In 2014 ging MC failliet, maar mede-oprichter Marjorie Boston gaat onvermoeibaar door met het op weg helpen van multiculturele theatermakers. Onder de naam Rightaboutnow inc. werkt ze vanuit Amsterdam IJburg met de volgende generatie. Tegelijkertijd heeft ze er een taak bij gekregen: de zorg voor het erfgoed van dertig jaar multicultureel theater in Nederland.

Laten we beginnen bij wat er gebeurde met de opheffing van MC.

‘Ik heb er vorig jaar over verteld bij een programma rond “your biggest fuckup”. Dat was eigenlijk voor het eerst. We hebben toen het gebeurde heel bewust ons mond gehouden, waardoor mensen veel aannames gedaan hebben. Dat was pijnlijk.

Wij waren een van de productiehuizen die door de cultuurbezuinigingen vanaf 2013 onze structurele subsidie zouden gaan verliezen. We wisten dat ongeveer een jaar van tevoren en we hebben dat jaar gebrainstormd en nagedacht over hoe nu verder. De keuze die we maakten, was dat we een oude ambitie gingen proberen te verwezenlijken om op eigen benen te staan, geholpen door een ‘uitstapsubsidie’ van de gemeente Amsterdam.

Ik had het persoonlijk liever willen aanvechten: we waren het enige cultureel diverse productiehuis en we waren ondertussen best succesvol, met de combinatie van productiehuis, eigen producties en het eigen theater met een heel divers publiek. Om dat als cultureel ondernemers uit te baten in die tijd van crisis en bezuinigingen was risicovol. Om die productiehuisfunctie – wat voor mij toch de essentie was van wat we deden – te beschermen heb ik daarvoor toen een andere stichting opgericht: Rightaboutnow inc.

Op het moment dat het inderdaad misging, en we vastzaten aan een veel te duur huurcontract dat de gemeente voor ons had gesloten, hebben we ondervonden dat met politieke rechts en de bezuinigingen, culturele diversiteit totaal geen agendapunt meer was. De deuren gingen dicht. Niemand wilde helpen.’

Toen MC failliet ging, ben ik voor Rightaboutnow inc. aannemers en woningbouwverenigingen gaan aanschrijven met een nieuw plan. Dat plan was: wij zijn een productiehuis en hebben best veel legacy als het gaat om culturele diversiteit. We kunnen jullie helpen met jullie maatschappelijke opdracht en buurtgerichtheid. We vroegen om een ruimte, gratis en voor niks. Als tegendienst zouden wij dan buurtgerelateerde projecten doen.

Ymere ging daarop in en bood ons een plek aan op IJburg. Dat was een verrassing, het stond niet op onze radar. En daar zitten we dus nu drie jaar. Hoe meer we leerden van IJburg, hoe meer we het terecht vonden dat we er zaten. Het is een nieuwe wijk met weinig culturele voorzieningen, terwijl het bomvol zit met creatieve mensen en daarnaast is het de wijk met het hoogste percentage tieners in Europa. Wij weten dat als je tieners, jongeren, zich thuis wil laten voelen op de plek waar ze zitten, dat cultuur dan een heel belangrijk aanknopingspunt is. Dus wij hebben onszelf de taak gegeven om los van het landelijke en internationale ons ook te richten op het lokale.

Rightaboutnow inc. krijgt geen structurele subsidie. We doen het deels vanuit ondernemerschap en deels in een relatie met verschillende fondsen. Ik vind zelf dat we best ver gekomen zijn in die combinatie.’

Komt dat ook voort uit een soort wantrouwen tegenover de overheid? En het idee dat je met particuliere fondsen beter zaken kunt doen?

‘Nou, nee. Wij zien dat het hele cultuurbestel gaat veranderen. Daarin willen wij pionieren. Ik denk dat het veel meer zal gaan over het maatschappelijke belang binnen cultuur, en dat je dat ook moet laten zien aan de politiek en de subsidiënten. Bezoek aan theaters loopt terug. En dat heeft ermee te maken dat wat daar gebeurt, losgekoppeld is van wat er buiten gebeurt. In soort mensen, in thema’s, in vraagstukken, ga zo maar door. We gaan op termijn onvermijdelijk naar een bestel waarin je belang binnen de maatschappij meer gaat tellen dan je legacy, je staat van dienst.

Hoe ziet jullie jongemakerstraject er nu uit?

‘We werken vanaf dit seizoen Sherise Strang. Nedda Sou (Nadia Souirti) en Ira Kip hebben hun traject net afgesloten. Wij hebben een constructie bedacht die in principe heel goed kan werken: zij krijgen geld van de nieuwe makers-regeling van het Fonds Podiumkunsten, waarbij je meeneemt dat je ook cultureel onderneemt en we dus een deel van het budget voor de producties van die makers uit de markt halen. Zij maken ieder in twee jaar twee producties, die wij produceren en wij zoeken daar dan matching fondsen bij. Dat is een hele andere constructie dan die van de productiehuizen, en op zich werkbaar. Maar we willen wel in gesprek met het Fonds om ze te laten weten hoe hun ideeën in onze praktijk uitpakken.’

