Weinig zo pijnlijk als een bijna lege zaal. Lege stoelen zeggen dat de voorstelling niet goed was, dat de maatschappelijke relevantie gering was, dat het cultureel ondernemerschap onder de maat was. Maar natuurlijk klopt dat niet. Dus: houd de lege stoelen uit beeld. Letterlijk en figuurlijk.

Toen hij dit voorjaar begreep dat er nul kaarten voor zijn voorstelling in het Teatro del Popolo in Gallarate waren verkocht, reageerde de Italiaanse theatermaker Giovanni Mongiano onbewogen. Hij speelde de voorstelling evengoed. Het voorval werd iconisch en leidde binnen en buiten Italië tot bespiegelingen over de rol (en vooral de noodzaak) van publiek. Waarom een voorstelling spelen als er niemand is? Het ongemak van deze keuze, zo stelde Henk Bovekerk in Rekto Verso ‘zit hem uiteraard in de lege stoelen’, die Mongiano ‘een beetje zielig en zijn toneelspel potsierlijk doen lijken.’ Ik ben bang dat hij hierin erg gelijk heeft.

Met theater is iets eigenaardigs aan de hand. Er is geen andere kunstvorm waarbij het beoogde aantal ‘afnemers’ zo alomtegenwoordig is, als bij het theater. Ik bedoel uiteraard die stoelen, die letterlijk en figuurlijk in beton gegoten streefgetallen. Streefgetallen die bovendien, nog voor de kunstenaar ook maar een idee heeft uitgedacht, onwrikbaar vastliggen. Als een theatermaker een voorstelling gaat maken, weet hij in de regel immers al in welke zaal de première plaatsvindt en langs welke locaties hij zal toeren.

In andere kunsten is het beoogde aantal beschouwers een veel rekkelijker gegeven. Natuurlijk denkt een uitgever in oplages, natuurlijk zijn expositieruimten ingericht op bepaalde bezoekersaantallen, maar geen schrijver die zich al gecommitteerd heeft aan een oplage, laat staan een specifiek aantal herdrukken, voor hij zijn eerste dichtregel heeft ingetikt. Geen beeldhouwer die de richtcijfers voor zijn expositie erbij pakt op het moment dat hij de mouwen opstroopt.

Als je weet hoeveel stoelen gevuld kunnen worden, weet je ook hoeveel er leeg kunnen blijven en daar wringt de schoen. Want lege stoelen willen we niet. Lege stoelen zeggen dat de voorstelling niet goed was, ze zeggen dat de maatschappelijke relevantie gering was, dat het cultureel ondernemerschap onder de maat was. In de praktijk is in ieder geval weinig zo pijnlijk als een bijna lege zaal. Voor de theatermaker allereerst, die zich schaamt, voor de theaterdirecteur, die zich plaatsvervangend schaamt en zeker ook voor de toeschouwer, want die vraagt zich bedremmeld af of hij wel de juiste keuze heeft gemaakt. En gezellig is het sowieso niet met die tochtige lege rijen in je nek.

Obsessie

Het is zodoende niet verwonderlijk dat we in de theatersector een obsessie met de bezetting hebben ontwikkeld, en nog heviger met de bezettingsgraad: het percentage dat aangeeft in welke mate de totaal beschikbare capaciteit wordt benut. Men neme het aantal bezette stoelen en dele die door het aantal beschikbare stoelen en zie daar het rapportcijfer voor mijn voorstelling, mijn programmering.

Bezettingsgraad is het NAP van de podiumkunsten. Brancheverenigingen noteren met door kramp verstijfde handen de bezettingsgraad per theater, per discipline, per tijdsspanne. Diverse subsidieverstrekkers willen er door aanvragers over geïnformeerd worden, zowel vooraf als in de verantwoording. En bij het glas na afloop is het standaard onderwerp, onder makers, toeschouwers en theatermedewerkers: niet hoeveel bezoekers er feitelijk waren, maar hoe leeg of hoe vol de zaal was.

Laatst stelde ik me voor een regisseur te zijn die op een verloren dinsdagavond de premièrezaal alvast eens inwandelt, en oog in oog komt met die stoelen, die stilzwijgende maar opdringerige stoelen, strak in het gelid, als unisono aanmaning bezoekers op de been brengen. Het zou me beangstigen, die tribune waarop iedere onverkochte stoel je als een proeve van onkunde in het gezicht staart, die zaal waarin een leeg balkon de voorbode is van een vriendelijk maar definitief afscheid van de programmeur.

