zijn wij de eerste mens op aarde

het leven is / en wij leven het / niemand anders

en op zonderlinge dagen / slaan wij met moeë vreugde / uit het donkerste staal een cirkel / dat is ons werk

en onze generatie?

dat zijn degenen die bij ons zitten, stil huilen en dan zeggen: / dit en dit en dit ook, / het is allemaal mijn eerste keer / ja, de mijne ook