Zijn die andere fondsen geïnteresseerd in jonge makers?

‘Een aantal wel, maar een belangrijk ding is: ze begrijpen nog steeds niet altijd hoe een urban maker meerdere lagen en disciplines of werelden samenbrengt in één project. Dan denken ze vaak dat je niet weet wat je wilt. Daarin lopen fondsen soms nog achter. Ira Kip maakte bijvoorbeeld een Shakesqueer versie van Het temmen van de feeks: Shrew Her. Dus zij vertrekt vanuit een klassiek stuk, gekoppeld aan het genderissue, de LGBT community nu, en ze werkt met amateurspelers, omdat ze andere soorten mensen op het toneel wil hebben. De artistieke fondsen vonden het niet professioneel genoeg, de maatschappelijke fondsen vonden het te artistiek.

Precies hetzelfde maakten we mee met de voorstelling Old Timers, van mij en Mariëlle van Sauers. Daar hadden we hetzelfde issue: een combinatie tussen professionele spelers en amateurs. Je moet dan echt met fondsen het debat voeren over wat is professioneel en wat niet. Daar zit iets wat men nog niet helemaal weet, over hoe je een plek geeft aan maatschappelijke vraagstukken binnen de kunsten. Die scheidslijn tussen professioneel en amateur is er nog.’

Waar komen jullie makers vandaan?

‘We scouten heel erg in de subculturen. Spoken word, singer-songwriters. Het zijn soms ook makers die wij al kennen van de subcultuur, die we altijd al hebben begeleid zonder dat ze echt een project doen. Veel makers komen uit de visual arts. In de steden werken die nu vaak in grote collectieven. Dat zijn early adopters voor een aantal ontwikkelingen. Zij brengen al die verschillende dingen samen. Daar kijken wij heel erg naar. Of ze komen naar ons toe, we hebben nog steeds een goede naam. En we hebben veel verschillende trajecten. Flying solo is er daar een van: daarbinnen heeft een maker de ruimte om een jaar lang een solo te maken en daarbij een internationaal netwerk op te bouwen via de residenties die we doen. Sheyda Darab heeft dat gedaan en ze geeft aan dat ze toen ze begon ze een hele andere maker was, dan nu. Dat ze haar eigen netwerk heeft opgebouwd en inmiddels zelfredzaam is.

Het is nog steeds heel veel wat jullie doen. Met MC probeerde je ook al met een eigenlijk heel kleine instelling de hele keten te doen: producties maken, spelers opleiden, een eigen zaal uitbaten, een festival organiseren.

‘We horen dat inderdaad veel, en eigenlijk denk ik dat het niet zo is. Eigenlijk doen we niet zoveel.

We hadden met Rigtaboutnow inc. vanaf het begin drie taken: het begeleiden van makers, produceren van voorstellingen en we zijn een impresariaat voor urban artiesten. Onlangs is daar een vierde taak bij gegroeid: een leerwerkbedrijf. We hebben best veel jonge mensen, studenten, autodidacten, die bij ons willen leren. Het is min of meer hetzelfde als het begeleiden van jonge makers, alleen gaat het hierbij om de backoffice. We zijn in gesprek met hogescholen over een samenwerking.

En vooral dat impresariaat is heel moeilijk. Dat heeft twee redenen: het zijn jonge makers en het is urban theater. We krijgen bij stadstheaters letterlijk te horen: “Wij hebben geen urban publiek.” En dan kom ik met de data over de bevolkingssamenstelling in hun verzorgingsgebied en kan ik zeggen: “Dit percentage van jullie publiek heeft een andere etnische achtergrond.” Maar urban dans… Ik was een voorstelling aan het verkopen en dan zegt een theater doodleuk: we hebben ISH al staan, dus we hebben al urban theater. Ze denken zelf dat ze met één keer per jaar dat publiek al bedienen. Maar met één keer per jaar bind je het publiek niet aan je.’

Maar trap je niet op een bepaalde manier in dezelfde val als met MC? Dat je voor urban theater de hele keten verzorgt omdat het er allemaal niet is?

‘Dat is dus onze tragiek. Omdat wij zo de wereld willen verbeteren. Maarten van Hinte en ik zijn zo bezig om de wereld mooier te maken. En elke keer weer weten we ook dat het een andere kant heeft.

Er lijkt op de opleidingen nu het een en ander te veranderen, maar je merkt wel dat je er steeds bovenop moet zitten. Wij geven bijvoorbeeld les aan theaterdocenten en die zijn daar op een hele goeie manier mee bezig, ook door het omhusselen van hun curriculum. Maar dan kijk je naar het nieuwe eerste jaar en dan is er geen enkele leerling zwart. Je moet toch relaties met sleutelfiguren in dat urban veld blijven onderhouden, ze blijven vragen om mee te kijken om die veranderingen duurzaam te maken. Er is echt een aantal jongere mensen dat gewoon nog niet naar de theaterschool wil. Zij vinden de drempel niet te hoog, maar ze zien gewoon niet dat ze er iets kunnen halen. Ik denk dat er in de lesstof iets mee gedaan moet worden. Het is wel al heel wat dat we dramaturgieles geven.