Die lege stoelen, ook die heb je in andere kunstvormen niet. Preciezer: ze zijn er wel, maar ze zijn aan het oog onttrokken. Geen boekhandelaar immers die het fiasco van een auteur demonstreert door de stapels onverkochte boeken torenhoog op de uitstaltafel te laten liggen. En de museumdirecteur houdt uiteraard wijs voor zichzelf hoeveel entreekaarten hij/zij had willen verkopen voor die expositie waar slechts een handjevol bezoekers in eerbiedige stilte langs schuifelt.

Falen

Het kan niet anders dan dat dit fenomeen, het risico om openlijk te falen, invloed heeft op de kunst, het theater. Zowel bij de aanbieders, in het maken van hun voorstelling, als bij de afnemers, in het samenstellen van hun programma. Na een nachtmerrie over legen rijen offer je, vermoed ik toch, sneller één of meer van je artistieke principes. We kennen de voorbeelden van gesubsidieerde gezelschappen die met het (angst-)zweet in de handen snel wat grappen door hun werk mixen. We kennen de voorbeelden van programmeurs die schoonheid van het zuiverste water als een stofje van hun schouders vegen omdat ze er de achterste rijen niet mee gevuld krijgen.

Logisch en begrijpelijk, want de bezettingsgraad, de mate waarin de zaal gevuld is, is de meest intens gevoelde, meest zichtbare, meest confronterende parameter in de krachtmeting die theater heet. En, paradoxaal genoeg, de meest irrelevante, want weinig is zo arbitrair als ‘de totaal beschikbare capaciteit’. Oftewel de grootte van de zaal waar ik mijn voorstelling speel. Die is soms precies even groot als de wensdromen van de gemeenteraad ten tijde dat hij werd gebouwd, even royaal als het budget dat er voor beschikbaar was, en even ruim als het stuk grond dat ervoor vrij gemaakt kon worden.

Natuurlijk wordt bij de bouw van een theater het aantal te realiseren stoelen beredeneerd. Maar daarbij vormt het te programmeren aanbod en zijn potentiële bereik beslist niet altijd het uitgangspunt. Soms zijn het vooral economische en politieke motieven waarmee de keuzes worden onderbouwd. In de meest recente Cultuur in beeld van het Ministerie van OC&W lezen we: ‘De afgelopen tien jaar zijn (…) veel nieuwe culturele accommodaties gerealiseerd. Daarbij is vaak onvoldoende rekening gehouden met de exploitatie en de programmering. (…) Gebiedsontwikkeling, culturele ambities en een groeiende waardering voor industrieel erfgoed zorgden (…) voor een hausse aan nieuwe, vaak spectaculaire culturele accommodaties.’ We lezen hier wat Gijs Scholten van Aschat tijdens het Paradisodebat zo ongeveer bedoelde toen hij de gemiddelde schouwburg afdeed als de ‘erectie van de wethouder’.

Kookshows

Om al deze grote huizen van inventaris te voorzien, wordt veel inventiviteit aan de dag gelegd. Deze zomer maakte Joukje Akveld in Vrij Nederland een treffende schets van het bonte geheel aan activiteiten waar dat in uitmondt: ‘Colleges, films, preken, debatten, boekenclubs’. Onder de veelzeggende titel: Op zoek naar nieuw publiek verandert het theater steeds meer in een buurthuis omschrijft ze de neiging van theaters zich als allemansvriend in het centrum van de lokale samenleving te nestelen, teneinde een zo groot en breed mogelijk publiek te ontvangen. Ook het ministerie van OC&W observeerde iets dergelijks: ‘De programmering van podia is breed – van kookshows tot voorstellingen van beeldende kunst als performing art.’

De keuze om het theater als ‘podium van de stad’ te exploiteren, wordt veelal gemotiveerd met de (op zichzelf sympathieke en legitieme) wens een factor van betekenis te zijn in de omringende samenleving, maar tegelijk maakt geen van de geïnterviewden in Vrij Nederland er een geheim van dat het hier ook (en soms zelfs voorál) om het vullen van stoelen gaat. Enkele theaters, zoals Orpheus in Apeldoorn, nemen zelfs onbekommerd de short cut naar het publiek door een commissie van bezoekers het programma mede te laten bepalen. Want – ik begrijp het oprecht – de vloer in het mooie, grote Orpheus moet wel slijten natuurlijk.

