Het vlakkevloercircuit bevindt zich in een diepe systeemcrisis, concludeerde Theatermaker in juni. Aansluitend onderzoeken we de lokale dynamiek in Nederlandse steden. Deze maand: Utrecht, waar de politiek loyaal is en het publiek kunstminnend. ‘Opvallend genoeg is zaterdag onze slechtste dag. Dan gaat ons publiek uit.’

Door Heske van den Ende en Robbert van Heuven, foto Aafke Holwerda

Terwijl het op andere plekken pompen of verzuipen is, is van een vlakkevloerencrisis in de Domstad vooralsnog geen sprake. Aanbod vindt een podium en het publiek weet op zijn beurt de podia te vinden. Theater Kikker, met een trouw publiek voor de twee zalen, kreeg er een podium bij in de Vinex-wijk Leidsche Rijn. Het Huis Utrecht (voormalig productiehuis Huis a/d Werf) overleefde toen in 2013 het landelijke productiehuisgeld verdween en vindt nog steeds een beetje geld voor experimentele makers die het in de vlakkevloerzaal toont. De kleine, recent ingrijpend verbouwde Blauwe Zaal van de Stadsschouwburg Utrecht wordt goed bezocht. Het SPRING Performing Arts Festival, de opvolger van Festival a/d Werf en Springdance, moest even inkomen als nieuw internationaal platform voor actuele theater- en dansontwikkelingen, maar trekt een stevig groeiend aantal bezoekers naar de performancevoorstellingen die het onder andere in Kikker en de Stadsschouwburg programmeert.

Jong en hoogopgeleid

De betrokken instellingen geven zelf een aantal redenen voor de relatieve bloei: Utrecht kent een theaterminnend publiek, een gunstig politiek klimaat en goede samenwerking tussen de verschillen instellingen. Om met dat publiek te beginnen: dat is relatief jong en hoogopgeleid. ‘De belangrijkste doelgroep is afgestudeerd en heeft goede banen,’ zegt Lucia Claus, directeur van de Stadsschouwburg. ‘Na hun studie zijn deze mensen in Utrecht blijven wonen. Al zou het onterecht zijn om het beeld te schetsen dat we hier alleen maar hoogopgeleid publiek binnen krijgen. We hebben juist een heel brede programmering die een divers publiek aantrekt.’

Juist doordat er ook veel publiek is voor het brede en toegankelijke aanbod kan de schouwburg ook minder voor de hand liggende producties tonen, zeggen Claus en haar programmeur Steven Peters. ‘Utrechts publiek is genereus en laat zich verrassen,’ aldus Peters. Claus: ‘De serie met jonge Nederlandse en Vlaamse makers, Circuit X, moet zich bijvoorbeeld nog bewijzen. Dat vind ik niet erg, je moet ergens beginnen.’ Peters: ‘Soms hebben we best complexere avonden. Vlaams theater is lastig.’ Claus: ‘Of Get Lost, de internationale serie van programmeur Frie Leysen. Daarmee zoeken we het experiment ook op in de grote zaal. Niet alleen in de Blauwe Zaal.’

Even verderop, in Theater Kikker, zien ze de pas verbouwde kleine zaal van de schouwburg niet als concurrentie, zeggen directeur Harm Lambers en programmeur Jolie Vreeburg. Vreeburg: ‘Wat daar staat heeft een andere kleur, is minder vorm-experimenteel. Wij hebben een menu voor meer specialistische liefhebbers en we tonen veel jonge makers. Op dat “underground-theater” gaan we ons de komende jaren nog meer richten.’ Zo’n vernieuwende, tegendraadse programmering kan Kikker presenteren, denkt Lambers, omdat dat jonge en hoogopgeleide publiek nieuwsgierig is. ‘Opvallend genoeg is zaterdag onze slechtste dag. Dan gaat ons publiek uit. Naar het theater gaan is voor hen iets anders, zoals een arthouse-film of een goed boek. Er is echt een publiek dat voor complexer theater de concentratie wil opbrengen. Maar dan moeten wij dat theater wel durven programmeren. Ook in de schouwburg programmeren ze meer dingen met kloten, omdat ze weten dat daar een publiek voor is. Bij ons zijn de bezoekerscijfers gestegen, bij hen ook.’