Voel je de last van je verleden? Diversiteit is nu een belangrijk onderwerp, maar dat heb je al eerder meegemaakt.

‘Toen ik afstudeerde van de theaterschool werd er gezegd: Marjorie die gaat ooit een Oscar winnen ofzo. Toen zei ik, nee, mijn grootste wens is dat we in de geschiedenisboeken staan. En dat wij op een of andere manier onze eigen verhalen daarin mogen vertellen. Dat is nu zodanig opgepikt dat wij ook op de opleidingen, zowel het ROC als de AHK, dramaturgie geven. Dat is heel belangrijk, dat studenten weten wat de canon is, maar wel op meerdere niveaus.

Ik kan me herinneren dat toen staatssecretaris Halbe Zijlstra aantrad en cultuurbezuinigingen aankondigde, een collega me aansprak in MC en vroeg: “Waarom ben je nog bezig met culturele diversiteit? Urban is toch achterhaald?” Toen zei ik: “Heb je om je heen gekeken? Kijk eens naar buiten. Hoe kun je dat nou als trend beschouwen?”

Ik loop nu met een plan om een documentaire te maken over het multiculturele theater in Nederland. Dat zou een uitgangspunt zijn om die hele legacy terug te nemen; wij zitten er al in vanaf 1982, toen waren we nog 17, 18 jaar. Ik heb nu drie keer gezien dat culturele diversiteit opeens aandacht kreeg – in de vroege jaren negentig, eind jaren negentig onder staatssecretaris Van der Ploeg, en nu. Dus ik ben huiverig voor de toekomst. Toen Van der Ploeg onze term ‘urban’ overnam in de cultuurnota kregen we de ruimte om ook beleidsmatig na te denken over multicultureel theater. De klap onder Zijlstra heeft littekens achtergelaten. Ik zit toch min of meer te wachten op het volgende moment dat het weer naar beneden gaat. En zit na te denken hoe we kunnen zorgen de enorme community dan niet wéér voor gesloten deuren staat. Dat betekent echt een aantal dingen: blijven begeleiden, nieuwe makers blijven opleiden. Overdracht. Eigen verhalen vertellen. En ook een eigen plek.

Het gaat nu vaak over quota bij grote instellingen – ben ik vóór – maar het is heel belangrijk dat er ook plekken zijn die zich specifiek alleen op dat urban werk en publiek richten.

Het feit dat MC Theater toen zo booming was en zo breed gedragen werd waardoor je ook een echt gemêleerd publiek kreeg, heeft zo te maken met diegenen die daar dus zitten: wie je ontvangt op zo’n plek, wie er achter de bar staat en wie er op kantoor zit. Het zit erin hoe je programmeert, welke makers je kiest. Het was ook heel logisch dat wij dat konden doen, onze denkwijze komt vanuit de hiphop, en die denkwijze brengt sowieso meerdere perspectieven samen.

Op het moment dat we MC moesten sluiten, zijn we eerst alle legacy van het multicultureel theater gaan redden. In een tijd waarin niemand het nog van belang vond. Wij hadden de archieven van Cosmic en van Made in da Shade, en die van De Nieuw Amsterdam – want DNA stopte ook, en de zakelijk leider, Gerrit Wijnhoud, belde ons op en zei: “Het gaat nu de straat op dus kom alles redden”.

En toen hadden we dertig jaar documentatie over cultureel diverse podiumkunsten. Van alles: scripts, notulen, bestuursstukken, beeldmateriaal, alles, alles. We hebben het overal gestald waar maar kon: bij vrienden in kelders en een deel in een klein gehuurd opslagje. Een groot deel ligt nu bij de voormalige TIN-collectie bij de Universiteit van Amsterdam. Zij hebben dat opgenomen en gesorteerd en het ligt daar nog steeds. De rest hebben wij uiteindelijk in een depot ondergebracht. Dat was ook een van de redenen waarom wij zo graag een eigen plek wilden: we willen ons archief kunnen delen met mensen – kunstenaars en publiek. Een deel kan wellicht zelfs weggegeven worden, maar het mag niet ergens achter gesloten deuren blijven. Dat mag niet gebeuren met het multiculturele theater van de afgelopen dertig jaar.

Op termijn is het de bedoeling dat wij eruit kunnen stappen en dat het doorgaat. En dat is ook de reden dat wij alle documentatie van Made in da Shade, Cosmic, DNA allemaal hebben bewaard in de hoop dat ergens iemand gaat roepen: ik ga het overnemen.’

foto Mounir Raji