En zo navigeren we naar een situatie waarin niet de kunst de faciliteiten dicteert, maar de faciliteiten de kunst. Het meest radicale voorbeeld hiervan is de zogeheten Theateralliantie, een samenwerking van een aantal grote podia die om hun ruime tribunes te vullen zelf voorstellingen zijn gaan produceren: grootschalige, theaterproducties, bestemd ‘voor het grote publiek’. Het is begrijpelijk dat theaters activiteiten ontwikkelen om hun exploitatie rond te krijgen en het ondernemerschap dat zij daarin aan de dag leggen, wekt bewondering, maar soms vraag ik me af of we hier niet het paard achter de wagen spannen. In den beginne was er de schouwburg en toen kwam het theater…

Leugens

Het problematische is dat deze vormen van theater bewijzen dat een volle tribune wel degelijk mogelijk is, en allicht beïnvloedt dit de verwachtingen met betrekking tot andere, meer kwetsbare vormen. Na zo’n volle bak voelt een toeschouwersaantal van driehonderd bij Oostpool plots schraal, bij publiek, theatermedewerkers én – dat kan haast niet anders – makers. En zo lijken commerciële initiatieven steeds meer de kaders te bepalen, in zalen die van overheidswege gesubsidieerd worden. Omwille van de kunst.

Je zou hier je schouders over op kunnen halen, maar het wordt zorgelijker wanneer je je realiseert dat de gemiddelde omvang van Nederlandse theaters de afgelopen jaren geleidelijk is toegenomen. Uit cijfers van het CBS is een groei af te leiden van gemiddeld 407 stoelen in 1999 naar 480 in 2015. (Nu zijn er in deze periode enkele megazalen gebouwd, die het gemiddelde optrekken, maar ook als je die buiten beschouwing laat, zie je groei.) Als we uitgaan van gelijkblijvende toeschouwersaantallen, dan lijkt het cordon aan lege stoelen bij gesubsidieerd theater dus alleen maar groter te worden. En dus ook het zogenaamde fiasco.

De lege stoelen die zeggen dat je voorstelling niet goed, je ondernemerschap ondermaats en je relevantie gering was, die liegen dus. En leugenaars moet je de mond snoeren. Toen ik bij een theater werkte opperde een collega om voortaan de niet verkochte rijen niet meer uit te lichten. Een doodeenvoudige maar doeltreffende ingreep. Na afloop praatte niemand meer over de niet verkochte stoelen.

Uit beeld

De oplossing voor dit tamelijk complex probleem is dus tamelijk eenvoudig. Houd de lege stoelen uit beeld. Letterlijk en figuurlijk. Theatermakers, zet af en toe welbewust oogkleppen op. Omwille van de kwaliteit van je werk, omwille van de kunst. Laat je niet kapittelen door de tribune. Die jas is namelijk niet per se op maat gesneden. Het is een one size, fits all en de maten lijken bovendien steeds groter te vallen.

Maar vooral, laten we het woord bezettingsgraad ten enenmale uit ons jargon schrappen. Laten we voortaan enkel kijken naar het reële aantal bezoekers. Soms heb je er duizend nodig. Soms is honderd genoeg. Soms slechts tien.

Natuurlijk weet ik dat een bezoekersaantal van tien geen feest is voor de begroting, maar laat mij enige nuancering aanbrengen: het kunstzinnige aanbod maakt volgens de laatste VSCD-cijfers gemiddeld slechts 15 procent van het totale aantal bezoeken aan VSCD theaters uit. Wat meer of minder bezoekers in dit genre zal de exploitatie meestal niet radicaal beïnvloeden, zeker niet wanneer je bedenkt dat publieksinkomsten sowieso slechts zo’n derde van de inkomsten uitmaken.

Bedenk ook dat gesubsidieerd theater sowieso (helaas!) van marginaal belang is. Honderd of tweehonderd bezoekers bij een jonge maker? Waar hebben we het eigenlijk over? Het verschil in percentages van de totale bevolking van een gemiddelde stad manifesteert zich hoe dan ook achter de komma.

En tot slot: temper de opgewonden wethouder. Spoor hem of haar aan het te presenteren aanbod leidend te maken bij het (ver-)bouwen van een theater en vooral daarbij het kwetsbare aanbod niet uit het oog te verliezen. Laten we het pad van groot, groter, grootst onverschrokken verlaten. Soms is een maatje kleiner helemaal geen gek idee.

Illustratie: Gemma Pauwels