Kikker kreeg er zelfs een zaal bij. In Leidsche Rijn, op de plaats van een oud Romeins fort, opende vorig jaar Podium Hoge Woerd zijn deuren. De programmering is lichter en meer op de wijk gericht dan die van zijn broer in het centrum. Lambers: ‘Het is een stevige nieuwe poot van Kikker. We kunnen ons door dat podium veroorloven om ons hier in het centrum iets scherper te profileren.’ De eerste vijf jaar staat de gemeente, de subsidiënt, nog garant voor de afdekking van financiële risico’s, zodat die niet ten laste komen van Theater Kikker. In die vijf jaar kan gebouwd worden aan het publieksbereik in Leidsche Rijn. Lambers: ‘Zodra we de beide theaters echt als één geheel gaan aansturen, geven de naar verwachting hoge(re) publieksaantallen van het ene, publieksgerichter podium ons meer vrijheid bij het andere.’

Stadsprogrammering

De afgelopen tijd zijn de instellingen steeds beter gaan samenwerken en hun werk op elkaar gaan afstemmen, tot grote tevredenheid van iedereen. Claus: ‘De oude verdeling die vaak via ongeschreven wetten bepaalde welke maker waar speelde, is opengegooid met de komst van Podium Hoge Woerd en onze verbouwde Blauwe Zaal. Samen zoeken we naar nieuwe strategieën om het aanbod op de goede manier op de goede plek te krijgen.’

Peters: ‘We zijn samen verantwoordelijk voor de stadsprogrammering. We krijgen allemaal geld om het publiek van een zo goed mogelijk theateraanbod te voorzien.’

Vreeburg: ‘We bespreken steeds met elkaar waar een maker het best tot zijn recht komt. Dat levert tegelijkertijd een gezamenlijke kwaliteitscontrole op.’

Peters: ‘We denken meer vanuit die match en minder vanuit concurrentie. Soms past aanbod toch beter in Kikker, ook al hebben wij een bepaalde affiniteit met een maker. Vanwege de vorm, of omdat daar het meeste publiek zit voor de voorstelling.’

Of andersom. Een geslaagd voorbeeld van stadsprogrammering was de voorstelling Alice van het Vlaamse Abattoir Fermé. Die groep is al jaar en dag vaste gast in Kikker, maar maakte met Alice een grotezaalvoorstelling. Peters: ‘Dat werd dus een gezamenlijk project. Voor ons was het niet evident of we daar publiek voor zouden hebben. Wij investeerden, maar ook Kikker gaf er ruchtbaarheid aan en zo werd het een gedeeld en geslaagd experiment.’

Ook directeur Rainer Hofmann van het SPRING Performing Arts Festival is blij met de verbeterde samenwerking met Kikker en de schouwburg. Zijn festival is een belangrijke speler in het Utrechtse vlakkevloercircuit en werkt met beide theaters samen. Buiten het festival om tipt hij voorstellingen aan de schouwburg. Hofmann: ‘Die krijgen een stempel met SPRING erop. Als er geld is willen we bovendien een SPRING-in-AUTUMN-editie gaan organiseren. In een weekend tonen we aanbod dat net wat zachter is dan wat wij in het voorjaar laten zien en net wat ruiger dan wat de schouwburg normaal programmeert.’

Zo proberen de instellingen de overlap te vinden in hun publiek. Claus: ‘Het is nog in ontwikkeling, maar we kunnen inmiddels spreken van drie goed geoutilleerde vlakkevloertheaters en een toonaangevend festival, die samen voor een gespreid aanbod zorgen.’

Peters: ‘Met als vijfde partner Het Huis als plek voor research en development.’

Laboratorium

In de eigen vlakkevloerzaal van Het Huis worden vooral proeven getoond van de interdisciplinaire makers die er in huis werken. ‘De functie van Het Huis is namelijk om jonge makers in contact te brengen met mogelijk publiek, vakgenoten en programmeurs,’ zegt directeur Cobie de Vos. ‘Het Huis heeft geen programmerende opdracht en kan hierdoor juist de ontwikkeling tonen van de makers die hier in huis werken en van de partners waarmee wordt samengewerkt.’

Doordat Het Huis geen programmeringsopdracht heeft en daarom ook niet aan bepaalde bezoekersaantallen hoeft te voldoen, is het in staat zijn podium als laboratorium te gebruiken, zegt programmamaker Jonathan Offereins. ‘We voelen minder de druk om voor onze projecten een groot publiek te vinden.’

Daarmee krijgen jonge makers een plek om dingen uit te proberen. Daarna stromen ze hopelijk door naar SPRING of Kikker. Vanuit die plekken kunnen ze weer doorstromen naar de grote zaal van de schouwburg, zoals nu met Jan Martens en Nicole Beutler gebeurt. Op die manier ontstaat er een talentontwikkelingscircuit, waarin overigens ook andere Utrechtse partijen deelnemen: Theater Utrecht, Tweetakt, Het Filiaal en DOX. Die instellingen vroegen dan ook samen productiehuisgeld aan bij OCW om als Utrechts ontwikkelingsnetwerk te fungeren.

Loyale overheid

Dat samenwerken goed lukt in Utrecht komt doordat de instellingen elkaar vooral aanvullen en elkaar niet als concurrenten zien, denkt Rainer Hofmann. ‘Zo moet een festivalprogrammering complementair zijn aan wat er de rest van het jaar gebeurt op andere plekken; ons festival moet tonen wat elders niet getoond wordt. En Utrecht heeft precies de goede schaal voor de juiste afstemming.’

Daarbij helpt het politieke klimaat, dat, zeker vergeleken bij veel andere plekken in Nederland, zeer kunstminnend is. Lambers: ‘We hebben een enorm loyale gemeentelijke overheid. Het geld klotst er niet over de plinten, maar de kunst wordt hier niet van vraagtekens voorzien, zelfs niet door de VVD. De cultuurafdeling van de gemeente is zeer deskundig en is continu met ons gesprek. Ze weten waar ze het over hebben.’ Hofmann: ‘De stad beseft hoe veel belang ze heeft bij podia en festivals.’

Landelijke uitholling

Hoewel de Utrechtse instellingen optimistisch zijn over het plaatselijke vlakkevloercircuit zijn ze dat niet per se over de landelijke situatie. Zo vreest iedereen dat het kleinezaalcircuit straks zal bestaan uit slechts een handvol podia in enkele grote steden. En bij de taak om dat circuit in stand te houden ligt uitholling op de loer, zegt Lambers. ‘Wij podia gaan de klappen opvangen van het wegvallen van geld. We staan voor het dilemma dat we vinden dat er dingen worden gemaakt die een publiek verdienen, zeker door beginnende makers, die echter mank op tournee gaan. Producties worden te goedkoop gemaakt. Er is geen geld voor marketing en er kan maar één technicus worden betaald. Die organisatorische gaten moeten wij dichten. Aan de kant van de makers is er sprake van uitholling, maar een deel van die last krijgen wij voor onze kiezen.’

Die uitholling heeft ook gevolgen voor de kwaliteit, denkt Peters: ‘Als het aantal vlakkevloerpodia onder een kritisch minimum daalt, kunnen de voorstellingen niet meer worden afgezet. Dat betekent dat het aanbod zal verschralen en daar worden wij dan ook slachtoffer van. Wij zijn een kwaliteitspodium. We willen mooie dingen laten zien.’

Claus: ‘Er is ook steeds minder geld om te produceren, met het gevaar dat sommige producties helemaal niet meer gemaakt kunnen worden. Dat is voor ons een reden om makers of producties te ondersteunen, ook al weten we dat daar misschien minder publiek voor is.’

Zeker in de dans, zeggen de podia, is er wel erg veel verdwenen, ook dingen die het publiek wel wilde zien. Rainer Hofmann deelt de analyse van zijn collega’s. ‘Ik hoop dat we samen publiek kunnen blijven vinden voor experimenteel werk. Dat is goed voor ons allemaal. Maar het basisprobleem is: we hebben als veld niet het geld voor wat theater daadwerkelijk kost.’